ECLI:NL:PHR:2023:933

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 oktober 2023
Publicatiedatum
17 oktober 2023
Zaaknummer
22/04369
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 1 WVW 1994Art. 8 lid 5 WVW 1994Art. 9 lid 1 WVW 1994Art. 9 lid 2 WVW 1994Art. 13 lid 1 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vrijspraak rijden onder invloed cannabis wegens onjuiste beoordeling bezorgtermijn bloedmonster

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, dat verdachte vrijsprak van rijden onder invloed van cannabis omdat het bloedmonster niet 'zo spoedig mogelijk' bij het laboratorium was bezorgd, zoals vereist volgens het oude Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer.

Het hof stelde vast dat het bloedmonster negen dagen na afname bij het laboratorium arriveerde en concludeerde dat dit niet spoedig genoeg was, mede omdat niet kon worden vastgesteld dat het bloed bij -20 °C was vervoerd. Hierdoor werd het bloedonderzoek uitgesloten als bewijs en verdachte vrijgesproken.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof de bezorgtermijn verkeerd heeft berekend door de dag van bloedafname mee te tellen, waardoor de termijn feitelijk acht dagen bedroeg. Volgens vaste jurisprudentie is een termijn van acht dagen in beginsel wel spoedig genoeg, ook zonder nadere vaststelling van bewaar- en transportcondities.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling. Tevens wijst de Hoge Raad op de gewijzigde regelgeving sinds 1 juli 2022, waarbij de bezorgtermijn is verlengd naar vier weken, en benadrukt dat een algemene vuistregel voor spoedige bezorging niet wenselijk is vanwege de casuïstische aard van de beoordeling.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/04369
Zitting17 oktober 2023
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft de verdachte bij arrest van 11 november 2022, voor zover in cassatie van belang, vrijgesproken van rijden onder invloed van cannabis (art. 8 lid 1 WVW Pro 1994). [1]
1.2
Het cassatieberoep is op 23 november 2022 namens het Openbaar Ministerie ingesteld. W.J.V. Spek, advocaat-generaal bij het ressortpakket, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
1.3
Het middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat het bloedmonster niet “zo spoedig mogelijk” is bezorgd bij het laboratorium. Daarnaast wordt de Hoge Raad verzocht een algemene vuistregel te formuleren voor de bezorgtermijn.
1.4
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak.

2.Het middel

2.1
In het middel wordt geklaagd dat “'s Hofs oordeel dat de buisjes met het van de verdachte afgenomen bloed niet "zo spoedig mogelijk" zijn bezorgd bij het laboratorium als bedoeld in art. 13, eerste lid, aanhef en onder d, van genoemd Besluit [AG: Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit)], niet toereikend is gemotiveerd. Het daarop steunende oordeel van het Hof dat er geen sprake is van "een onderzoek" zoals bedoeld in art. 8, vijfde lid, WVW 1994 en dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, is derhalve niet zonder meer begrijpelijk.”
2.2
De verdachte is vrijgesproken van het onder 1. onder parketnummer 96-115192-19 tenlastegelegde:
“hij, op of omstreeks 29 januari 2019, te Zwolle, een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 3,6 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;”
2.3
Het hof heeft de vrijspraak als volgt gemotiveerd:
“Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 96-115192-19 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Vooropgesteld dient te worden dat van ‘een onderzoek’ als bedoeld in artikel 8, vijfde lid WVW 1994 slechts sprake is indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd.
Tot die waarborgen behoren onder meer het voorschrift van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit, dat ertoe strekt dat buisjes met bloed na de bloedafname zo spoedig mogelijk naar een voor het bloedonderzoek geaccrediteerd laboratorium als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van het Besluit worden gezonden. Indien bedoelde waarborg niet is nageleefd, leidt dat ertoe dat het resultaat van het verrichte onderzoek niet voor het bewijs mag worden gebezigd.
Op basis van het proces-verbaal rijden onder invloed van 7 maart 2019 stelt het hof vast dat de bloedmonsters op 29 januari 2019 bij verdachte zijn afgenomen.
Het hof stelt vast dat de politie het afgenomen bloed sinds 1 januari 2019 bij een temperatuur van -20 °C bewaart en sinds 1 maart 2019 bij deze temperatuur transporteert. Het hof gaat er dan ook van uit dat het bloed dat op 29 januari 2019 bij verdachte is afgenomen direct na afname door de politie in een vriezer bij -20 °C is bewaard. Het transport van het bloed vond echter plaats vóór 1 maart 2019 en het dossier bevat geen aanknopingspunten om vast te stellen op welke temperatuur het bloed van verdachte is vervoerd naar het laboratorium.
Uit het rapport ‘drugs in het verkeer’ van 14 februari 2019 blijkt dat de bloedmonsters op 6 februari zijn ontvangen door het laboratorium. Het tijdsverloop tussen de afname van het bloed en de aankomst van de bloedmonsters bij het laboratorium bedraagt negen dagen. Dit tijdsverloop kan naar het oordeel van het hof in onderhavig geval, nu niet kan worden vastgesteld dat het bloed van verdachte ook bij -20 °C is vervoerd naar het laboratorium, niet worden aangemerkt als ‘zo spoedig mogelijk’ als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d van het Besluit. Het hof oordeelt dan ook dat de betreffende waarborg niet is nageleefd.
Nu het voorschrift onderdeel uitmaakt van het stelsel van strikte waarborgen, dient het resultaat van het verrichte bloedonderzoek van het bewijs te worden uitgesloten. Zonder ‘een onderzoek’ als bedoeld in artikel 8, vijfde lid WVW 1994 kan niet worden bewezen dat de verdachte onder invloed van een hoeveelheid cannabis boven de toegestane grenswaarde een personenauto heeft bestuurd.”
2.4
Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang, zoals die luidden ten tijde van het tenlastegelegde feit:
- Artikel 8 lid 5 WVW Pro 1994:
“5. Het is een ieder verboden een voertuig te besturen, als bestuurder te doen besturen of als begeleider op te treden na gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen als bedoeld in het eerste lid, waardoor het gehalte in zijn bloed van de bij de stof vermelde meetbare stof, of in geval van gebruik van meer stoffen als bedoeld in het eerste lid die bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zijn als groep, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen, bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan de daarbij vermelde grenswaarde. Indien een van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen stoffen of alcohol in combinatie wordt gebruikt met een of meer andere van deze aangewezen stoffen of met een van de stoffen als bedoeld in het eerste lid die niet bij deze algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, geldt voor iedere aangewezen stof of alcohol afzonderlijk een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen grenswaarde. Die grenswaarde is gelijk aan de laagst meetbare hoeveelheid van die stof of alcohol die niet op natuurlijke wijze in het bloed aanwezig kan zijn.”
- Artikel 13 lid Pro 1 (oud) Besluit:
“1. Bij de bloedafname (...) is een opsporingsambtenaar aanwezig, die:
a. (…)
b. (...)
c. (…)
d. ervoor zorgt dat de buisjes of het buisje met bloed zo spoedig mogelijk [2] in een bij ministeriële regeling voorgeschreven verpakking die hij van een of meer fraudebestendige sluitzegels of een fraudebestendige afsluiting heeft voorzien, worden of wordt bezorgd bij het laboratorium, bedoeld in artikel 14, tweede lid.”
2.5
Van ‘een onderzoek’ zoals bedoeld in art. 8 lid 5 WVW Pro 1994 is slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee dat onderzoek is omringd. Deze waarborgen zien op de betrouwbaarheid van de resultaten van het onderzoek en worden ook wel aangeduid als strikte waarborgen. Indien de rechter tot het oordeel komt dat een dergelijke waarborg niet is nageleefd, leidt dat er in beginsel toe dat het resultaat van het verrichte onderzoek niet voor het bewijs mag worden gebezigd. [4] Op die hoofdregel is echter een uitzondering mogelijk. Indien vaststaat dat niet-naleving van een strikte waarborg niet heeft afgedaan aan het beoogde doel van dat voorschrift hoeft een dergelijk verzuim niet tot bewijsuitsluiting te leiden. [5]
2.6
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:567,
NJ2022/239 m.nt. W.H. Vellinga het volgende overwogen ten aanzien van het voorschrift van art. 13 lid 1 onder Pro d (oud) Besluit:
“2.6.2. In de cassatieschriftuur wordt de vraag gesteld of, gelet op wat is gesteld over de nieuwe praktijk van bewaren en transporteren, het onder 2.5.2 genoemde voorschrift dat na de bloedafname het buisje of de buisjes met bloed zo spoedig mogelijk naar een voor het bloedonderzoek geaccrediteerd laboratorium wordt of worden gezonden, nog steeds moet worden gerekend tot de strikte waarborgen. De Hoge Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Daarvoor is van belang dat er (vooralsnog) geen wettelijke voorschriften bestaan met betrekking tot de wijze van opslag van een bloedmonster op het politiebureau direct na de afname van bloed en de verzending naar het laboratorium. Dat ligt overigens anders voor de opslag van een bloedmonster in het laboratorium en het transport in verband met tegenonderzoek. Daarvoor gelden de (strikte) waarborgen die zijn neergelegd in Bijlage 1 bij de Regeling.
2.6.3
De wijze waarop het bloedmonster direct na de afname van bloed en tijdens het transport naar het laboratorium wordt bewaard en de consequenties van die bewaarwijze voor de frequentie waarmee verzending mogelijk is, zijn echter wel relevante omstandigheden bij de beantwoording van de vraag of de verzending van het buisje of de buisjes bloed ‘zo spoedig mogelijk’ heeft plaatsgevonden. Het onder 2.5.2 genoemde voorschrift dat na de bloedafname het buisje of de buisjes met bloed zo spoedig mogelijk naar een voor het bloedonderzoek geaccrediteerd laboratorium wordt of worden gezonden, strekt immers ertoe dat het risico op (gedeeltelijke) afbraak van alcohol, drugs of medicijnen na de bloedafname wordt geminimaliseerd. Als de rechter – aan de hand van de inhoud van het strafdossier of het verhandelde ter terechtzitting – vaststelt dat dit risico zo goed als afwezig is gelet op de wijze van bewaren op het politiebureau en van vervoer naar het laboratorium, staat de enkele omstandigheid dat het bloedmonster niet direct na de bloedafname is vervoerd naar het laboratorium, niet in de weg aan het oordeel dat de verzending ‘zo spoedig mogelijk’ heeft plaatsgevonden.”
2.7
Uit deze overwegingen volgt dat het voorschrift van art. 13 lid Pro 1, aanhef en onder d, (oud) Besluit in deze zaak als een strikte waarborg heeft te gelden. Op het moment van bloedafname waren immers nog geen wettelijke voorschriften ingevoerd ten aanzien van opslag en verzending van bloedmonsters. [6]
Bespreking van het middel
2.8
In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat het hof op ontoereikende gronden heeft geoordeeld dat de buisjes bloed van de verdachte niet ‘zo spoedig mogelijk’ naar het laboratorium zijn vervoerd.
2.9
Het hof heeft vastgesteld dat het tijdsverloop tussen het moment van afname van de bloedmonsters (29 januari 2019) en de aankomst daarvan bij het lab (6 februari 2019) negen dagen bedroeg. Gelet op de datum van de bloedafname is het hof ervan uitgegaan dat de (destijds) nieuwe werkwijze van de politie voor het bewaren van de bloedblokken, welke werkwijze op 1 januari 2019 is ingegaan, door de politie is gevolgd, maar dat de nieuwe werkwijze voor het transport, die in maart van dat jaar is geïntroduceerd, niet is gevolgd. Het hof heeft niet vastgesteld dat de bloedmonsters in deze zaak daadwerkelijk bij -20 °C op het politiebureau zijn bewaard. Het hof heeft dat aangenomen. Het hof heeft wel geconstateerd dat het dossier geen aanknopingspunten bevat om vast te stellen op welke temperatuur het bloedmonster is getransporteerd. Gelet hierop heeft het hof geconcludeerd dat een tijdsverloop van negen dagen niet kan worden aangemerkt als ‘zo spoedig mogelijk’, “nu niet kan worden vastgesteld dat het bloed van verdachte ook bij -20 °C is vervoerd.” Hierdoor was naar het oordeel van het hof geen sprake van ‘een onderzoek’ in de zin van art. 8 lid 5 WVW Pro 1994, hetgeen resulteerde in een vrijspraak.
2.1
De vaststelling van het hof dat de bezorgtermijn van het bloedblok negen dagen bedroeg, berust op een foutieve rekenwijze. Volgens vaste jurisprudentie wordt de dag van de bloedafname niet meegerekend bij het bepalen van de totale bezorgtermijn. [7] Evenals de steller van het middel ga ik ervan uit dat het hof dit wel heeft gedaan. Als de dag van de bloedafname niet wordt meegeteld, is de bezorgtermijn in deze zaak acht dagen. Gelet op de stand van de jurisprudentie is een bezorgtermijn van acht dagen, ook zonder concrete vaststellingen over de bewaar- en transportcondities, in beginsel aan te merken als ‘zo spoedig mogelijk’ in de zin van art. 13 lid Pro 1, aanhef en onder d, (oud) Besluit. [8] Zo deed de Hoge Raad een zaak af met art. 81 RO Pro waarin het bloedmonster op 30 november was afgenomen en op 8 december was ontvangen door het laboratorium. Die bezorgtermijn van acht dagen werd aangemerkt als zo spoedig mogelijk, zonder dat dat oordeel nadere motivering van het hof behoefde. [9] Meer recent liet de Hoge Raad eveneens met een aan art. 81 RO Pro ontleende motivering een arrest in stand waarin het hof had geoordeeld dat een bezorgtermijn van acht dagen zo spoedig mogelijk was. Ook in die zaak kon de vaststelling dat een bezorgtermijn van acht dagen als ‘zo spoedig mogelijk’ dient te gelden, zonder nadere motivering de toets van cassatie doorstaan. [10] De omstandigheid dat het in de twee aangehaalde zaken ging om een bewezenverklaring en in de onderhavige zaak om een vrijspraak, doet aan de waardering van de acht dagen termijn niet af.
2.11
Het oordeel van het hof dat in het onderhavige geval geen sprake is van een ‘zo spoedig mogelijke’ bezorging van het bloedblok, is gebaseerd op een misrekening. Zonder die misrekening, dus uitgaande van een bezorgtermijn van 8 dagen, is het oordeel van het hof dat er geen sprake is van ‘een onderzoek’ als bedoeld in art. 8 lid 5 WVW Pro 1994 niet zonder meer begrijpelijk. Het hof heeft enkel geconstateerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat het transport van het bloedmonster bij -20 °C heeft plaatsgevonden. Die constatering kan het oordeel dat er geen sprake is van een zo spoedige mogelijke bezorging niet dragen.
2.12
Het middel slaagt.
Voorgestelde vuistregel
2.13
Naast de besproken klacht, verzoekt de steller van het middel de Hoge Raad een nieuwe vuistregel te formuleren aan de hand waarvan de vraag kan worden beantwoord of een bloedblok ‘zo spoedig mogelijk’ naar het laboratorium is vervoerd. Voorgesteld wordt om te gaan werken met een bezorgtermijn van vijf
werkdagen, waarbij de dag van de bloedafname én de dag van de bezorging niet wordt meegeteld. De steller van het middel betoogt dat de praktijk dringend behoefte heeft aan deze vuistregel, ook nu nieuwe regelgeving van kracht is voor de bezorgtermijn van bloedblokken. “Er zijn immers nog zeer veel zgn. "bloedblok"-zaken met een pleegdatum vóór 1 juli 2022, die nog niet (onherroepelijk) zijn afgedaan.” Een duidelijke rechtsregel zou rechtsongelijkheid bij de afdoening van deze zaken kunnen voorkomen, aldus de steller van het middel.
2.14
De vraag of een bloedmonster ‘zo spoedig mogelijk’ is bezorgd bij het laboratorium, is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval. De feitenrechter dient dit te beoordelen op basis van het verhandelde ter terechtzitting en de inhoud van het dossier. Een algemene vuistregel verhoudt zich slecht tot een casuïstische beoordeling.
2.15
Daar komt bij dat de wetgever de bezorgtermijn sinds 1 juli 2022 heeft gewijzigd. Sindsdien bepaalt art. 13 lid Pro 1, aanhef en onder d, Besluit dat bloedmonsters ‘binnen vier weken’ bij het laboratorium moeten worden bezorgd. Aan deze wijziging van het Besluit ligt het volgende ten grondslag:
“Met een snelle verzending van de bloedmonsters werd oorspronkelijk een minimale afbraak van de bloedwaarden nagestreefd. Als gevolg van een nieuwe wijze van bewaren en transporteren [AG: het bewaren en vervoeren bij -20 °C] is dit voorschrift inmiddels achterhaald geraakt, terwijl er in de rechtspraak nog steeds vergaande conclusies worden getrokken als een verzending naar het oordeel van de rechter niet spoedig heeft plaatsgevonden.” [11]
De situatie waarvoor de steller van het middel vraagt een vuistregel te formuleren, is van aflopende aard. Hoewel er nog zaken op de plank liggen die met de oude maatstaf beoordeeld dienen te worden, zal naar verloop van tijd de zaakstroom met zaken waarin getoetst moet worden of de bloedblokken ‘zo spoedig mogelijk’ zijn vervoerd, opdrogen.
2.16
De steller van het middel betoogt dat ook voor zaken met een pleegdatum na 1 juli 2022 een vuistregel nuttig kan zijn, met name in de gevallen waarin de rechter niet concreet kan vaststellen dat de regelgeving over de bewaar- en transportcondities correct zijn nageleefd. Die blik naar voren lijkt mij prematuur. De aandacht moet nu vooreerst uitgaan naar een optimale verbalisering waaruit klip en klaar blijkt op welke wijze bloedmonsters zijn bewaard en vervoerd. Mocht het dan toch nog eens mis gaan, dan is het opnieuw aan de rechter om op basis van concrete door hem vastgestelde feiten en omstandigheden op dat moment een oordeel te vellen. Het ligt niet erg voor de hand op dit moment al een vuistregel op te stellen voor nieuwe gevallen die zich eventueel zouden kunnen gaan voordoen onder een regeling die pas onlangs is gewijzigd. Laten we eerst maar eens zien in welke richting de praktijk zich gaat ontwikkelen.
2.17
Ik sluit af. Een algemene vuistregel doet afbreuk aan de casuïstische beoordeling van de bezorgtermijn als bedoeld in art. 13 lid 1 onder Pro d (oud) Besluit. De huidige werkwijze voor het bewaren en verzenden van bloedmonsters is nog niet zo lang geleden voorzien van een daarbij passende regelgeving. De toekomst zal uitwijzen of dit praktisch werkbaar en handhaafbaar is. Ik wil mijn ogen niet sluiten voor moeilijkheden waar de praktijk nu en wellicht ook in de toekomst mee te maken heeft, maar op dit moment ligt het mijns inziens niet op de weg van de Hoge Raad om daar door middel van een vuistregel het hoofd aan te bieden.

3.Slotsom

3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing naar het hof opdat de zaak opnieuw wordt afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Verdachte is bij hetzelfde arrest veroordeeld wegens overtreding van art. 9 lid 2 WVW Pro 1994 (parketnummer 96-166378-20 feit 1 en 96-115192-19 feit 3), overtreding art. 163 lid 6 WVW Pro 1994 (parketnummer 96-166378-20 feit 2) en overtreding van art. 9 lid 1 WVW Pro 1994 (parketnummer 96-115192-19 feit 2) tot een gevangenisstraf van één maand. In cassatie wordt opgekomen tegen de vrijspraak voor feit 1 parketnummer 96-115192-19.
2.Bij Besluit van 15 februari 2022, Stb. 2022, 77 zijn met ingang van 1 juli 2022 in art. 13 lid 1 onder Pro d Besluit de woorden ‘zo spoedig mogelijk’ vervangen door ‘binnen vier weken’.
3.HR 12 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:567,
4.Zie o.m. HR 22 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6206,
5.HR 2 oktober 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7339,
6.Deze wettelijke voorschriften zijn met ingang van 1 juli 2022 in werking getreden. Zie Regeling alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, bijlage 1,
7.Ik leid dat onder meer af uit HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1853, rov 2.5 en HR 4 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1021, rov. 4.3.1.
8.Zie bijvoorbeeld de conclusie van AG Wortel voorafgaand aan HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:546 (art. 81 RO Pro); HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1684, rov. 2.4.2; de conclusie van AG Parideans voorafgaand aan HR 9 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:638 (art. 81 RO Pro) en de conclusie van AG Harteveld voorafgaand aan HR 23 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:756 (art. 81 RO Pro).
9.HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:546 (art. 81 RO Pro) en de daarbij horende conclusie van AG Wortel, randnrs. 2.2 en 2.3.
10.HR 23 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:756 (art. 81 RO Pro) en de daarbij horende conclusie van AG Harteveld randnr. 3.7.
11.Besluit van 15 februari 2022, houdende wijziging van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, het Besluit middelenonderzoek bij geweldplegers en het Besluit rijden onder invloed BES in verband met onder meer het wijzigen van de onderzoekstermijn voor bloedonderzoeken (