Conclusie
Inleiding
Het middel
De tenlastelegging
Het verweer van de verdediging
Het oordeel van het hof
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De aangifte en de aanvullende verklaringen van de aangever
Slotsom
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld wegens belaging, waarbij het hof het openbaar ministerie ontvankelijk verklaarde ondanks het verweer van de verdediging dat het klachtvereiste niet was vervuld. De aangeefster deed op 15 oktober 2018 aangifte en gaf in meerdere aanvullende verklaringen aan dat zij de wens had dat de verdachte strafrechtelijk vervolgd zou worden. Het hof oordeelde dat deze wens, mede gelet op een betredingsverbod dat expliciet aangifte bij wederrechtelijk binnendringen aankondigde, voldoende was om aan het klachtvereiste van artikel 285b Sr te voldoen.
De verdediging stelde dat de klacht niet tijdig en niet uitdrukkelijk was ingediend, en dat de aangeefster slechts wenselijk had dat vervolging zou plaatsvinden, niet dat deze daadwerkelijk zou worden ingesteld. De Hoge Raad volgt het hof en stelt dat het klachtvereiste niet vereist dat de verdachte van de wens op de hoogte is, maar dat de klager ten tijde van de aangifte de bedoeling had dat vervolging zou worden ingesteld. De aanvullende verklaringen en het betredingsverbod ondersteunen dit oordeel.
De Hoge Raad wijst het middel af en bevestigt dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging. Tevens wordt opgemerkt dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, maar dat hierover niet wordt geklaagd. Het middel ziet niet op de niet-ontvankelijkverklaring van het OM ten aanzien van de dochter van de aangeefster, die door het hof wel is toegewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging wegens belaging.