Conclusie
Inleiding
Het eerste middel en de bespreking daarvan
. Het proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 11 februari 2020 (pagina’s 43 - 49), voor zover inhoudende als verklaring van aangever [aangever] :
(het hof begrijpt: de aangever)uit het voertuig.
(het hof begrijpt: de aangever)de sleutel had, maar ik weet dat in me opkwam “De man moet gestopt worden, het verzet moet gestaakt worden, dadelijk krijgt hij het voertuig en maakt hij slachtoffers op het plein”.
Feiten en omstandigheden
NJ2019/103, m.nt. Wolswijk weten, “geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking is gebracht dan met de in oudere rechtspraak, zoals in HR 9 november 1954, NJ 1955/55, gebruikte formulering "de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans".
NJ2003/552, m.nt. Buruma waarin de Hoge Raad ook nog het volgende overweegt. Uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, dan wel die wetenschap bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. [3]
III. Het tweede middel en de bespreking daarvan
culpoosschenden van
de geweldsinstructie, indien die schending leidt tot de in die bepaling genoemde geobjectiveerde gevolgen (lichamelijk letsel, zwaar lichamelijk letsel of de dood). Met de invoering van art. 372 Sr Pro is een alternatief geboden voor een vervolging van opsporingsambtenaren wegens algemene
(doleuze)geweldsdelicten, zoals (poging tot) doodslag of (poging) tot zware mishandeling. Ook volgens de memorie van toelichting – het citaat is weergegeven in het hiernavolgende arrest van de Hoge Raad – laat dit onverlet dat een opsporingsambtenaar in voorkomende gevallen (waarin de opsporingsambtenaar opzettelijk zijn geweldsinstructie heeft geschonden waardoor een ander lichamelijk letsel heeft opgelopen) nog altijd kan worden vervolgd voor algemene delicten als (zware) mishandeling of doodslag. Het staat het openbaar ministerie vrij die keuze te maken, wanneer de ernst van het gedrag van de opsporingsambtenaar en het verwijt dat hem of haar treft daartoe aanleiding geeft. [4] Kortom, de introductie van deze nieuwe op opsporingsambtenaren toegesneden strafbepaling doet niet af aan het opportuniteitsbeginsel van het openbaar ministerie.
NJ1963/12, m.nt. Pompe overwogen dat in zo’n geval in cassatie een beroep op art. 1, tweede lid, Sr kan worden gedaan. [6]
NJ2023/137, m.nt. Wolswijk onder meer het volgende overwogen: [7]
Slotsom