Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
20 december 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een politieagent die op 4 augustus 2017 te Rotterdam een verdachte heeft mishandeld, waarbij zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. Het hof kwalificeerde dit als zware mishandeling onder artikel 302 Sr Pro. De verdachte stelde in cassatie dat de inwerkingtreding van de Wet geweldsaanwending opsporingsambtenaar per 1 juli 2022 een gunstigere wetswijziging vormt, waardoor artikel 1 lid 2 Sr Pro van toepassing zou zijn.
De Hoge Raad analyseerde de wetsgeschiedenis en concludeerde dat de nieuwe wet geen wijziging heeft gebracht in de mogelijkheid om artikel 302 Sr Pro toe te passen bij politiegeweld. De wet introduceert een specifieke strafbaarstelling en strafuitsluitingsgrond, maar laat de bestaande algemene geweldsdelicten en het opportuniteitsbeginsel onverminderd van kracht.
Daarom is artikel 1 lid 2 Sr Pro niet van toepassing en faalt het cassatiemiddel. De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt het arrest van het gerechtshof Den Haag. Hiermee blijft de veroordeling voor zware mishandeling onder artikel 302 Sr Pro ongewijzigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor zware mishandeling onder artikel 302 Sr.