Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
Hoofdstuk 3 - Grondslagen van de verzekering
Aanvaarding risico
Waarschuwingsniveau met betrekking tot het renterisico:(...)
Schending tariefgarantieplicht die is afgesproken in de Uitvoeringsovereenkomst (grief 3)
3.Bespreking van het cassatiemiddel
als 1 genummerde inleidinguit zes onderdelen die zijn onderverdeeld in subonderdelen en een veegklacht.
Onderdeel 2.1gaat over de vraag of er sprake is van strijd met het BW en de Pensioenwet.
Onderdeel 2.2ziet op de uitleg van het Pensioenvoorstel en de verhouding tussen de Uitvoeringsovereenkomst en de Afsprakenbrief.
Onderdeel 2.3betreft de kwestie of het verlangen van garanties en bijstorting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Onderdeel 2.4gaat over het beroep van Iv-Groep op dwaling en ziet verder op de zorgplicht van Zwitserleven.
Onderdeel 2.5ziet op de uitleg van de Overeenkomst uit 2015 en
onderdeel 2.6betreft de vordering ex art. 843 Rv Pro.
Onderdeel 2.7tenslotte bevat veegklachten.
nietdat het in een uitvoeringsovereenkomst met een pensioenverzekeraar onmogelijk zou zijn om een bijbetalingsverplichting op te nemen. Integendeel, uit de algemene formulering lijkt te volgen dat dit voorschrift voor alle typen pensioenuitvoerders geldt [29] . Uit de passages uit de parlementaire geschiedenis waarnaar Iv-Groep verwijst bij s.t. leid ik niet af dat dit niet mogelijk zou zijn. Ik laat deze passages kort de revue passeren in de volgorde waarin Iv-Groeps s.t. die in 2.1 naar voren brengt:
terugstortingniet ook zouden moeten gelden voor verzekeraars. Uitgelegd wordt dat terugstorting bij verzekeraars in een andere context geschied. Bij pensioenfondsen is de mogelijkheid geld terug te storten de keerzijde van de bijstortingsplicht, terwijl bij verzekeraars dat niet aan elkaar is gekoppeld. Hieruit volgt niet (zonder meer) dat partijen in de uitvoeringsovereenkomst niet overeen mogen komen dat
onder bepaalde omstandighedendoor de werkgever moet worden bijbetaald. Partijen hebben die vrijheid wèl. De regering gaat er bij de invoering van de Pensioenwet ook van uit dat het mogelijk is om in een overeenkomst met een verzekeraar een bijstortingsverplichting overeen te komen:
een verzekeraar zal de mogelijkheid van bij- en terugstorting, en de voorwaarden waaronder dat gebeurt, vooraf zijn vastgelegd in het contract. Immers, deze mogelijkheid kan van invloed zijn op de premie die wordt bedongen,
omdat de mogelijkheid van terug- of bijstorten de risicoverdeling tussen de partijen verandert.” [32] [Onderstreping A-G]
onder omstandighedenbijbetalingen te verlangen. Lutjens stelt dat het mogelijk is de tarieven te wijzigen die aan de berekening van de verschuldigde premie ten grondslag liggen. Een toenemende levensduurverwachting kan tot een hogere premiestelling leiden. Ook kan in de uitvoeringsovereenkomst, als uiteengezet, overeen worden gekomen dat bijbetalingen door de werkgever moeten worden gedaan bij een dekkingstekort [39] . Iv-Groep onderbouwt niet overtuigend waarom relevant zou moeten zijn dat het dekkingstekort (mede) het gevolg is van een dalende marktrente [40] . Partijen zijn vrij om afspraken te maken over bijbetalingsverplichtingen.
pensioenfondsen een verzekeraar, waarbij het pensioenfonds zijn risico’s geheel of gedeeltelijk heeft ‘herverzekerd’ bij een verzekeraar. Art. 148a Pw is dus
nietvan toepassing op de rechtsverhouding tussen een
pensioenverzekeraaren een werkgever en leent zich
nietvoor analogische toepassing op die rechtsverhouding. Art. 148a Pw bevat een verbod voor kapitaalcontracten omdat daar nadelen aan zijn verbonden. Een daarvan is dat bij kapitaalcontracten slechts een beperkt aantal risico’s aan de verzekeraar wordt overgedragen, maar een veel groter deel van de beleggingen. Het pensioenfonds loopt daardoor onnodig risico bij faillissement van de verzekeraar. Een ander nadeel is dat de beleggingen en de verplichtingen na afloop van het contract aan het fonds worden teruggegeven, waardoor het fonds een volledig beleggingsrisico loopt. Kapitaalcontracten moeten volgens de wetgever dan ook worden afgebouwd. Pensioenfondsen mogen wel kiezen voor een garantiecontract of een risicoherverzekeringscontract [43] . Een vergelijkbare situatie doet zich hier niet voor. Zwitserleven heeft niet alleen maar een beperkt aantal risico’s verzekerd. Ook worden de risico’s aan het einde van het contract niet aan Iv-Groep teruggegeven.
matchingtussen activa en passiva genoemd. Bij kortlopende obligaties en aandelen, zal de waarde van de activa niet toenemen bij marktrentedalingen, terwijl de waarde van de pensioenverplichtingen wel stijgt en dat heeft een negatief effect op de dekkingsgraad. Dit wordt een
duration gapgenoemd. Marktrentestijging heeft het tegenovergestelde effect op de dekkingsgraad: bij langlopende staatsobligaties een negatief effect, terwijl het bij kortlopende obligaties en aandelen een positief effect heeft. Het GBD van Iv-Groep was volgens Zwitserleven extreem gevoelig voor schommelingen in de marktrente, omdat meer in kortlopende obligaties en aandelen werd belegd. Marktrentedaling heeft in dat geval een drastische invloed op de dekkingsgraad. Bij marktrentestijging zou dat effect de andere kant op zijn gegaan. Het risico dat Zwitserleven liep door dit door Iv-Groep zelf uitdrukkelijk gewenste beleggingsbeleid werd volgens Zwitserleven dus wel bepaald door de samenstelling en looptijd van de beleggingen [46] .
tweede alinea(vanaf het ingesprongen deel op p. 9) aan dat Zwitserleven het risico van marktrentedaling ook zou lopen als verzekerden niet kiezen voor beleggingsinspraak en daarom dus geen extra beleggingsrisico’s veroorzaken. Ook dan zal immers de omvang van de pensioenverplichtingen stijgen bij daling van de marktrente en dient Zwitserleven die stijging te compenseren, welk risico zij heeft afgedekt. Iv-Groep wijst er verder in de tweede alinea op, ter ondersteuning van haar standpunt, dat de beleggingen in het beleggingsdepot niet in waarde zijn gedaald, maar juist met meer dan 3% in waarde zijn gestegen [47] .
tweede en derde alinea(p. 9-10) dat Zwitserleven ook heeft erkend dat Iv-Groep op basis van de Uitvoeringsovereenkomst en Afsprakenbrief verzekeringstechnische risico’s droeg en dat de bijstortingen en bankgaranties mede betrekking hadden op die verzekeringstechnische risico’s [49] . Dat sluit ook aan bij een brief van Zwitserleven van 16 december 2011 [50] . Het hof is gelet op deze erkenning met zijn oordeel buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden.
verzekeringsrechtelijk kaderbetekent nog niet dat zij heeft erkend dat de bijstortingsverplichting betrekking heeft op de
verzekeringstechnische risico’s [55] .
alle verzekeringsrisico’svan Iv-Groep heeft verzekerd. Naast het beleggingsrisico is het macro-langlevenrisico via de werking van het gesepareerd belegginsdepot voor rekening van Iv-Groep gebracht [56] . Zwitserleven heeft uitgelegd dat het macro-langlevenrisico via de meest recente sterftetafels tot uitdrukking komt in de waardering van de pensioenverplichtingen [57] . Blijkens rov. 4.7 is het hof daar ook van uit gegaan. Het hof heeft overwogen dat in verband met het afdekken van de beleggingsrisico’s in art. 12 lid 2 van Pro de Uitvoeringsovereenkomst is bepaald dat voor het vaststellen van de dekkingsgraad de verzekeringsverplichtingen worden gewaardeerd op basis van op dat moment als recent beschouwde sterftegrondslagen. Uit rov. 4.5 blijkt dat het hof onder ogen heeft gezien dat de bijbetalingsverplichting ziet op het langlevenrisico en de beleggingsrisico’s. In zoverre ben ik het met Iv-Groep eens dat het macro-langlevenrisico voor haar rekening is gebleven en dat dit aspect van belang is bij de waardering van de verzekeringsverplichtingen en daarmee ook bij het vaststellen van de dekkingsgraad. Het macro-langlevenrisico bepaalt dus mede of er een bijbetalingsverplichting voor Iv-Groep bestaat. Maar bij het oordeel in rov. 4.17 dat de bijbetalingsverplichting niet samenhangt met verzekeringstechnische risico’s doelt het hof
nietop dergelijke verzekeringsrisico’s.
vierde alinea(p. 10-11) verder dat het oordeel ook onbegrijpelijk is omdat het hof in rov. 4.11 de juistheid van de stelling van Iv-Groep dat de boekhoudkundige waardering van de pensioenverplichting onderdeel uitmaakt van de waardering van de beleggingsresultaten in het midden heeft gelaten. Indien dat namelijk het geval is, is sprake van het meewegen van verzekeringstechnische risico’s.
vijfde alinea(p. 11-12) verder dat indien de beslissing in rov. 4.17, gelezen in samenhang met rov. 3.2 (x) en 4.5, zo moet worden begrepen dat de uit art. 12 voortvloeiende Pro verplichtingen te maken hebben met het feit dat Iv-Groep invloed had op de beleggingsmix en (tot op zekere hoogte) kon profiteren als de marktrente omhoog zou gaan, die beslissing onbegrijpelijk is. Iv-Groep kon op grond van art. 11 Uitvoeringsovereenkomst niet profiteren van de stijging van de marktrente en het had dus ook geen zin daarop te speculeren [59] . Iv-Groep betoogt in haar s.t. 2.17 dat het systeem van de Afsprakenbrief dus zeer onevenwichtig was.
stijgende marktrentete profiteren onder art. 11 Uitvoeringsovereenkomst. Het hof heeft in rov. 4.5 verwezen naar art. 11 van Pro de Uitvoeringsovereenkomst, door het hof geciteerd in rov. 3.2 (iii), waarin is bepaald dat de vrije reserve eenmaal per jaar vrij opneembaar is en door de werkgever voor elk gewenst doel kan worden aangewend. De vrije reserve wordt volgens die bepaling gevormd door toevoeging van de beschikbare overrente en de behaalde beleggingsrendementen. Uitkering kan op grond van art. 7 pas Pro als eerst een weerstandsvermogen is gevormd. Bij de bepaling van de hoogte van het weerstandsvermogen speelt de marktrente een rol. Het is al op grond van deze bepaling niet onbegrijpelijk dat het hof in rov. 4.5 heeft overwogen dat de bijbetalingsverplichtingen te maken hebben met het feit dat Iv-Groep invloed had op de beleggingsmix en (tot op zekere hoogte) kon profiteren van
eventuele rendementendie met de beleggingen werden behaald. Daarmee heeft het hof, anders dan Iv-Groep betoogt, niet te kennen gegeven dat Iv-Groep direct van een
stijgende marktrentekon profiteren. De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
subonderdeel 2.1.3klaagt Iv-Groep dat het rechtens onjuist of onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 4.18 het betoog van Iv-Groep aldus heeft opgevat dat Iv-Groep de bijstortverplichting in art. 12 Uitvoeringsovereenkomst niet in strijd acht met de Pensioenwet of het verzekeringsrecht en Iv-Groep dus van mening was dat de oorspronkelijk overeengekomen dekkingsgraadformule juridisch wel door de beugel kon. Iv-Groep betoogt in de
tweede alinea(p. 13) dat deze beslissing rechtens onjuist is, omdat het hof kennelijk bepalend acht of Iv-Groep de Uitvoeringsovereenkomst in strijd acht met de Pensioenwet en/of het verzekeringsrecht. Dit is onjuist, omdat het hof zelfstandig dient te beslissen of sprake is van strijd met genoemde regels voor zover dat relevant is voor de toewijzing van de vorderingen van Iv-Groep.
derde alinea(p. 14) voert Iv-Groep aan dat indien de beslissing van het hof is gebaseerd op het gezag van gewijsde van beslissingen in de eerste procedure omtrent de Uitvoeringsovereenkomst, de beslissing evenzeer onjuist is.
vierde alineabetoogt (p. 14) Iv-Groep dat het oordeel ook onbegrijpelijk is, omdat Iv-Groep in deze procedure niet het standpunt heeft ingenomen dat de oorspronkelijk in de Uitvoeringsovereenkomst overeengekomen dekkingsgraadformule juridisch wel door de beugel kon [60] .
Afsprakenbriefin strijd is met de Pensioenwet en/of het verzekeringsrecht en dat art. 12 Uitvoeringsovereenkomst moet worden gewijzigd wegens schending van een
contractuele tariefgarantie. Dat Iv-Groep, zoals het hof tot uitgangspunt heeft genomen, van mening was dat de in de Uitvoeringsovereenkomst opgenomen formule juridisch wel door de beugel kon, kan ook worden afgeleid uit de stelling die het hof in rov. 4.19 ongegrond heeft geacht, welk oordeel in de volgende klacht wordt bestreden. De klacht is tevergeefs en daarmee faalt subonderdeel 2.1.3 in zijn geheel.
tweede alinea(p. 14-15) stelt Iv-Groep dat zij wel uiteen heeft gezet dat Zwitserleven in strijd handelt met art. 3:36 Wft Pro [61] .
vierde en vijfde alinea(p. 15) bouwen voort op en zijn een herhaling van zetten van de subonderdelen 2.1.2 en 2.1.3 en falen om de aldaar besproken redenen.
tweede alinea(p. 15) aan dat indien het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat Iv-Groep dient te onderbouwen waarom die bepalingen rechtens meebrengen dat het schrappen van art. 35 lid 3 van Pro de Uitvoeringsovereenkomst juridisch niet door de beugel kan, die beslissing in strijd is met art. 25 Rv Pro, omdat het hof de rechtsgronden ambtshalve had moeten aanvullen. In het
tweede deel van de tweede alinea(p. 15-16) betoogt Iv-Groep verder dat de beslissing onbegrijpelijk is gelet op een aantal stellingen die zij in feitelijke instanties heeft ingenomen [62] .
derde alinea(p. 16) bevat een louter voortbouwen de klacht die geen zelfstandige bespreking behoeft.
subonderdeel 2.1.6.
met uitzondering van de tarieven voor het arbeidsongeschiktheidspensioen en de premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid.Wij garanderen
altijdde aanspraken van de deelnemers waarvoor premie is betaald.”
Het doel is de risico’s te beperken die de pensioenregeling voor de onderneming met zich brengten de uitvoering in goede handen te leggen.”
premievrijworden voortgezet, waarbij de opgebouwde aanspraken gegarandeerd blijven” (onderstreping door Iv-Groep) moet in dat licht worden begrepen, waarbij garantie betrekking heeft op de uitvoering jegens de werknemers.
In de eerste alinea(p. 18) gaat Iv-Groep uit van de lezing dat het hof heeft geoordeeld dat art. 5 lid 6 van Pro de Uitvoeringsovereenkomst zo moet worden begrepen dat dit geen tariefgarantie inhield, omdat voor de nog te financieren rechten de premie kon worden aangepast.
de factotoe leidde dat van de in art. 5 vastgelegde Pro tarieven niet kon worden afgeweken, dan is zijn oordeel veder ook onbegrijpelijk, omdat het overeenkomen van de Afsprakenbrief door het wegvallen van de alternatieve dekkingsgraad tot een verslechtering van de positie van Iv-Groep leidde.
kunneninhouden. Het hof is echter van oordeel dat Iv-Groep in haar MvG niet heeft toegelicht in hoeverre dat
daadwerkelijkhet geval is. Om die reden is het hof daar verder niet op ingegaan.
kunneninhouden. Het hof heeft echter geoordeeld dat zij in de MvG niet heeft toegelicht in hoeverre dat
daadwerkelijkhet geval is geweest. Dit blijkt ook uit rov. 4.25 waar het hof in het kader van het beroep op redelijkheid en billijkheid heeft overwogen dat Iv-Groep in haar MvG niet inzichtelijk heeft gemaakt dat de toepassing van de alternatieve dekkingsgraad in 2014 zou hebben geleid tot een relevant lagere garantie- en bijstortverplichting. Het hof kon dus niet vaststellen dat de toepassing van de MWDG-formule in de Afsprakenbrief heeft geleid tot een aanzienlijke verslechtering van de positie van Iv-Groep.
beleggingente waarderen volgens de alternatieve dekkingsgraad-formule. In 3.5.3.13 geeft zij aan welk bedrag aan bankgaranties en bijstortingen kunnen worden teruggegeven als de
beleggingenworden gewaardeerd met deze ‘roze bril’ methode. Zoals hiervoor aan bod is gekomen, wordt de dekkingsgraad niet alleen bepaald door de waarde van de beleggingen, maar ook door de waarde van de pensioenverplichtingen. Het is dus niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat het niet heeft kunnen vaststellen dat het wegvallen van de alternatieve dekkingsgraad-formule heeft geleid tot een aanzienlijke verslechtering van de positie van Iv-Groep.
duration-begrip uit en hierin wordt evenmin concreet aangegeven wat het effect van het wegvallen van de alternatieve dekkingsgraad is geweest
subonderdeel 2.2.6is een voortbouwklacht die geen zelfstandige bespreking behoeft.
Onderdeel 2.3valt uiteen in drie subonderdelen (2.3.1-2.3.3) en een voortbouwende klacht (2.3.4) en is gericht tegen het oordeel in rov. 4.22-4.31 dat de toepassing van de bijstortverplichting op grond van de MWDG-formule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is.
Subonderdeel 2.3.1klaagt dat in rov. 4.24 alleen rekening is gehouden met de omstandigheden dat Iv-Groep grote bedragen aan Zwitserleven moest voldoen en dat Zwitserleven Iv-Groep in de Overeenkomst 2015 in enige mate tegemoet is gekomen door toe te staan dat Iv-Groep haar verplichtingen meer gespreid zou nakomen. Daarmee is geen rekening gehouden met de volgende stellingen: (i) de beleggingen hebben juist goed gerendeerd [81] ; (ii) zij had niet gewild een tariefrisico te lopen van € 45 miljoen voor een rendement van bijvoorbeeld 7% op de aandelenfondsen [82] ; (iii) de door haar gestelde bankgaranties en/of gedane stortingen houden geen verband met beleggingsrisico’s, maar met herfinanciering van de pensioenvoorziening tegen de marktrente [83] ; (iv) de marktrenteontwikkeling zijn door Zwitserleven op haar balans nagenoeg volledig geneutraliseerd (afgedekt), hetgeen Zwitserleven niet heeft betwist [84] , zodat zij geen dan wel een zeer beperkte schade heeft geleden [85] ; (v) Iv-Groep kreeg bij het stijgen van de marktrente het verschil tussen de pensioenverplichtingen tegen actuele grondslagen (marktrente) en tegen contractuele grondslagen van 3% en sterftetabel 2007 niet uitgekeerd [86] en (vi) Iv-Groep had slechts in beperkte mate beleggingsinspraak en diende het beleggingsbeleid van Zwitserleven te volgen [87] .
Subonderdeel 2.3.2is gericht tegen het oordeel in rov. 4.28 over het beroep op de Solvency II-richtlijn. Volgens Iv-groep is Zwitserleven daar ten nadele van haar van afgeweken. Daarvan is volgens het hof geen sprake, omdat Iv-Groep de stellingname van Zwitserleven hierover onvoldoende gemotiveerd heeft weerlegd. Zwitserleven heeft namelijk aangevoerd dat de regels van de Solvency II-richtlijn zien op beleid op ondernemingsniveau en dat dit losstaat van de afspraken tussen Zwitserleven en Iv-Groep. Iv-Groep betoogt dat het oordeel hierover onbegrijpelijk is, nu zij (i) heeft gewezen op de brief van 16 december 2011 waarin Zwitserleven zou hebben verduidelijkt dat de MWDG-formule is gebaseerd op de richtlijn [92] en Zwitserleven daarmee naar haar de indruk heeft gewekt dat de Solvency II-richtlijn ook in de contractuele verhouding tot Iv-Groep in het kader van de MWDG-formule leidend was, en zij (ii) daarnaast heeft aangevoerd dat het toepassen van de Solvency II-richtlijn op ondernemingsniveau er toe heeft geleid dat Zwitserleven nagenoeg geen nadeel ondervond van de daling van de marktrente [93] .
Subonderdeel 2.3.3is gericht tegen de verwerping van het beroep op onvoorziene omstandigheden in rov. 4.29. Dat is onjuist of onbegrijpelijk volgens de klacht.
niet alleenop de door dit subonderdeel bestreden passage, maar ook op de overweging dat van Zwitserleven in redelijkheid niet kan worden verlangd dat zij het toezicht op de dekkingsgraad loslaat, ook niet als er sprake is van een zeer forse rentedaling. Deze zelfstandig, althans mede dragende grond, wordt in cassatie niet bestreden.
Subonderdeel 2.3.4bevat alleen maar een op het voorgaande voortbouwende klacht, die niet apart besproken hoeft te worden.
Onderdeel 2.4bestaat uit drie inhoudelijke subonderdelen (2.4.2, 2.4.3 en 2.4.7) en vijf voortbouwklachten (2.4.1, 2.4.4, 2.4.5, 2.4.6 en 2.4.8) gericht tegen de afwijzing in rov. 4.34-4.35 van Iv-Groeps beroep op dwaling bij de totstandkoming van de Afsprakenbrief.
Subonderdeel 2.4.1komt op tegen de passage in rov. 4.34 dat ook grief 6 afstuit op het feit dat, zoals het hof al heeft overwogen, Iv-Groep niet aannemelijk heeft gemaakt dat met de Afsprakenbrief sprake was van een aanzienlijke contractverslechtering. De klacht hiertegen bouwt voort op gegrondbevinding van subonderdeel 2.2.3 en omdat dat niet opgaat, slaagt subonderdeel 2.4.1. evenmin.
subonderdeel 2.4.2 en 2.4.3zijn gericht tegen de overwegingen ten overvloede over wat het hof in rov. 4.34 ‘verder’ nog heeft opgemerkt. Die klachten falen bij gebrek aan belang, maar ik laat ze volledigheidshalve inhoudelijk nog even de revue passeren.
Subonderdeel 2.4.2is gericht tegen de passage uit rov. 4.34 dat als Iv-Groep zich redelijke inspanningen had getroost, zij bij zorgvuldige lezing van de Afsprakenbrief had kunnen begrijpen dat bij daling van de marktrente voor haar een verplichting tot het stellen van bankgaranties zou ontstaan en/of een bijstortverplichting. Dat is volgens de klacht onjuist of onbegrijpelijk. Het hof heeft miskend dat, zelfs als Iv-Groep zich had kunnen realiseren dat een marktrentedaling een bijbetalingsverplichting zou meebrengen, de mededelingsplicht van Zwitserleven in dit geval voorgaat op de onderzoeksplicht van Iv-Groep, gelet op de volgende stellingen van Iv-Groep:
Subonderdeel 2.4.3is gericht tegen de overweging in rov. 4.34 dat zelfs indien voor Iv-Groep niet duidelijk was dat een verder dalende marktrente tot verdere bijstortverplichtingen of het stellen van nieuwe bankgaranties zou kunnen leiden, zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat een mededelingsplicht van Zwitserleven bestond, omdat Zwitserleven er redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat Iv-Groep de potentiele financiële risico’s (globaal) begreep en ook begreep dat een verdere daling van de marktrente zwaarwegende financiële gevolgen zou kunnen hebben, alleen al omdat Iv-Groep bekend was met de visie van Zwitserleven dat de dalende marktrente in 2013 één van de oorzaken was geweest dat Zwitserleven het GBD had gesloten. Dat is onbegrijpelijk gelet op de volgende stellingen van Iv-Groep waar het hof niet kenbaar op is ingegaan:
de factogeen bijbetalingsverplichtingen bij het dalen van de marktrente bestond;
stellingen (i), (iv), (v) en (ix)heeft het hof in zijn beoordeling betrokken. Het hof was blijkens rov. 3.34 van oordeel dat Zwitserleven er redelijkerwijs van uit mocht gaan dat Iv-Groep de werking van de MWDG-formule globaal begreep en ook begreep dat een verdere daling van de marktrente zwaarwegende financiële gevolgen zou kunnen hebben. Dat betekent dat het hof de positie van Iv-Groep dat Zwitserleven wist of had kunnen weten dat Iv-Groep niet op de hoogte was van de financiële risico’s die samenhingen met de marktrente en die niet kon dragen, heeft gewogen, maar te licht heeft bevonden, een in hoge mate feitelijk oordeel.
Stelling (ii)hoefde het hof niet in zijn beoordeling te betrekken, omdat in rov. 4.14 en 4.28 is geoordeeld dat de Solvency II-richtlijn geen directe werking heeft tussen partijen. Dit oordeel is in cassatie niet met succes bestreden; zie de bespreking van subonderdeel 2.3.2.
Stelling (iii)hoefde evenmin in de oordeelsvorming te worden betrokken, omdat dit een blote stelling betreft [112] . Zonder onderbouwing valt niet in te zien dat die omstandigheid van doorslaggevend belang was.
Stelling (vi)is meegenomen. Een mogelijke lezing is dat dit niet relevant is voor de beoordeling, omdat het hof heeft geoordeeld dat Zwitserleven er redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat Iv-Groep de situatie begreep. Het is dan niet relevant wat Zwitserleven al dan niet heeft medegedeeld. Ook kan het oordeel van het hof zo worden begrepen dat het niet is meegegaan met dit standpunt van Iv-Groep en dat is gelet op het partijdebat niet onbegrijpelijk. Zwitserleven heeft namelijk, zoals zij bij s.t. 151 memoreert, gemotiveerd gesteld dat zij Iv-Groep herhaaldelijk heeft gewaarschuwd voor het door haar voorgestane risicovolle beleggingsbeleid [113] . Ook uit de brief waar Zwitserleven naar verwijst, blijkt dat zij Iv-Groep heeft gewaarschuwd dat het door Iv-Groep gewenste beleggingsbeleid grote risico’s met zich bracht. Zij heeft aangegeven dat in combinatie met de benodigde garanties marktontwikkelingen (in het bijzonder aandelen- en rentedalingen) forse repercussies kunnen hebben voor Iv-Groep als onderneming [114] .
stellingen (vi)i en (viii). Ik verwijs daartoe naar de bespreking van subonderdeel 2.3.3.
Subonderdelen 2.4.4-2.4.6bouwen slechts voort op daaraan voorafgaande klachten en gaan evenmin op.
Subonderdeel 2.4.7klaagt dat het oordeel in rov. 4.43 rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk is, omdat het hof alleen is ingegaan op het op (de analoge toepassing van) art. 4:88 en Pro 4:90 Wft gebaseerde betoog van Iv-Groep over de zorgplicht van Zwitserleven bij de totstandkoming van de Afsprakenbrief, maar niet kenbaar op de andere grondslag, namelijk die van de privaatrechtelijke zorgplicht die voortvloeit uit art. 6:2 BW Pro en art. 6:248 BW Pro voor het geval de Wft niet van toepassing zou zijn [115] .
nietvan toepassing zijn op Zwitserleven. Vervolgens heeft het hof overwogen dat gelet op de uitdrukkelijke uitsluiting in art. 1:18 Wft Pro geen aanleiding wordt gezien om deze artikelen analoog toe te passen. Daarmee is gerespondeerd op het betoog van Iv-Groep over de privaatrechtelijke zorgplicht naar analogie van de publiekrechtelijke zorgplicht.
nietvan toepassing zijn op Zwitserleven. Het zou dan te ver gaan om de normen uit die bepalingen wel toe te passen via de band van het privaatrecht [118] .
Subonderdeel 2.4.8is alleen een voortbouwende klacht en behoeft geen nadere bespreking.
Onderdeel 2.5bestaat uit één klacht gericht tegen het oordeel in rov. 4.47 dat grief 9 voortbouwt op de daarvoor al besproken grieven. Dat is onbegrijpelijk, omdat Iv-Groep aan grief 9 subsidiair ten grondslag heeft gelegd, naar het hof in rov. 4.46 ook lijkt te hebben onderkend, dat Zwitserleven in verband met de totstandkoming van de overeenkomst in 2015 misbruik heeft gemaakt omstandigheden en deze overeenkomst op die (zelfstandige) grond vernietigbaar is op de voet van art. 3:44 lid 1 en Pro 4 BW [119] .
Onderdeel 2.6bestrijdt het oordeel in rov. 4.50 dat Iv-Groep onvoldoende concreet heeft toegelicht waarom zij in deze procedure een rechtmatig belang heeft bij haar art. 843a Rv-vordering tot inzage en afschrift van alle berekeningen gemaakt ter bepaling van de dekkingsgraad van het GBD.
subonderdeel 2.6.1onbegrijpelijk dat Iv-Groeps stellingen erop zouden zijn gebaseerd dat Zwitserleven een onjuiste methodiek heeft toegepast voor de dekkingsgraadberekening, niet dat Zwitserleven haar eigen methodiek onjuiste toepaste en daarom de (theoretische) mogelijkheid dat Zwitserleven rekenfouten heeft gemaakt, onvoldoende is voor toewijzing van een vordering op grond van art. 843a Rv. De klacht is dat Iv-Groep heeft betoogd, zoals in subonderdeel 2.2.5 uiteengezet, dat Zwitserleven onder meer in haar brief van 16 december 2011 heeft verduidelijkt dat de MWDG-formule werd toegepast overeenkomstig de Solvency II-richtlijn [120] , terwijl dat niet het geval was en dat dit heeft geleid tot een hogere waardering van de verplichtingen van Iv-Groep [121] . Iv-Groep heeft er zich volgens de klacht dus wel op beroepen dat Zwitserleven haar eigen methodiek onjuist toepaste. In het verlengde daarvan lag het betoog van Iv-Groep over de door Zwitserleven gemaakte rekenfouten. Iv-Groep heeft er in dat verband ook op gewezen dat zij voor (de door de rekenfouten) veronderstelde tekorten bankgaranties heeft verstrekt en/of heeft bijgestort [122] . Aldus zou ook het betoog over mogelijke rekenfouten kunnen leiden tot toewijzing van (een deel van) het gevorderde.
Subonderdeel 2.6.2is een voortbouwklacht, die geen afzonderlijke bespreking behoeft.
Onderdeel 2.6is daarmee ook tevergeefs voorgesteld.
Onderdeel 2.7,ten slotte, is een veegklacht die het lot van de voorgaande klachten deelt.