ECLI:NL:PHR:2023:738

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 augustus 2023
Publicatiedatum
25 augustus 2023
Zaaknummer
22/00037
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 359 lid 2 SvArt. 33a SrArt. 24 SrArt. 9 lid 1 sub b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor witwassen van verborgen contant geld in auto

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 29 december 2021, waarin de verdachte werd veroordeeld voor witwassen van een bedrag van €176.000,- dat in een verborgen ruimte in een BMW werd aangetroffen. De verdachte werd veroordeeld tot zeven maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en de verbeurdverklaring van het geldbedrag en de auto.

De verdediging voerde in hoger beroep aan dat er onvoldoende bewijs was voor het opzet van de verdachte, dat de verbeurdverklaring van de auto onterecht was en dat de inzendtermijn van de stukken naar de Hoge Raad was overschreden. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat sprake was van wetenschap van de criminele herkomst van het geld, mede gelet op het feit dat de verdachte de verborgen ruimte zelf had laten aanbrengen en pas laat een verklaring gaf over de herkomst.

De verbeurdverklaring van de BMW is volgens de Hoge Raad terecht omdat de verdachte feitelijk als eigenaar over de auto beschikte en het feit met behulp van de auto is begaan. De geringe overschrijding van de inzendtermijn leidt niet tot cassatie. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het arrest van het hof.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden wordt bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/00037
Zitting29 augustus 2023
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij arrest van 29 december 2021 het tegen de verdachte gewezen vonnis van de rechtbank Overijssel van 13 maart 2018 bevestigd, met uitzondering van de opgelegde straf, de uitgesproken verbeurdverklaringen en de voor die beslissingen gegeven motiveringen. Het hof heeft de verdachte voor witwassen veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof het in beslag genomen geldbedrag van € 176.000,- en de in beslag genomen auto, een BMW, verbeurdverklaard.
1.2
Het cassatieberoep is op 5 januari 2022 ingesteld namens de verdachte. M. Berndsen, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
1.3
In het eerste middel wordt geklaagd dat het hof niet, althans onvoldoende, heeft gereageerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot het opzet. In het tweede middel wordt geklaagd over de verbeurdverklaring van de in beslag genomen auto en in het derde middel over de overschrijding van de inzendtermijn.
1.4
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

2.Het eerste middel

2.1
De steller van het middel klaagt dat het hof “een ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt – kort gezegd inhoudende dat vrijspraak dient te volgen bij gebrek aan opzet – ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen, althans (dat) het bewezenverklaarde opzet ontoereikend is gemotiveerd.” In de toelichting op het middel voert de steller aan dat het hof niet heeft gerespondeerd op het verweer “dat er onvoldoende bewijs is dat (de verdachte) wetenschap had omtrent de eventuele misdadige herkomst van het geld, en dat opzet dus niet kan worden bewezen.”
2.2
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 december 2021 en de daaraan gehechte pleitnota blijkt dat door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verweer is gevoerd:
“Wetenschap cliënt
49. Mocht u Hof tot het oordeel komen dat het geldbedrag middellijk of onmiddellijk afkomstig is uit misdrijf, dan stelt de verdediging zich op het standpunt dat
uit geen enkel bewijsmiddelin het dossier blijkt dat cliënt wetenschap had of had kunnen hebben dat het geld uit misdrijf afkomstig was. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het geld niet toebehoorde aan cliënt, maar toebehoorde aan [betrokkene 1] . Cliënt had in de afgelopen jaren al vaker opdrachten voor [betrokkene 1] gedaan. Nooit zijn hier bijzonderheden bij geweest. Cliënt is uitvoerig gescreend middels een BOB onderzoek. Zo is cliënt gedurende lange tijd gevolgd, getapt en is zijn financiële situatie volledig doorgelicht, maar er zijn geen bijzonderheden aangetroffen, laat staan om te kunnen spreken van wettig en/of overtuigend bewijs in het kader van “wetenschap”.
50. Gelet op het bovenstaande stelt de verdediging zich op het standpunt dat cliënt dient te worden vrijgesproken.”
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw hieraan toegevoegd:
“Er is sprake van een onvolledig strafdossier dat wellicht heel veel vraagtekens oproept, maar dat naar de mening van de verdediging onvoldoende wettig en overtuigend bewijs oplevert zoals dat vereist is.”
2.3
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 4 juli 2015 in de gemeente Rijssen-Holten op de A1 aldaar,
een bedrag van 176.000,- euro voorhanden heeft gehad,
terwijl hij wist dat dat geldbedrag – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.”
2.4
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende, door het hof bevestigde promisgewijs gedane vaststellingen en daaropvolgende bewijsoverwegingen van de rechtbank (hier weergegeven zonder voetnoten):
“4.3 Het oordeel van de rechtbank
De feiten en omstandigheden
Op 4 juli 2015 om 02.00 uur wordt via de drugshotline een anonieme melding gedaan, dat een grijze personenauto van het merk BMW met kenteken [kenteken] via Berlijn-Hamburg en Oldenburg naar Nederland komt en dat 1,2 miljoen euro in de auto is verborgen. De melding is doorgegeven via het info- en coördinatiecentrum Nedersaksen en de Meldkamer Osnabrück aan de meldkamer Oost-Nederland. In die melding wordt een bedrag van € 100.000,- genoemd.
Om 03.19 uur in dezelfde nacht is voornoemde auto gesignaleerd rijdend op de A1 richting Hengelo. Ter hoogte van Rijssen is de bestuurder aangesproken en is de auto met toestemming van de bestuurder summier onderzocht. De bestuurder heeft verklaard geen groot geldbedrag bij zich te hebben. Wegens gebrek aan licht en ruimte voor een goed onderzoek en de harde verdenking door de melding uit Duitsland is de bestuurder, die zich identificeerde als [verdachte] en die antecedenten bleek te hebben, aangehouden op verdenking van witwassen.
Op 4 juli 2015 vanaf 08.10 uur is de BMW onderzocht. In de auto worden in een afgesloten verborgen ruimte bij de bedieningspanelen een enveloppe met een bedrag van € 66.000,- en twee gesealde pakketten met een geldbedrag erin aangetroffen. In de twee gesealde pakketten zat een geldbedrag van in totaal € 110.000,-. Alle 200 eurobiljetten hadden landcode X en de 100 euro biljetten hadden landcode S. De biljetten hadden een volgend serienummer.
De verdachte heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen ten aanzien van de herkomst van het geldbedrag.
Op 6 april 2016 heeft de verdachte verklaard dat hij het geldbedrag voor [betrokkene 1] ter betaling van de luxe personenauto moest afleveren.
[betrokkene 1] heeft verklaard dat hij een bedrijf heeft in auto’s en een bedrijf in verzekeringen waarmee hij veel geld heeft gegenereerd. [betrokkene 1] heeft verklaard dat de verdachte voor hem een auto moest halen, een Mercedes Benz G63 AMG waarvoor de verdachte het geldbedrag van € 176.000,- moest betalen, welk bedrag [betrokkene 1] contant aan de verdachte heeft meegegeven. [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij geen namen kan geven van klanten. [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij het geldbedrag in delen heeft opgenomen en dat een deel van het geld in een envelop zat en twee andere delen in plastic. Uit bankafschriften van de periode van 1 januari 2015 tot 4 december 2015 volgt dat voorafgaand aan de aanhouding van de verdachte 15 afschrijvingen van de bankrekening van [betrokkene 1] zijn gedaan, waarvan acht contante opnames, tot in totaal een bedrag van € 114.500,-.
De verdachte heeft verklaard dat hij zelf de verborgen bergruimte in de BMW met kenteken [kenteken] heeft laten maken.
(…)
4.3.2
De bewijsoverwegingen
- het juridisch kader
Ten eerste moet worden vastgesteld of aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen.
Indien dat het geval is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Deze verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Van belang kan zijn of verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij pas in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan voormelde vereisten voldoet.
Zodra het door verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te verrichten naar de uit de verklaringen van verdachte blijkende alternatieve herkomst van het geld. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat daarom een criminele herkomst de enige aanvaardbare verklaring is. Als er geen concrete legale bron kan worden vastgesteld, kan het niet anders zijn dan dat de herkomst van het geld een criminele bron is. Een duidelijk gronddelict behoeft niet te worden aangewezen.
- feiten en omstandigheden van dien aard dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen
De rechtbank stelt vast dat de verdachte reed in een personenauto met daarin op een verborgen plaats een relatief groot geldbedrag, te weten € 176.000,-. De rechtbank is van oordeel dat op grond daarvan zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen.
(…)
- verklaring van verdachte ten aanzien van de herkomst van het bedrag van € 176.000,-
De verdachte heeft zich ten aanzien van de herkomst van het in de auto aangetroffen bedrag van € 176.000,- eerst op zijn zwijgrecht beroepen. Na verloop van negen maanden heeft de verdachte verklaard dat het geld afkomstig is uit legale autohandel en toebehoort aan [betrokkene 1] . Het geldbedrag zou zijn bedoeld voor de betaling van een luxe personenauto door [betrokkene 1] en de verdachte had het geldbedrag op het moment van aanhouding onder zich ter betaling van de betreffende auto.
- onderzoek naar de uiteindelijke verklaring van de verdachte voor de herkomst van het geld
Naar de verklaring van verdachte ten aanzien van de herkomst van het geld is door het Openbaar Ministerie onderzoek gedaan.
De rechtbank ziet zich nu gesteld voor de vraag of uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld waarop de verdenking betrekking heeft een legale herkomst heeft en dat daarom een criminele herkomst de enige aanvaardbare verklaring is.
- ten aanzien van het geldbedrag van € 176.000.-
De rechtbank stelt vast dat verdachte ten aanzien van de herkomst van het bedrag van € 176.000,- niet van meet af aan een verklaring heeft afgelegd, maar pas in een later stadium heeft verklaard dat het geld afkomstig was van [betrokkene 1] en bedoeld was voor betaling van een door [betrokkene 1] gekochte luxe personenauto. Verdachte heeft aldus pas op een laat stadium tegenwicht geboden tegen de verdenking. De rechtbank weegt dit mee in de beoordeling.
De verklaring van verdachte dat het bedrag van € 176.000,- aan [betrokkene 1] toebehoort, wordt weliswaar ondersteund door de verklaring van [betrokkene 1] zelf, maar de specifieke onderdelen van die verklaring van [betrokkene 1] die kunnen worden gecontroleerd, te weten de klantgegevens en de koopovereenkomst betreffende de auto dan wel andere stukken ter bevestiging van de overeenkomst, worden door de verdachte en [betrokkene 1] niet gegeven. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de verklaring van [betrokkene 1] , dat hij het geldbedrag in contanten heeft opgenomen, niet klopt nu het totaalbedrag aan contante opnamen van zijn bankrekening lager is dan het onderhavige geldbedrag. De rechtbank weegt hierbij mee dat de aangetroffen biljetten opeenvolgende serienummers hebben, hetwelk zeer onwaarschijnlijk is in geval van het doen van kleinere contante opnamen op verschillende momenten gedurende een langere periode.
Onder deze omstandigheden, mede gelet op het late moment waarop de verdachte met een verklaring voor de herkomst van het geld is gekomen, kan naar het oordeel van de rechtbank met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat het geldbedrag van € 176.000,- een legale herkomst heeft. Aldus is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van dit geld een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring is.
- conclusie
De rechtbank is op grond van hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit ten aanzien van het geldbedrag van € 176.000,-heeft begaan.”
2.5
Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Wanneer de rechter in zijn uitspraak afwijkt van een door/namens de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, zal hij op grond van art. 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv zijn beslissing nader moeten motiveren. Een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is een duidelijk en door argumenten geschraagd standpunt dat is voorzien van een ondubbelzinnige conclusie. [1] De Hoge Raad stelt zich terughoudend op ten aanzien van het oordeel van het hof over de vraag of er al dan niet sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Toetssteen is of het gevoerde verweer niet anders kan worden begrepen dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. [2] De Hoge Raad is ook terughoudend als het gaat over de omvang van de motiveringsplicht die door een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in het leven wordt geroepen. Die omvang is naar zijn oordeel in het algemeen niet goed in regels uit te drukken. De Hoge Raad overweegt dat in dat verband onder meer betekenis toekomt “aan de aard van het aan de orde gestelde onderwerp alsmede de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten.” Hij voegt daaraan toe:
“3.8.2. De nadere motivering dient in te houden dat het naar voren gebrachte doch door de rechter niet aanvaarde standpunt in de uitspraak beargumenteerd wordt weerlegd.
Dit neemt niet weg
(i) dat zich het geval kan voordoen dat de uitspraak voldoende gegevens bevat, bijvoorbeeld in de gebezigde, voor de verwerping van het standpunt relevante bewijsmiddelen en/of in een aanvullende bewijsmotivering, waarin die nadere motivering besloten ligt;
(ii) dat ingeval een uitdrukkelijke weerlegging ontbreekt, dit – mede in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, waaronder begrepen hetgeen door verdachte en OM over en weer naar voren is gebracht – geen afbreuk behoeft te doen aan de toereikendheid en begrijpelijkheid van de motivering van de uitspraak;
(iii) dat indien de rechter heeft verzuimd een nadere motivering in zijn uitspraak op te nemen, dit verzuim van zo ondergeschikte betekenis kan zijn dat het niet tot nietigheid leidt.” [3]
Gezien de processuele gang van zaken in de onderhavige zaak zij opgemerkt dat een in hoger beroep aangevoerd uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op zichzelf niet aan een bevestiging van het vonnis van de rechtbank in de weg staat. [4] De weerlegging van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt kan ook in dat vonnis voldoende zijn besloten.
2.6
Hetgeen door de verdediging in de onderhavige zaak ter zitting van het hof is aangevoerd over het gebrek aan bewijs voor het opzet van de verdachte (namelijk dat “uit geen enkel bewijsmiddel” blijkt dat de verdachte wetenschap had van de criminele herkomst van het geld) kan naar mijn oordeel niet anders worden begrepen dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv. Het gaat hier immers om een duidelijk en door argumenten geschraagd standpunt dat is voorzien van een ondubbelzinnige conclusie. Uit het arrest van het hof blijkt niet dat het hof het verweer als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft onderkend. Uit het arrest blijkt wel dat het hof van het door de verdediging ingenomen standpunt is afgeweken door ten aanzien van de verdachte wetenschap over de criminele herkomst van het geld bewezen te verklaren.
2.7
Het niet onderkennen en (dus) niet expliciet verwerpen van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt behoeft niet altijd tot cassatie te leiden. Dat is bijvoorbeeld niet het geval wanneer – in de woorden van Kooijmans – “de specifieke redenen voor afwijking van het standpunt in de bewijsvoering besloten liggen.” [5] Bij de beoordeling van het middel komt het dus aan op de inhoud van de hiervoor onder randnummer 2.4 door het hof, in navolging van de rechtbank, vastgestelde feiten en omstandigheden en de daaropvolgende bewijsoverwegingen.
2.8
Uit de bewijsvoering in de onderhavige zaak blijkt het volgende.
i). De verdachte is op 4 juli 2015 vanuit Duitsland naar Nederland gereden. Naar aanleiding van een, uit Duitsland afkomstige, anonieme melding over een in zijn auto verborgen grote hoeveelheid geld wordt hij – dan nog geen verdachte, maar enkel bestuurder van de auto waarop de melding betrekking had – door de Nederlandse politie aangesproken. De auto wordt met zijn toestemming summier onderzocht. De ‘verdachte’ verklaart geen groot geldbedrag bij zich te hebben. “Wegens gebrek aan licht en ruimte voor een goed onderzoek en de harde verdenking door de melding uit Duitsland is de bestuurder, die zich identificeerde als [verdachte] en die antecedenten bleek te hebben, aangehouden op verdenking van witwassen.”
ii) Een paar uur later vindt de politie in een afgesloten verborgen ruimte in de auto € 176.000,- contant geld. Gevraagd naar de herkomst van dat geld beroept de verdachte zich op zijn zwijgrecht.
iii) Negen maanden later, op 6 april 2016, verklaart de verdachte ter zitting van de rechtbank dat hij zelf de verborgen bergruimte in de auto heeft laten aanbrengen.
iv) Ook heeft de verdachte op die zitting verklaard dat het geldbedrag toebehoort aan een zekere [betrokkene 1] . Volgens de verdachte was het geld bestemd voor de aanschaf van een luxe personenauto en had [betrokkene 1] hem gevraagd het geld af te leveren.
v) Nader onderzoek naar [betrokkene 1] wijst uit dat [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij een autobedrijf heeft, dat het aangetroffen geld van hem is en dat hij het geld heeft meegegeven aan de verdachte die voor hem een auto zou ophalen waarvoor € 176.000,- moest worden betaald. Noch de verdachte noch [betrokkene 1] heeft specifieke en controleerbare informatie verstrekt met betrekking tot “de klantgegevens en de koopovereenkomst betreffende de auto dan wel andere stukken ter bevestiging van de overeenkomst”.
vi) [betrokkene 1] zegt dat hij het voor de aanschaf van de auto benodigde geld in delen heeft opgenomen. Uit bankafschriften is gebleken dat hij acht contante opnames heeft gedaan tot een totaalbedrag van € 114.500. De in beslag genomen 200 eurobiljetten en 100 eurobiljetten waren voorzien van opeenvolgende serienummers.
2.9
Het hof heeft – bevestigend de bewijsoverwegingen van de rechtbank – in zijn beoordeling van de zaak betrokken dat de verdachte pas op een laat moment tegenwicht heeft geboden aan het negen maanden eerder tegen hem gerezen vermoeden van witwassen en dat dat tegenwicht enkel heeft opgeleverd dat de verklaring van de verdachte dat het in zijn auto aangetroffen geld afkomstig is uit legale autohandel en niet van hem was, maar van [betrokkene 1] , door [betrokkene 1] is bevestigd.
2.1
Ik begrijp de door het hof (en de rechtbank) gepresenteerde bewijsvoering zo dat uit het beschikbare bewijsmateriaal volgt dat het niet anders kan zijn dan dat a) het door de verdachte op 4 juli 2015 vervoerde geld een criminele herkomst heeft en b) de verdachte daar van begin af aan wetenschap van moet hebben gehad. [6] Immers:
(i) de verdachte heeft eerst ontkend dat hij een groot geldbedrag vervoerde;
(ii) in de auto van de verdachte is in een afgesloten verborgen ruimte wel een grote hoeveelheid geld gevonden;
(iii) de verdachte heeft die afsluitbare verborgen ruimte zelf in de auto laten aanbrengen;
(iv) het heeft na de vondst van het geld negen maanden geduurd voordat de verdachte de naam heeft genoemd van de persoon aan wie het geld toebehoorde;
(v) de verdachte heeft geen verifieerbare informatie aangeleverd over de persoon voor wie het geld was bestemd en/of het adres waar hij het geld moest afdragen.
Al deze feiten en omstandigheden komen – anders dan die hiervoor onder randnr 2.8 onder punt vi) zijn beschreven – geheel (of mede) op conto van de verdachte. Ze hebben alleen een begrijpelijke context als de verdachte er kennis van draagt (oftewel: er wetenschap van heeft) dat het geld waarmee hij heeft rondgereden geen eerlijk geld is. Ik voeg daaraan toe dat het bovendien een feit van algemene bekendheid is dat het op deze wijze vervoeren van een grote som geld niet alleen risicovol is, maar ook hoogst ongebruikelijk als het om legaal geld gaat.
2.11
Ik sluit af en concludeer dat het hof is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt zonder expliciet een overweging te hebben gewijd aan de redenen voor die afwijking. In het middel wordt daar op zichzelf terecht over geklaagd. Anders dan de steller van het middel ben ik echter van oordeel dat de motivering voor die afwijking in het onderhavige geval besloten ligt in de bewijsvoering. Daarmee is van een onbegrijpelijke uitspraak geen sprake en is er geen reden voor cassatie.
2.12
Het middel faalt.

3.Bespreking van het tweede middel

3.1
Het tweede cassatiemiddel valt uiteen in twee deelklachten. De steller van het middel klaagt dat het hof de in beslag genomen BWM heeft verbeurd verklaard “terwijl
“a) het hof bij de beslissing tot verbeurdverklaring heeft verzuimd rekening te houden met de draagkracht van verzoeker, althans zijn beslissing in zoverre ontoereikend heeft gemotiveerd; en/of
b) de beslissing tot verbeurdverklaring van de BMW ook anderszins blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd.”
3.2
Het hof heeft de verbeurdverklaring van de auto als volgt gemotiveerd:

Met betrekking tot de in beslag genomen personenauto
Het hof stelt vast dat verdachte de BMW met kenteken [kenteken] tot zijn beschikking had en dat hij in een periode van drie maanden voorafgaand aan zijn aanhouding met deze auto relatief veel kilometers heeft gereden. Verdachte heeft zelf een verborgen bergplaats in de auto laten aanbrengen waarin het geld was verstopt. Verdachte heeft zich naar het oordeel van het hof als eigenaar van de auto gedragen. Dat de tenaamstelling van het kenteken van de BMW op naam van de vader van verdachte is gesteld, doet aan het vorenstaande niet af. Verdachte had de auto in gebruik. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zijn vader bekend was met het gebruik van de auto door verdachte. Dat de vader van verdachte daadwerkelijk de koper en de eigenaar van de BMW is, volgt naar het oordeel van het hof echter niet uit het dossier en is niet nader met stukken onderbouwd. Dat de auto op naam van de vader staat doet aan het vorenstaande ook niet af. Naar het oordeel van het hof behoort de personenauto van het merk BMW met het kenteken [kenteken] in strafrechtelijke zin dan ook aan verdachte toe.
Het hof is van oordeel dat de op de beslaglijst vermelde personenauto van het merk BMW met het kenteken [kenteken] moet worden verbeurdverklaard, omdat deze auto aan verdachte toebehoort en het feit met behulp van deze auto is begaan.”
3.3
In beginsel zijn alleen voorwerpen (en rechten) die aan de verdachte toebehoren vatbaar voor verbeurdverklaring (art. 33a Sr). Van ‘toebehoren’ kan ook sprake zijn als de verdachte niet de eigenaar is van het voorwerp. Voldoende is dat hij “een zodanige zeggenschap heeft over en belang heeft bij het (voorwerp), dat zijn betrekking tot dat (voorwerp) in zoverre met die van een eigenaar kan worden gelijkgesteld.” [7] Als de verdachte niet zelf de eigenaar is van het voorwerp, dient de rechter die toch tot verbeurdverklaring wil overgaan te motiveren waarom naar zijn oordeel de verdachte met de positie van een eigenaar kan worden gelijkgesteld. Dat past bij het karakter van de verbeurdverklaring: een bijkomende straf (art. 9 lid 1 sub b Sr Pro) die ertoe strekt een verdachte in diens vermogen te treffen. Daarvan is geen sprake als de verdachte geen enkel belang bij het verbeurd te verklaren voorwerp heeft. In art. 33a lid 1 Sr is opgesomd welke voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. Daartoe behoren onder meer voorwerpen met behulp waarvan het feit is begaan of voorbereid, de zogenoemde instrumenta delicti (art. 33a lid 1 sub c Sr). [8]
De eerste deelklacht
3.4
In de toelichting op de eerste deelklacht betoogt de steller van het middel dat het hof de draagkracht van verdachte niet heeft benoemd, hier ook niet op andere wijze naar heeft verwezen en evenmin art. 24 Sr Pro heeft genoemd bij de toepasselijke wettelijke voorschriften. Het oordeel is daarmee, volgens de steller van het middel, ontoereikend gemotiveerd.
3.5
Bij het opleggen van de verbeurdverklaring moet rekening worden gehouden met de draagkracht van de verdachte. Dat volgt uit art. 33 lid 2 Sr Pro. In dat artikel is het in art. 24 Sr Pro neergelegde beginsel dat de rechter bij de vaststelling van de geldboete rekening moet houden met de draagkracht van de verdachte, van overeenkomstige toepassing verklaard op de verbeurdverklaring. De rechter hoeft aan die draagkracht enkel expliciet aandacht te besteden indien daaromtrent verweer is gevoerd. [9] Uit het proces-verbaal van de terechtzitting en de daaraan gehechte pleitnota blijkt dat namens verdachte geen draagkrachtverweer is gevoerd. Op zichzelf is dat opmerkelijk, omdat de rechter in eerste aanleg ook al de verbeurdverklaring van de BMW had uitgesproken. Dan kan toch niet verbazen dat de rechter in hoger beroep, mede gelet op de daartoe strekkende vordering van de advocaat-generaal, ook wel eens die kant op zou kunnen gaan.
3.6
Wanneer geen (draagkracht)verweer is gevoerd, zijn de kaarten in cassatie geschut. De deelklacht faalt.
De tweede deelklacht
3.7
In de toelichting op de tweede deelklacht betoogt de steller van het middel dat het oordeel van het hof dat de personenauto “in strafrechtelijke zin” aan de verdachte toebehoort, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof zou uit de bewijsmiddelen niet hebben kunnen afleiden dat de verdachte een zodanige zeggenschap over de BMW had dat hij met een eigenaar gelijk kan worden gesteld. In elk geval zou het hof dat oordeel onvoldoende hebben gemotiveerd, aldus de steller van het middel.
3.8
Vooropgesteld zij dat het hof de juiste maatstaf voor het toebehorensvereiste van art. 33a Sr heeft gehanteerd, namelijk dat de verdachte zodanige zeggenschap heeft over en belang heeft bij het voorwerp, dat zijn betrekking tot dat voorwerp in zoverre met die van een eigenaar gelijk kan worden gesteld. Het hof heeft geoordeeld dat aan die maatstaf is voldaan omdat de verdachte zich (feitelijk) als eigenaar van de auto heeft gedragen doordat hij in een periode van drie maanden voorafgaand aan zijn aanhouding relatief veel (zo’n 50.000) kilometer met de auto heeft gereden en hij zelf de verborgen bergplaats – waarin later het geld is aangetroffen – in de auto heeft laten aanbrengen. Dat de auto waar de verdachte feitelijk over beschikte op naam van zijn vader stond, heeft het hof niet relevant geacht, te meer niet omdat in de procedure op geen enkele wijze is onderbouwd dat de vader van de verdachte ook daadwerkelijk de koper en eigenaar van de auto was.
3.9
Het oordeel van het hof dat de auto aan verdachte toebehoorde acht ik niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Ook deze deelklacht faalt.
3.1
Voor zover de steller van het middel uit een – zo begrijp ik – terloopse opmerking van het hof dat de “(v)erdachte ter terechtzitting in hoger beroep (heeft) verklaard dat zijn vader bekend was met het gebruik van de auto” afleidt dat het hof de vader van verzoeker mogelijk heeft aangemerkt als een derde te kwader trouw als bedoeld in art. 33a lid 2, aanhef en onder a Sr, berust naar mijn oordeel op een verkeerde lezing van het arrest. De weg van art. 33a lid 2 Sr ligt immers alleen open wanneer het hof van oordeel zou zijn dat de auto juist niet aan de verdachte zou toebehoren. Dan is voor een eventuele verbeurdverklaring relevant of de werkelijk rechthebbende op de auto wist dat de auto werd gebruikt voor zaken die het daglicht niet kunnen verdragen. Door te oordelen dat de auto aan de verdachte toebehoorde heeft het hof de auto op grond van art. 33a lid 1, aanhef en onder c Sr verbeurdverklaard, omdat het strafbare feit met behulp van deze auto is begaan. Het hof heeft dus helemaal geen toepassing gegeven aan art. 33a lid 2, aanhef en onder a Sr.
3.11
Ten slotte en ten overvloede zij nog vermeld dat indien de Hoge Raad van oordeel zou zijn dat de motivering van de verbeurdverklaring – in het bijzonder ten aanzien van het toebehorensvereiste – wel tekort zou schieten, de verdachte geen rechtens te respecteren belang heeft bij cassatie. “Verbeurdverklaring van voorwerpen die een verdachte niet (zouden) toebehoren als bedoeld in art. 33a Sr treft hem immers niet in zijn vermogen.” [10]
3.12
Het middel faalt.

4.Bespreking van het derde middel

4.1
In het derde middel wordt geklaagd dat de redelijke termijn is overschreden, aangezien het hof de stukken niet tijdig, te weten binnen acht maanden na het instellen van beroep in cassatie, naar de griffie van de Hoge Raad heeft gezonden.
4.2
Namens de verdachte is op 5 januari 2022 cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft de gedingstukken op 7 september 2022 ontvangen. De redelijke termijn voor het inzenden van de stukken is daarmee met twee dagen overschreden. De termijn voor voortvarende afdoening is inmiddels ook verstreken. Het middel slaagt, maar behoeft niet tot cassatie te leiden vanwege de zeer geringe overschrijding van de inzendtermijn.
4.3
Het middel faalt.

5.Slotsom

5.1
Het eerste en tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Het derde middel is terecht voorgesteld, maar behoeft niet tot cassatie te leiden.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
2.A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers,
3.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
4.Zie bijv. HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9191, rov. 3.4 voor een falende klacht en HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3376,
5.Zie punt 4 van diens noot onder HR 31 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:1018,
6.Vgl. Hof Amsterdam in zaak die leidde tot HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2471,
7.HR 28 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1571,
8.F.W. Bleichrodt en P.C. Vegter,
9.HR 5 februari 1991, DD 91.176; HR 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3257, rov. 2.4; O. Nauta en B. de Wilde,
10.Zie HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1897, rov. 2.5; F.W. Bleichrodt en P.C. Vegter,