Conclusie
Inleiding
Het uitleveringsverzoek en deAffidavitvan de assistant United States attorney d.d. 18 juni 2021
Affidavit in support of request for extraditiond.d. 18 juni 2021 van de Assistant United States Attorney S.R. Prewitt van het Southern District of California (verder: de Affidavit) [1] . Daarin is onder meer het feit omschreven waarvoor uitlevering wordt verzocht en waarvoor uitlevering door de rechtbank toelaatbaar is verklaard, te weten ‘racketeering conspiracy’. [2] De Affidavit houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
De bestreden uitspraak
diplomatic notevan 21 juli 2021 is het volgende vermeld: “[opgeëiste persoon] is wanted to stand trial in the United States for conspiring with others to violate the Racketeering Influenced and Corrupt Organizations (RICO) Act. He is the subject of an indictment in case number 21 CR1623JLS, filed on 28 May 2021, in the United States District Court for the Southern District of California, charging [opgeëiste persoon] with the following offense:
affidavitblijkt het volgende:
affidavitstaan pleegperiode en pleegplaats voldoende vast en daarnaast blijkt dat het strafbare feit onder meer in de Verenigde Staten van Amerika heeft plaatsgevonden, zodat aan het vereiste van tijd en plaats conform artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b van het Verdrag is voldaan. Tevens is hiermee vast komen te staan dat het feit niet uitsluitend buiten het grondgebied van de Verenigde Staten is gepleegd en hoefde de justitiële autoriteit van de Verenigde Staten krachtens artikel 9, tweede lid, aanhef en onder e, van het Verdrag niet bij het verzoek tot uitlevering te vermelden op grond van welke wetsartikelen rechtsmacht aan de Verenigde Staten kan worden toegekend.
IV.Het eerste middel en de bespreking daarvan wat betreft de eerste deelklacht
NJ2000/491 is aan het bepaalde in art. 28, derde lid, Uw voldaan indien in de uitspraak met voldoende duidelijkheid wordt “verwezen naar” enig stuk dat al dan niet aan de uitspraak is gehecht.
Het tweede middel en de bespreking van dit middel en in samenhang daarmee de tweede deelklacht van het eerste middel
NJ2004/522 heeft de Hoge Raad de toelichtende Nota op dit Verdrag aangehaald en het volgende overwogen:
Kamerstukken II, 1981-1982, 17 122 (R1193), nr. 1, blz. 4)
to participatein the conduct of the affairs of an enterprise - here Anom - through a contemplated pattern of racketeering activity” (cursivering door mij, A-G).
administrators,
distributors,
agents,
influencersen
customers, en dit aantal volgens hen zou neerkomen op een totaal van bijna tienduizend personen; dit aantal doet namelijk niet ter zake.
Slotsom