Conclusie
Nummer21/01515
Inleiding
Het middel
NJ2017, 400, m.nt. J.M. Reijntjes). Dit arrest bevat onder meer:
NJ2010/586). Daarbij wordt, mede gelet op het bepaalde in art. 78b Sr, met een onherroepelijke veroordeling gelijkgesteld een onherroepelijke strafbeschikking.
NJ2005, 274, m.nt. T.M. Schalken) drie situaties onderscheiden waarin de rechter met eerdere feiten rekening mag houden. Deze zijn, in het arrest van 26 oktober 2010 waar de Hoge Raad in de hierboven weergegeven overweging naar verwijst, als volgt samengevat:
NJ2006, 235) was de vraag aan de orde of het hof bij de strafbepaling rekening had mogen houden met (voorwaardelijke) sepots. In die zaak had het hof vastgesteld dat de verdachte weliswaar niet eerder voor soortgelijke feiten was veroordeeld als waar het in die zaak om ging (medeplegen poging zware mishandeling met voorbedachte raad), maar sloeg het wel acht op de justitiële documentatie waarop enkele (voorwaardelijke) sepots stonden. Het hof oordeelde dat gelet op die documentatie “niet gesteld kan worden dat verdachte nooit eerder geweldsdelicten pleegde” en liet die vaststelling ten nadele van de verdachte meewegen bij de strafbepaling. De Hoge Raad vond het op die vaststellingen gebaseerde straftoemetingsoordeel onbegrijpelijk, “in aanmerking genomen dat de verdachte, blijkens die documentatie, voor die feiten niet onherroepelijk is veroordeeld.” De feiten pasten dus niet in de derde hiervoor onderscheiden categorie. Aangenomen mag worden dat de Hoge Raad van oordeel was dat de geseponeerde feiten evenmin aan te merken waren als omstandigheden “waaronder het bewezenverklaarde is begaan” (de tweede categorie), [2] terwijl het – zo zal voor zich spreken nu het reeds geseponeerde en dus afgedane feiten betrof – ook niet om
ad informandum-feiten (de eerste categorie) ging.
ad informandum-feiten, terwijl het evenmin feiten betreft waarvoor de verdachte onherroepelijk is veroordeeld of waarvoor hij een onherroepelijke strafbeschikking heeft gekregen. Een voorwaardelijk sepot kan hiermee ook niet worden gelijkgesteld. Zo resteert de categorie van “omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan.” De vraag is dan dus of de geseponeerde feiten als zulke omstandigheden kunnen worden aangemerkt. Het antwoord op die vraag lijkt me ontkennend te moeten luiden. Er bestaat weliswaar een temporeel verband tussen de feiten waarop de sepots betrekking hebben (eind 2012 en eind 2014) en de pleegperiode van feit 2 (1 augustus 2011 tot 30 september 2017), alsmede enige verwantschap in de aard van de gedragingen (telkens geweldsfeiten in de “huiselijke” sfeer), maar dit lijkt mij als zodanig onvoldoende om van “omstandigheden waaronder het feit gepleegd is” te kunnen spreken. Daarvoor vind ik steun in de literatuur, waarin dit criterium betrekkelijk nauw wordt geïnterpreteerd. Annotator Borgers pleit in zijn noot onder
NJ2008, 405, in navolging van AG Machielse in zijn conclusie van 18 september 2001 (ECLI:NL:PHR:2001:AD4286) en plaatsvervangend PG Fokkens in zijn conclusie voor het hiervoor aangehaalde arrest van 2 november 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AQ8466,
NJ2005, 274, m.nt. T.M. Schalken), bijvoorbeeld voor een betrekkelijk strikte inkleuring. Hij gaat ervan uit “dat er een duidelijk en nauw verband bestaat tussen het bewezen verklaarde feit en de overig benoemde feiten”, en dat het omstandigheden moet betreffen “die zich eigenlijk niet laten wegdenken”. Hij geeft daarbij als voorbeeld de situatie waarin iemand veroordeeld wordt voor een levensdelict en daarbij ook het feit benoemd wordt dat hij over een doorgeladen vuurwapen beschikte. [5] Het zal duidelijk zijn dat de sepots waar het hof in onderhavige zaak naar verwijst deze drempel niet halen. Het is immers goed mogelijk dat de geseponeerde geweldsfeiten hebben plaatsgevonden op een moment dat het slachtoffer van feit 2 niet eens in de buurt was. De conclusie van het voorgaande is dat het hof de voorwaardelijke sepots niet in strafverzwarende zin mocht meewegen.
bijzondere voorwaardendat verdachte gedurende de volledige proeftijd: