Conclusie
Inleiding
1. De verklaring verdachte [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 17 maart 2022, voor zover inhoudende:
Bewijsoverwegingen
De verklaring van de verdachte en het verweer van de verdediging
1. ANTRIM – beeldenen
2. ANTRIM – beeldenclose up en dat het hof de beelden voorafgaand aan deze terechtzitting heeft bekeken.
Dat wapen was meestal niet doorgeladen. Ik weet dat nog. Bij de aanhouding was het wapen inderdaad wel doorgeladen.”
geen bijzonderheden”; “
Er was niet echt een conflict waar wij elkaar voor uitweken of ontliepen.” Over de schietpartij zegt hij: “
U vraagt mij wat ik mij nog kan herinneren van 4 juli 2019. Ik zag het wapen toen ik nog achterop de scooter zat. Ik ben er vanaf gesprongen. Er werd toen geschoten en ik ben de brandgang in gerend. Ik zag toen de auto terug langs rijden, in zijn achteruit. Toen werd er nog eens geschoten. Ik heb toen in de lucht geschoten. Ik ben naar binnengegaan en toen heb ik andere kleren aangedaan. Ik zag eenpersoon met dat wapen. Hij zat rechts voorin in een Volkswagen GoIf Plus. Ik herkende de persoon en ik zag hem. Die persoon was [mededader] . De bestuurder zag ik ook, links voorin. Dat was [verdachte] , de broer van [mededader] . Voordat ik het wapen voor het eerst zag, zag ik hen al. Ik zat toen nog achter op de scooter. Je kunt bijna zeggen dat ik een heel bovenlichaam uit het raam van de auto zag hangen. Toen ik bijna in de brandgang in was hoorde ik al een schot. Ik rende als reactie, na het zien van de persoon met het wapen, de brandgang in. Ik heb inderdaad niet gezien hoe er geschoten werd want ik rende weg. Het klopt dat de auto achteruit kwam rijden. Ongeveer hetzelfde moment dat er nog een keer geschoten werd schoot ik in de lucht. Toen vertrok de auto weer. Ik ben eerst de woning ingegaan en toen ben ik met de scooter weggegaan.” [7]
Feit 1: medeplegen danwel medeplichtigheid aan poging tot moord subsidiair poging tot doodslag meer subsidiair poging tot toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Feit 2: medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen op 4 juli 2019.
niet is komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit opdat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap gegeven.”
(na te noemen aanvullingen dienen te worden ingelezen pp de plaats in de pleitnota waar de griffier met de hand de bij de betreffende aanvulling vermelde, corresponderende cijfers heeft geschreven)
Het eerste middel en de bespreking daarvan
eersteeen schot heeft gelost, dan wel ii), op het moment dat de auto aanreed, het vuurwapen al in zijn hand had achterop de scooter, de medeverdachte dit vanuit de auto heeft kunnen zien en als gevolg daarvan in paniek raakte en vervolgens handelde in een onmiddellijke gemoedsopwelling. Het oordeel van het hof dat een dergelijke lezing van de verdachte op grond van de voor het bewijs gebezigde camerabeelden en verklaringen van getuigen voor ongeloofwaardig kan worden gehouden, acht ik, bezien in het licht van de hiervoor vermelde vaststellingen, niet onbegrijpelijk.
NJ2014/156, m.nt. Keulen – vereist dat vast komt te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij die beoordeling gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezenverklaren van voorbedachte raad pleiten. Ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, is het redelijk aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.
Het tweede middel en de bespreking daarvan
Het derde middel en de bespreking daarvan
Het vierde middel en de bespreking daarvan
Slotsom