III.
De verklaring van de verdachte en het verweer van de verdediging
7. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 maart 2022 houdt onder meer het volgende in:
“De verdachte verklaart op vragen van de voorzitter als volgt:
Op 4 juli 2019 zat ik als bijrijder bij mijn broer [medeverdachte] in zijn auto terwijl wij reden over de [a-straat] in [plaats] . Wij waren toevallig in [plaats] . Wij besloten toen om naar de moeder van [aangever] te gaan. Ik had van familie en vrienden gehoord dat [aangever] rare praatjes had. Ik wilde graag weten waarom dat zo was en hoe dat kwam. Toen zijn we naar het huis van zijn moeder gereden. De reden dat ik met zijn moeder wilde praten, was omdat we die familie al heel lang kennen, sinds we geboren zijn. De hele buurt had vernomen dat [aangever] met een wapen rondliep. Ik wilde niet met hem in gesprek gaan. Hij was een beetje ontspoort. Het zou kunnen uitlopen op iets verkeerds. Dus ik dacht: ik ga langs bij zijn moeder.
U vraagt mij of ik zelf een wapen bij me had. Daar kom ik later op terug.
Mijn broer [medeverdachte] en ik waren langs het huis van de moeder van [aangever] gereden. We wisten niet of ze thuis zouden zijn. Aldaar zag ik [aangever] achterop een scooter aan komen rijden. Toen hij onze auto zag, pakte hij een wapen en begon te schieten. Uit angst en paniek dacht ik dat hij ons zou raken, pakte ik mijn wapen en schoot ik terug vanuit de auto. Volgens mij richtte ik niet op hem maar schoot in de richting van [aangever] tegen de grond. Het ging allemaal zo snel sinds hij zijn wapen trok. Het leek wel een film. Ik heb gewoon gehandeld. Het was zelfbescherming.
De verdachte verklaart op vragen van de voorzitter als volgt:
U houdt mij voor dat je in een panieksituatie niet zou verwachten dat de auto langzamer zou gaan rijden en dat je uit de auto gaat hangen met je bovenlijf en langzaam achteruitrijdend ter hoogte van de brandgang weer zou schieten om vervolgens weg te rijden. Ik heb verteld wat ik heb meegemaakt. Ik heb gehandeld naar hetgeen ik heb gezien. Ik heb een ander beeld van wat er is gebeurd.
U houdt mij het telefoongesprek tussen mijn vader en mijn moeder voor op pagina 142 van het dossier en u vraagt mij waarom mijn vader dat zou zeggen wanneer ik uit zelfverdediging zou hebben geschoten. Ik ben niet bij dat gesprek geweest. Ik weet niet wat zij bedoelen of daarmee willen bereiken.
[betrokkene 4] is nog steeds mijn vriendin.
U houdt mij pagina 253 van het dossier voor. [betrokkene 5] ken ik niet.
U houdt mij pagina 340 van het dossier voor. Ik heb niets met die auto te maken gehad nadat dit was gebeurd.
U houdt mij de pagina’s 337 en 339 van het dossier voor. Ik weet niet of ik op 6 juli 2019 bij [betrokkene 5] was. U zegt mij dat ik zojuist heb verklaard dat ik [betrokkene 5] niet kende. Ik verstond [betrokkene 5] , maar die ken ik niet. De gesprekken die u mij voorhoudt op de zojuist genoemde pagina’s komen mij niet bekend voor.
U houdt mij pagina 254 van het dossier voor en voorts toont u mij de foto van [betrokkene 6] op pagina 313 van het dossier. U zegt mij dat het hof kan begrijpen dat mensen zeggen dat zij een Indisch uiterlijk heeft. Ten tijde van de foto was [betrokkene 6] 26 jaar oud en droeg ze haar haren kennelijk in een staart naar achteren.
U houdt mij voor het tapgesprek op pagina 587 van het dossier. Ik weet niet wie de auto daar heeft weggehaald. Ik ken dat gesprek niet. Ik weet niet wie zich hebben bekommerd om de auto. Ik was er niet bij.
U houdt mij voor dat ik bij [betrokkene 5] was en ik zojuist heb verklaard dat ik [betrokkene 5] niet ken. Ik denk dat ik [betrokkene 5] wel ken. De auto is uitgebrand teruggevonden. Kogelgaten zouden niet wegbranden. Ik heb niet meer naar die auto gekeken.
Ik wil graag nog iets zeggen over mijn wapenbezit. In het dossier staat dat er een langlopend conflict was. Dat klopt niet. Dat wapen had ik al langer. Ik heb dat wapen ooit aangeschaft ter zelfbescherming. Het is niet zo dat we ruzie hadden die kon uitlopen op een dergelijke situatie als deze.
Ik had het wapen op 4 juli 2019 toevallig bij me. Ik ging niet bewust met het wapen daar naartoe. Als ik het telefoonnummer van de moeder van [aangever] had gehad, had ik haar kunnen bellen.
U houdt mij voor dat mijn moeder het telefoonnummer van de moeder van [aangever] wel had. Ik ken zijn moeder goed. Ik wilde met haar praten. Ik was toevallig in [plaats] . Plots kwam in mij op om langs de moeder van [aangever] te rijden. Het was toeval.
Ik had het wapen al langere tijd bij me, zoals ik zojuist ook heb verklaard. Ik heb het wapen niet altijd bij me. Toevallig had ik het op 4 juli 2019 bij me.
De verdachte verklaart op vragen van de oudste raadsheer als volgt:
Het was zelfbescherming. Er was geen conflict.
U houdt mij voor dat het logischer is dat ik een wapen droeg omdat er gevaar dreigde en voorts houdt u mij voor dat ik zojuist heb verklaard dat [aangever] was ontspoord. Ik wilde uitzoeken of die praatjes betrekking hadden op mij. Ik wilde dat uitzoeken via zijn moeder en niet direct met hemzelf.
Ik heb niet nagedacht over een risico dat ik zou lopen op het moment dat ik naar de moeder van [aangever] ging en [aangever] misschien wel thuis zou zijn.
De verdachte verklaart op vragen van de voorzitter als volgt:
U houdt mij voor dat er geen enkele getuige heeft verklaard dat [aangever] vanaf de scooter als eerste heeft geschoten en vraagt mij hoe dat kan. Ik kan dat niet verklaren.
De verdachte verklaart op vragen van zijn raadsman als volgt:
U vraagt mij wat ik zag toen [aangever] achterop de scooter de straat in kwam gereden. Ik zag hem grijpen in de richting van zijn onderbuik, in zijn zak of heuptasje. Ik weet niet wat hij droeg. Het leek op een heuptasje. Ik heb er zelf ook een. Het leek erop dat hij daar iets uitpakte. Dat is wat ik heb gezien toen we daar kwamen. Daarna schoot [aangever] en heb ik gedaan wat ik net heb gezegd.
De verdachte verklaart op vragen van de jongste raadsheer als volgt:
Ik denk dat ik mijn wapen in mijn zak had. U houdt mij voor dat ik mijn wapen meteen voor het grijpen had. Ik kan dat niet precies zeggen. Ik heb uit angst snel gehandeld. Het lag niet in de kofferbak. Ik denk dat ik mijn wapen in mijn zak van mijn jas had.
De verdachte verklaart op vragen van de oudste raadsheer als volgt:
Ik weet niet of mijn wapen al was doorgeladen. Op het moment dat ik zag dat [aangever] naar zijn wapen greep en schoot, kon ik niet meer denken. Ik heb mijn vuurwapen gepakt en heb geschoten. Nogmaals, ik kan niet zeggen of mijn wapen al was doorgeladen.
Ik heb gezegd dat er geen conflict gaande was. Uw hof hield mij voor dat het haast wel een conflict moest zijn, maar we zijn naar het huis van de moeder van [aangever] gereden om met haar te praten. Dan is er toch geen conflict?
Ik hoorde dingen van allerlei mensen om me heen. Ik wilde uitzoeken of datgene wat werd gezegd zou kloppen. Ik had gehoord dat [aangever] een wapen had, daarom wilde ik niet met hem maar met zijn moeder praten.
De verdachte verklaart op vragen van de voorzitter als volgt:
U houdt mij pagina 577 van het dossier voor en voorts houdt u mij voor dat op de telefoon van [aangever] foto’s zijn gevonden van personen met een Noord-Afrikaans uiterlijk.
U vraagt mij of ik daaruit zou kunnen afleiden dat [aangever] een conflict had met iemand die een Noord-Afrikaans uiterlijk had. [aangever] was ontspoort en had met meerdere mensen ruzie. Hij zei allemaal rare dingen en ik wilde weten of dat over mijn familie ging. Ik kan niet precies zeggen wat voor rare dingen dat waren. Als ik het wist, had ik het gezegd. Het ging over een bepaalde ruzie of iets.
U houdt mij voor dat ik inmiddels al tweeënhalf jaar vastzit en het belangrijk is om te weten wat die ‘rare dingen’ waren. Het is niet meer in me opgekomen wat er precies is gezegd door [aangever] .
U houdt mij pagina 97 van het dossier voor.
De verdachte verklaart op vragen van de oudste raadsheer als volgt:
U vraagt mij waarom ik niet eerder heb verklaard. Mijn eerste advocaat heeft mij geadviseerd om te zwijgen. Mijn huidige advocaat wilde toch dat ik ging verklaren. Ik zit al tweeënhalf jaar vast.
De voorzitter deelt mede dat ter terechtzitting de camerabeelden zullen worden afgespeeld.
Ter terechtzitting worden respectievelijk de camerabeelden met titel 1. ANTRIM – beelden en 2. ANTRIM – beelden close up getoond.
De voorzitter deelt als volgt mede:
Het hof ziet op de camerabeelden, waarbij is gefilmd kijkende in de rijrichting van de auto, dat vanaf links (hoek van 90 graden ten opzichte van de kijkrichting) drie scooters komen aangereden. Het hof neemt waar dat de persoon achterop de eerste scooter – zijnde [aangever] , zo blijkt uit het dossier – niet direct de [a-straat] inkijkt. Pas wanneer de scooter – vanuit de scooter gezien rechtsaf – de [a-straat] opdraait, kijkt [aangever] de [a-straat] in. De scooter rijdt op de stoep richting de brandgang. De Volkswagen Golf Plus gaat langzamer rijden bij nadering van de scooter. Te zien aan de oplichtende remlichten, vermindert de auto snelheid ruim 4 parkeervakken voor de positie waar [aangever] zich op dat moment bevindt. Bijna drie parkeervakken vóórdat de Volkswagen Golf Plus de scooter waar [aangever] achterop zit, passeert, komt er een gestrekte arm met vuurwapen in de hand uit het raam van de bijrijderszijde van de Volkswagen Golf Plus. Direct en zonder dralen wordt er vervolgens door de bijrijder geschoten in de richting van [aangever] . Op dat moment bevindt de eerste scooter, waar [aangever] als bijrijder vrijwel geheel schuil gaat achter de bestuurster, zich op de stoep voor de lantaarnpaal ter hoogte van de brandgang. Op het moment dat de Volkswagen Golf Plus ter hoogte van [aangever] rijdt, zijn er terugslagen te zien van het vuurwapen (tijdstip beelden 17:02:51-17:02:52). Ook nadat de bijrijder met zijn bovenlichaam uit het raam van de auto is gekomen en – voor hem – rechtsdraaiend in de richting van de (de brandgang in) wegvluchtende [aangever] blijft schieten, zijn er terugslagen te zien. Tevens zijn er terugslagen van het vuurwapen te zien op de beelden op de tijdstippen 17:02:57-17:02:58.
De verdachte verklaart als volgt:
De gestrekte arm met het vuurwapen in de hand uit het raam van de bijrijderszijde van de Volkswagen Golf Plus is mijn arm. Toen mijn broer en ik daar kwamen, trok [aangever] zijn wapen en schoot. Dat is de reden dat ik mijn wapen trok. Ik had het wapen van [aangever] waarschijnlijk al gezien voordat de auto op de beelden zichtbaar is.
De camerabeelden met titel 2. ANTRIM – beelden close up worden opnieuw afgespeeld.
De voorzitter deelt namens het hof mede dat op de camerabeelden niet is te zien dat bij [aangever] , die zich dan nog achterop de scooter en dus achter de rug van de bestuurster bevindt, iets uitsteekt. Enkel is te zien dat hij van de scooter afspringt op het moment dat de Volkswagen Golf Plus komt aangereden (beelden 17:02:52).Voorts deelt de voorzitter mede dat zij uit de auto een gestrekte arm ziet komen met een wapen.
De raadsman voert het woord als volgt:
Ik zie niet duidelijk een arm. Als je een wapen dichtbij je draagt, kun je nog steeds schieten. Je hoeft niet je arm te strekken om te schieten. Bovendien neemt mijn cliënt waar vanuit een ander perspectief, als bijrijder van de Volkswagen. Dat betreft een andere waarneming dan die van de camera. Het valt niet uit te sluiten dat [aangever] iets in zijn hand heeft. Hij houdt zijn handen in een vreemde positie. Bovendien zie ik geen terugslagen van het wapen van mijn cliënt. Het lijkt eerder op een beweging van iemand die zijn arm weer intrekt.
De camerabeelden met titel 2. ANTRIM – beelden close up worden opnieuw afgespeeld.
De oudste raadsheer deelt mede dat hij meermalen een knikje ziet in het vasthouden van het wapen en dat dat knikje uitgelegd wordt als een terugslag van het wapen.
Op vragen van de oudste raadsheer verklaart de verdachte als volgt:
Het klopt dat ik niet wilde praten met [aangever] , maar met zijn moeder. U houdt mij voor dat het logisch zou zijn dat wanneer ik [aangever] dan zie, ik tegen mijn broer zou zeggen dat hij door moet rijden, omdat ik hem per se niet wil spreken. Achteraf gezien wel, maar op dat moment zie ik hem iets pakken. Ik heb toen niet meer nagedacht.
De raadsman van de verdachte voert het woord als volgt:
U, voorzitter, ziet op de beelden niet dat [aangever] naar zijn middel grijpt en iets pakt. De moeder van [aangever] is gehoord door de politie en geconfronteerd met haar gedragingen. Zij raapt meerdere malen iets op. Ik verwijs naar dossierpagina’s 211, 212 en 215. Mogelijk raapt de moeder van [aangever] hulzen van de straat. Dat zou steun vinden voor het verhaal van mijn cliënt dat door [aangever] reeds geschoten zou zijn.
De camerabeelden met titel 2. ANTRIM – beelden close up worden opnieuw afgespeeld.
De oudste raadsheer deelt mede dat op de beelden is te zien dat [aangever] een heuptasje draagt en om de scooter loopt en voorts met – zo lijkt het – een vuurwapen naar de woning loopt.
Voorts is er een mevrouw met een lichtgroene broek die vier maal iets van de grond raapt en dat lijken hulzen te zijn.
De voorzitter deelt mede dat zij op de beelden ziet dat de mevrouw iets van de grond raapt, maar niet ziet wat het precies is.
Voorts deelt de voorzitter als volgt mede:
In het dossier bevindt zich een PowerPoint met stills van de camerabeelden, waarbij is gefilmd kijkende in de rijrichting van de auto (OB1RO19078 ANTRIM). Die rijrichting is richting de Albert Heijn (gelegen aan de [a-straat 3] [plaats] : Google). Op de eerste dia heeft het hof waargenomen dat – kijkend vanaf de straatzijde – links naast het huis aan de [a-straat 2] een brandgang is gelegen. Ter hoogte van die brandgang bevindt zich (op de stoep) een lantaarnpaal en (tussen de stoep en de rijbaan) een parkeervak, gelegen tussen de markeringen 3 en 4. De afstand tussen de straat (rijweg) en liet einde van de stoep (tegen de scheidslijn van de woningen) is ongeveer 5,4 meter.
Voorts heeft het hof waargenomen dat een scooter – waar, zo blijkt uit het dossier, achterop [aangever] zit – op de stoep rijdt richting de brandgang links naast het huis aan de [a-straat 2] (dia 1 en dia 6) en dat vervolgens de auto in beeld komt waarbij zowel de auto als de scooter zich, gelet op voormelde beschrijving van de beelden, om 17:02:52 bevinden ter hoogte van de (lantaarnpaal en daarmee) brandgang links langs de woning aan de [a-straat 2] (dia 1 en dia 7). De bijrijder steekt daarbij zijn arm met het wapen min of meer rechtuit en horizontaal uit het openstaande bijrijdersraam wijzend in de richting van, van de scooter afstappende [aangever] . Als de auto verder weg is gereden en [aangever] inmiddels niet meer achterop de scooter zit, komt de bijrijder met zijn – bezien vanuit hemzelf – naar rechtsdraaiende bovenlichaam uit het bijrijdersraam en richt zijn wapen (voor hem) schuin naar achteren waar de brandgang zich bevindt (dia 9). Nadat de auto achteruit is gereden, komt alleen de gestrekte arm met het wapen uit het bijrijdersraam wijzend richting de brandgang (dia 11).
[…].”
8. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep het woord gevoerd overeenkomstig de door hem aan het hof overgelegde en aan dat proces-verbaal gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“Client is op 17 maart 2020 door de meervoudige kamer van de rechtbank veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar terzake medeplegen poging moord (feit 1 impliciet primair) en wapenbezit (feit 2).
Client heeft tegen voormeld vonnis tijdig hoger beroep ingesteld nu cliënt meent dat hij (deels) ten onrechte door de rechtbank is veroordeeld.
De familie van cliënt en die van [aangever] kennen elkaar al jaren, de verstandhouding tussen de beide families en tussen [verdachte en medeverdachte] en [aangever] is altijd erg goed geweest. Dit wordt ook met zoveel woorden door [aangever] bevestigd tijdens zijn verhoor bij de RHC.
Client betwist ten stelligste dat er – zoals het OM suggereert – sprake zou zijn geweest van een vermeend reeds langer lopend, sluimerend conflict met [aangever] .
Ook [aangever] zelf heeft in zijn verhoor bij de RHC verklaard dat hij
geenconflict met de boers [verdachte] had. (‘
Er wasnietecht sprake van een conflict waar wij elkaar voor uitweken of ontliepen”, p.v. verhoor d.d. 22 juni 2021, pag. 2)
Een aantal jaren geleden was er volgens [aangever] wel een issue geweest met betrekking tot een scooter, maar deze kwestie was door de jaren heen al lang uitgepraat. Hoewel zij elkaar wel wat minder zagen groetten zij elkaar wel gewoon. In zijn verhoor bij de RHC heeft [aangever] hierover (onder meer) als volgt verklaard:
“U zegt mij dat ik bij de politie heb gezegd dat ik [verdachte en medeverdachte] weinig heb gezien de afgelopen jaren. Ja, iedereen werd ouder en mensen hadden minder tijd en daardoor zagen we elkaar minder”. (p. v. verhoor d.d. 22 juni 2021, pag. 2)
“U vraagt mij waarom ik niet wilde verklaren waarover het conflict met de broers ging. Dat ging over die scooter die van mij gestolen was, daardoor hadden wij minder contact dan de jaren daarvoor. Ik wilde daar niet te diep op ingaan en daarom ben ik daar niet over verklaard. Ik zou niet meer weten wat de reden was dat ik toen niet heb willen verklaren. Er waren toengeenbedreigingen ofzo, maar we spraken gewoon niet met elkaar af.We groetten elkaar wel gewoon”. (p.v. verhoor d.d. 22 juni 2021, pag. 4).
Reden bezit/aanschaf vuurwapen [aangever]
heeft in hetzelfde verhoor als getuige bij de RHC verklaard dat hij reeds eerder een vuurwapen had aangeschaft en dat hij dat vuurwapen op 4 juli 2019 bij zich droeg in verband met het feit dat hij een aantal weken voorafgaand aan het schietincident voor de deur van zijn moeder door andere mensen is bedreigd vanwege een conflict dat [aangever] had met een jongen met wie hij een handgemeen heb gehad en waarvoor hij een celstraf had gekregen van 1 jaar. (p.v. verhoor RHC, pag. 2)
Client en zijn broer hadden van familieleden in de weken voorafgaand aan de tenlastegelegde periode geluiden opgevangen dat [aangever] zich vijandig en dreigend jegens hen had opgesteld waardoor een of meerdere familieleden zich wat onveilig voelde(n). Dit gevoel van onveiligheid werd versterkt doordat [aangever] zich volgens personen uit zijn omgeving nerveus gedroeg en hij een vuurwapen had aangeschaft.
Op 4 juli 2019 bevond cliënt zich samen met zijn broer op enig moment in de buurt van de (toenmalige) woonplaats van [aangever] , [plaats] . Ad hoc is besloten om bij de moeder van [aangever] langs te gaan om met haar in gesprek te gaan over de geluiden en de ‘zorgen’ die [verdachte en medeverdachte] van familieleden over [aangever] hadden opgevangen.
Client droeg die bewuste dag een vuurwapen. Maar client was al langere tijd in bezit van dit vuurwapen en heeft dit vuurwapen puur uit zelfbescherming aangeschaft.
Client had die bewuste dag geenszins de intentie om dit vuurwapen te gebruiken, laat staan dat hij voornemens zou zijn geweest om [aangever] hiermee te (be)schieten met de bedoeling hem van het leven te beroven.
De intentie van cliënt was – zoals gezegd – puur gericht op het confronteren van de moeder van [aangever] met de verontrustende geluiden over haar zoon in een poging te trachten om tot een oplossing te komen.
Kort nadat [verdachte en medeverdachte] in de straat van [aangever] waren aangekomen (de verdediging merkt ter volledigheid overigens op dat de [a-straat] te [plaats] een
eenrichtingswegbetreft; bron: Google maps) zijn zij op zoek gegaan naar de woning van de moeder van [aangever] .
Nu alle huizen/de huizenblokken, althans de voorgevels in die straat nogal op elkaar lijken (zie: wederom Google maps als bron) is het naar de mening van de verdediging voorstelbaar dat de situatie ter plaatse voor [verdachte en medeverdachte] niet direct overzichtelijk was en het voor hen om die reden niet meteen duidelijk werd waar zich de woning van de moeder van aangever bevond. Dit verklaart wellicht waarom in de straat door de medeverdachte enigszins langzaam zou zijn gereden en/of waarom de auto eenmaal zou zijn omgekeerd en/of teruggereden.
De verdediging stelt op grond van het voorliggend dossier in elk geval vast dat broers [verdachte] niet in de straat geparkeerd hebben en/of geparkeerd stonden voor de komst van [aangever] . Daarnaast stelt de verdediging vast dat [verdachte en medeverdachte] zich pas zeer kort voor de komst van [aangever] in zijn straat begaven en/of aanwezig waren. Anders dan het OM suggereert, is van een vermeend opwachten en/of ‘posten’ derhalve in het geheel geen sprake geweest. Uit het voorliggend dossier blijkt in elk geval niet, althans onvoldoende van het tegendeel.
Op het moment dat client vanuit de auto [aangever] de hoek om ziet komen, ziet hij [aangever] vrijwel direct met zijn arm en/of hand een ‘beweging’/een ‘gebaar’ maken naar zijn middel, althans richting zijn broeksband en/of iets wat lijkt op een heuptasje. Het leek er voor client op alsof [aangever] – toen hij de auto van de medeverdachte in beeld kreeg – direct naar ‘iets’ greep, alsof hij ‘iets’ leek te gaan pakken.
De verdediging merkt op en stelt vast dat het p.v. bevindingen terzake de beelden van de beveiligingscamea(s) (dossierpagina’s 203 e.v) de beleving, althans de waarneming van cliënt op dat moment niet uitsluit, nu de beveiligingscamera het gebeuren vanuit een ander perspectief, vanuit een andere hoek heeft vastgelegd dan zoals door cliënt op dat moment vanuit de auto viel waar te nemen. Dit klemt te meer nu de beelden van een tamelijk matige kwaliteit zijn, [aangever] zich op het moment van inrijden bij iemand achterop een scooter bevond, op betrekkelijk forse afstand van de betreffende camera en [aangever] ook nog eens vrijwel direct (binnen 1 a 2 seconden) uit het beeld van de camera verdwijnt. (foto (17:02:52) op pagina 205 onderaan)
Dat [aangever] in die periode een wapen droeg was een publiek geheim, iedereen in de omgeving van [aangever] was hiervan op de hoogte, zo ook cliënt. Dit vindt steun in de eigen verklaring van [aangever] bij de politie alsmede in zijn verklaring als getuige bij de RHC.
Bovendien is ook door de politie zelf vastgesteld en geconcludeerd dat [aangever] op het moment dat hij (achterop de scooter) zijn straat komt inrijden, in het bezit was van een vuurwapen en vrijwel direct een vuurwapen in zijn hand heeft gehad en dit vuurwapen niet (op een later moment) binnen (in de woning) heeft gepakt. (zie: conclusie politie op dossierpagina 243)
Voor client, die wist dat [aangever] in die periode gewapend was, en die ziet dat [aangever] (vrijwel) direct bij het zien van auto van de broer van cliënt, met de hand naar zijn broeksband gaat, is er bij client op dat moment maar een gedachte, een conclusie mogelijk: [aangever] grijpt naar zijn vuurwapen en gaat schieten! Naar de beleving van cliënt heeft [aangever] dat op dat moment ook gedaan.
Paniek en angst maken zich op dat moment van cliënt meester, waardoor client onder invloed van en bewogen door genoemde emoties zijn vuurwapen heeft gebruikt en heeft geschoten. Op dat moment gaat alles naar de beleving van cliënt in een ‘split second’ en razendsnel. Client kan zich om die reden – mede als gevolg van eerder genoemde emoties – niet meer herinneren op welk moment en hoe vaak hij heeft geschoten. Wel heeft client vandaag ter zitting verklaard dat hij naar zijn beleving laag en zo mogelijk zelfs naar de grond heeft geschoten.
Op welk moment is er geschoten?
Naar de mening van de verdediging valt uit de beelden (‘stills’) van de beveiligingscamera zoals opgenomen in het dossier, althans de inhoud van de PowerPoint,
nietaf te leiden op welk moment client zou hebben geschoten. Nog sterker, naar de mening van de verdediging valt uit het beschikbare objectieve bewijs zelfs niet afleiden wie er die bewuste dag als eerste zou hebben geschoten.
Voor zover uit eerder genoemde beelden zou zijn af te leiden dat cliënt vrijwel direct zijn arm uit de auto zou hebben gestoken met daarin een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, dan valt naar de mening van de verdediging hieruit op zichzelf beziend niet af te leiden dat cliënt reeds ook op datzelfde moment al zou hebben geschoten. Dit klemt te meer nu op de beelden een ‘schietende beweging’ niet valt waar te nemen.
De verdediging acht het aannemelijker dat door cliënt op een later moment, ter hoogte van de woning van de moeder van aangever, is geschoten. Dit vindt steun in het gegeven dat op, althans ter hoogte van de locatie waar de aangever voor het eerst achterop een scooter zijn straat komt ingereden, door het TFO tijdens het onderzoek op de PD in de gevel(s) van de flat, althans het appartementencomplex
geenkogelinslag(en) zijn aangetroffen. Evenmin is er op eerder genoemde locatie munitie en/of munitiedelen aangetroffen.
Als cliënt reeds op dat moment (rekening houdend met de afstand op dat moment) in de richting van aangever geschoten zou hebben – quod non – dan zou je op die locatie minst genomen een of meerdere kogelinslagen verwachten, hetgeen dus thans niet het geval is. Daarnaast stelt de verdediging vast dat op de PD twee hulzen zijn aangetroffen welke worden toegeschreven aan het door cliënt gebruikte vuurwapen. Nu deze hulzen zijn aangetroffen ter hoogte van de woning van de moeder van [aangever] maakt dit gegeven het in de visie van de verdediging des te aannemelijker dat door cliënt is geschoten ter hoogte van de woning, en niet eerder.
Voorts is uit het onderzoek gebleken dat de moeder van [aangever] op de PD tot 3 maal toe (!) goederen heeft opgeraapt, meer specifiek,
op en/of nabij de locatie waar [aangever] met een scooter (eerder) zijn straat kwam ingereden. (zie: de ‘stills’ op dossierpagina 211, 212 en 215). De verdediging acht het onder de zojuist geschetste omstandigheden, waaronder het gegeven, dat [aangever] reeds op dat moment in het bezit was van een vuurwapen, aannemelijk dat de moeder van [aangever] daar op dat moment hulzen heeft opgeraapt, hulzen afkomstig van het vuurwapen van haar zoon. Dat zij – zoals zij zelf beweert – tot tweemaal toe haar mobiele telefoon zou hebben opgeraapt is naar de mening van verdediging kennelijk leugenachtig en onbetrouwbaar, nu deze verklaring niet strookt met de hoeveelheid keren dat zij goederen heeft opgeraapt noch met het gegeven dat het telkens om goederen (meervoud(!) gaat en dus niet om een enkel voorwerp. Een mobiele telefoon zou bovendien zichtbaar zijn geweest op de beelden, terwijl nu niet is te zien wat zij daar precies aan goederen heeft opgeraapt, hetgeen des te aannemelijker maakt dat het naar alle waarschijnlijkheid diverse hulzen betrof.
[aangever] zelf heeft in elk geval erkend (eenmaal, in/vanuit de brandgang) te hebben geschoten. Echter, op grond van hetgeen zojuist door de verdediging naar voren is gebracht, acht de verdediging de mogelijkheid reëel dat [aangever]
vakeren zo mogelijk reeds op een eerder moment, mogelijk zelfs (vrijwel) direct bij/na het zien van [verdachte en medeverdachte] heeft geschoten. Nog sterker, eerder genoemde locatie(s) waar de moeder van [aangever] hoogstwaarschijnlijk hulzen heeft opgeraapt geeft steun aan de reële mogelijkheid dat [aangever] is begonnen met schieten. Het onderzoek op de PD alsmede de ‘stills’ sluiten deze mogelijkheid in ieder geval niet uit, nu de verdediging constateert dat de beeldkwaliteit nogal te wensen over laat en [aangever] vrijwel direct uit beeld, uit het zicht van de camera(s) verdwijnt. (zie: dossierpagina 205, onderaan, ‘still’ 17:02:52)
De reële mogelijkheid dat [aangever] die bewuste middag vaker en mogelijk zelfs eerder en/of als eerste heeft geschoten, vindt naar de mening van de verdediging voorts steun in het volgende.
Uit het NFI onderzoek naar het vuurwapen van [aangever] is gebleken dat zich bij dit wapen een patroonmagazijn bevond waarin maximaal
zevenpatronen passen. Nu [aangever] heeft verklaard dat hij dit wapen heeft aangeschaft in verband met een recente bedreiging en hij dit wapen om die reden voor zijn eigen veiligheid – NB: tijdens zijn aanhouding
doorgeladenbij – zich droeg, acht de verdediging het niet waarschijnlijk en zelfs ongeloofwaardig dat [aangever] zijn pistool maar met 2 patronen zou hebben geladen zoals hij in zijn verhoor bij de politie heeft verklaard. Genoemde argumenten, waaronder de maximale inhoud van het patroonmagazijn, bevestigen naar de mening van de verdediging de reële mogelijkheid dat [aangever] vaker (en al op een eerder moment zijn vuurwapen heeft gepakt en gebruikt) heeft geschoten.
Het dossier, waaronder met name de beelden (dossierpagina’s 204 e.v.) sluiten deze mogelijkheid geenszins niet uit.
De thans geschetste feiten en omstandigheden geven naar de mening steun aan de eerder genoemde beleving en de emoties van cliënt op dat bewuste moment.
Onbetrouwbaarheid politieverklaringen [aangever]
Hetgeen zojuist opgemerkt geeft voor de verdediging reeds aanleiding om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van de politieverklaringen van [aangever] . Daarenboven wenst de verdediging nog het volgende op te merken en vast te stellen.
De verdediging stelt vast dat [aangever] in eerste instantie is gevlucht voor de politie. [aangever] is pas 2 dagen na het schietincident door de politie aangehouden. Voorts stelt de verdediging vast – en dat is gezien de latere verklaringen van [aangever] opmerkelijk en opvallend te noemen – dat [aangever] in het eerste verhoor bij de politie grotendeels (op zaakinhoudelijke/cruciale vragen) heeft gezwegen. Naar de mening van de verdediging valt het vluchten en het zwijgen moeilijk te rijmen met de latere bewering van [aangever] dat hij ter zelfverdediging c.q. ter afdreiging van zijn vermeende belagers slechts eenmaal in de lucht zou hebben geschoten. Logischer zou in dat geval zijn geweest om hier direct over te verklaren. Het vluchten en het zwijgen duidt naar de mening van de verdediging dan ook op een ‘dubbele agenda’ van [aangever] . Dit klemt te meer nu op grond van het voorliggende dossier (beelden/stills bewakingscamera(s) en de NFI rapportage mbt het vuurwapen van [aangever] ) – zoals reeds opgemerkt – het er alle schijn van heeft dat [aangever] vaker en eerder geschoten heeft dan dat hij de politie wil doen geloven.
Daar komt nog bij dat vaststaat dat [aangever] op 4 juli 2019 reeds voorafgaand aan het schietincident een (doorgeladen) vuurwapen bij zich droeg. Tenslotte merkt de verdediging op dat [aangever] geen onbekende is van justitie en eerder is veroordeeld voor geweldsmisdrijven. Genoemde omstandigheden maken naar de mening van de verdediging dat ernstig getwijfeld dient te worden aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de politieverklaringen van [aangever] . Dit klemt te meer nu [aangever] in zijn verhoor als getuige bij RHC – in tegenstelling tot zijn latere verklaringen bij de politie – heeft betwist dat er tussen hem en [verdachte en medeverdachte] een conflict was. De verdediging verzoekt uw Hof derhalve de politieverhoren van [aangever] uit te sluiten van het bewijs.
Vervolg:verweer mbt bestanddeel voorbedachten rade.
Terugkomend op de vraag of in casu sprake is geweest van voorbedachte raad stelt de verdediging op grond van de zojuist geschetste omstandigheden vast dat cliënt impulsief, vanuit een opwelling heeft gehandeld en tweemaal (uiterst kort na elkaar) heeft geschoten.
Voor zover uw Hof op basis van het voorliggend dossier tot de vaststelling zou komen dat er 2 momenten van schieten zouden zijn geweest – uitdrukkelijk quod non – dat stelt de verdediging op grond van het dossier (de beelden (‘stills’) van de bewakingscamera’s op pagina 204 e.v.) vast dat tussen het 1e en het 2e vermeende moment van schieten niet meer dan slechts een paar seconden moet hebben gezeten, nu de auto in totaal slechts circa 9 a 10 seconden op de PD aanwezig, althans in beeld is.
Naar de mening van de verdediging is het op grond van de geschetste feiten en omstandigheden evident dat cliënt beide schoten heeft gelost vanuit een opwelling, vanuit een impuls. Bovendien was de tijd tussen de schoten – zelfs indien uw Hof zou uitgaan van 2 momenten van schieten – quod non – zodanig kort (enkele seconden) dat van een reëel moment van bezinning geen sprake kan zijn geweest. (zie in dit verband: ECLI:NL:RBLIM:2013:7710) Conclusie verdediging: Geenvoorbedachte raad
Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ dient volgens vaste jurisprudentie (o.m ECLI:NL:HR:2012:BR2342) komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval.
Uit de geschetste feiten en omstandigheden, waaronder de verklaring van cliënt, is naar de mening van de verdediging gebleken dat cliënt impulsief, vanuit een hevige ogenblikkelijke gemoedsbeweging (paniek en emotie) heeft gehandeld. Deze mogelijkheid kan op grond van het voorliggend dossier in elk geval niet (met voldoende mate van zekerheid) worden uitgesloten.
Van een reële termijn van bezinning over de betekenis en de mogelijke gevolgen van zijn handelen en dus van voorbedachte rade is onder de geschetste omstandigheden geen sprake geweest. Meer ten overvloede merkt de verdediging op dat het ‘achteruit rijden met de auto’ onder dezelfde emoties, en in (een en) dezelfde gemoedsopwelling heeft plaatsgevonden.
Bovendien wenst de verdediging uw Hof te attenderen op een aantal contra-indicaties voor voorbedachte raad die eveneens aan een bewezenverklaring daarvan in de weg staan:
- Het schietincident vond plaats op klaarlichte dag terwijl client zich tezamen met zijn broer in de eigen (opvallende en bij velen bekende) auto van zijn broer bevond, welk voertuig derhalve direct herleidbaar was;
- Het schietincident vond plaats midden in een woonwijk terwijl er meerdere personen op straat waren.;
- [verdachte en medeverdachte] zaten volledig herkenbaar, dus niet vermomd of voorzien van een bivakmuts, in de auto.
- Uit het onderzoek is niet gebleken dat cliënt zou hebben gehandeld ter uitvoering van een vooropgezet plan;
- [verdachte en medeverdachte] hebben de auto niet geparkeerd in de straat van [aangever] en/of zich gedurende enige tijd opgehouden in de straat; van een vermeend opwachten en/of posten is derhalve geen sprake. Zoals eerder opgemerkt de broers waren zeer kort voor de komst van [aangever] in zijn straat aangekomen.
- [aangever] zelf heeft in zijn verhoor bij de RHC verklaard dat er tussen hem en [verdachte en medeverdachte] geen conflict was, zodat van een vermeend motief evenmin sprake is;
- Van eerdere confrontatie(s) tussen [verdachte en medeverdachte] en [aangever] voorafgaand aan het schietincident is niet gebleken.
Op grond van vorenstaande argumenten verzoekt de verdediging uw Hof vrij spreken van medeplegen poging moord (feit 1 impliciet primair).
Mocht uw Hof van oordeel zijn dat niet, althans onvoldoende zou zijn gebleken dat cliënt vanuit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling zou hebben gehandeld – quod non – dan merkt de verdediging op dat de enkele omstandigheid dat niet zou zijn komen vast te staan dat vanuit een gemoedsopwelling is gehandeld niet toereikend is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen terzake voorbedachte raad. Dit klemt te meer nu sprake is van eerder genoemde contra-indicaties.
Dit klemt des te meer nu op grond van het voorliggend dossier, de feitelijke omstandigheden van het bewuste incident, niet kan worden vastgesteld
wanneercliënt het besluit heeft genomen om te gaan schieten, althans niet kan worden vastgesteld dat cliënt reeds op een eerder moment dan hij stelt het besluit zou hebben genomen om te gaan schieten.
Met andere woorden ook in dat geval kan op grond van het voorliggende dossier niet worden vastgesteld dat cliënt een reële termijn van bezinning gehad zou hebben met betrekking tot de strekking en gevolgen van zijn handelen. (zie in die verband ECLI:GHSHE:2016:3120, Uw Hof […] achtte het bestanddeel voorbedachte rade niet bewezen nu uw Hof in die zaak
“niet kon vaststellen wanneer de verdachte in kwestie het besluit heeft genomen om te schieten en dus evenmin of er ruimte tot beraad bestond”
Dit alles klemt eens te meer nu in casu van een vooropgezet plan en/of enige voorbereiding in het geheel niet is gebleken.
Ook de enkele omstandigheid dat cliënt met zijn broer in de auto en met een vuurwapen naar de woning van de moeder van [aangever] is gegaan is hiertoe ontoereikend, nu op grond van het voorliggend dossier niet valt uit te sluiten dat [verdachte en medeverdachte] – zoals cliënt heeft verklaard – (aanvankelijk) naar de moeder van [aangever] zijn toegegaan met de intentie haar te confronteren met de eerder genoemde ‘verontrustende geluiden’ aangaande haar zoon, maar cliënt op de plaats delict impulsief heeft besloten om te schieten. Met andere woorden uit die enkele omstandigheid kan niet worden afgeleid dat bij cliënt reeds op dat moment de gedachte had postgevat om [aangever] van het leven te beroven.
Met andere woorden ook indien uw Hof van oordeel mocht zijn dat cliënt niet vanuit een hevige gemoedsopwelling zou hebben gehandeld – quod non – , ook dan dient uw Hof cliënt vrij te spreken van medeplegen poging moord.
De verdediging verwijst in de verband ter ondersteuning nog naar een aantal uitspraken:
- ECLI:NL:RBALK:2012:BX9613; hoewel de verdachte in kwestie een pistool heeft opgehaald en de komst van een auto met personen heeft afgewacht en daarna driemaal op korte afstand op de auto met inzittenden heeft geschoten, kwam de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake was van voorbedachte raad en sprak de verdachte vrij van poging moord. - ECLI:NL:RBNNE:2013:5558: korte tijd voorafgaand aan het schietincident is gebleken dat aangever met de verdachte twee eerdere confrontaties heeft gehad, waarbij de gemoederen hoog zijn opgelopen. Verdachte is na deze confrontaties bewust op zoek gegaan naar aangever, maar – zo oordeelde de rechtbank – hieruit valt niet af te leiden dat bij de verdachte in kwestie reeds op dat moment de gedachte was ontstaan om de aangever van het leven te beroven. Dat verdachte tijdens de 3e confrontatie met aangever heeft gehandeld vanuit een hevige gemoedsopwelling valt volgens de rechtbank niet uit te sluiten en sprak vrij van poging moord; - ECLI:NL:RBROT:2016:6071: De rechtbank sprak vrij van poging moord nu uit de beschikbare bewijsmiddelen niet met de wettelijke vereiste mate van zekerheid kon worden afgeleid dat de verdachte in kwestie heeft gehandeld ter uitvoering van een vooropgezet plan, of dat hij op zijn minst een reele termijn van bezinning moet hebben gehad met betrekking tot de strekking en de gevolgen van zijn vooringenomen handelen. Er kan aldus de rechtbank evengoed sprake zijn geweest van impulsief handelen. De omstandigheden dat verdachte op klaarlichte dag, midden in de stad, en vanuit de (opvallende) auto van zijn broer heeft geschoten, wijzen in elk geval niet in de richting van voorbedachte raad, aldus de rechtbank. Medeplegen poging doodslag.
Resteert de vraag of cliënt zich heeft schuldig gemaakt poging doodslag (feit 1 impliciet subsidiair en/of poging zware mishandeling.?
Alvorens de verdediging zich zal uitlaten over de vraag of op grond van het voorliggend dossier kan worden bewezen dat cliënt welbewust de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood van aangever zou hebben aanvaard, en dus of sprake is van voorwaardelijke opzet, wenst de verdediging nog een aantal opmerkingen te maken over de betrouwbaarheid van de politieverklaringen van een aantal getuigen met wie [aangever] een (vriendschappelijke) en/of familiaire relatie heeft, waaronder zijn moeder ( [betrokkene 7] ), zijn (toenmalige) vriendin ( [betrokkene 8] ), haar nicht ( [betrokkene 9] ) en [betrokkene 10] .
Getuigen [betrokkene 8] , [betrokkene 11] en [betrokkene 12] .
Allereerst stelt de verdediging vast dat genoemde getuigen bevriend waren met [aangever] en dat [betrokkene 8] een affectieve relatie had met [aangever] . Reeds dat gegeven maakt dat zij er belang bij gehad zouden kunnen hebben om in het voordeel van [aangever] te verklaren. Daarnaast stelt de verdediging vast dat genoemde getuigen pas 4 tot 6 dagen na het bewuste incident voor de eerste maal door de politie als getuigen zijn gehoord en derhalve alle tijd en gelegenheid hebben gehad om hun verklaringen wat betreft signalementen en rolverdeling in overleg/samenspraak met [aangever] en/of zijn moeder op elkaar af te stemmen. Dit vindt steun in het gegeven dat de getuigen de namen van [verdachte en medeverdachte] (meermalen) door elkaar halen waardoor het er alle schijn van heeft dat de getuigen de broers helemaal niet kennen en dat hen de namen en mogelijk ook de signalementen (voorafgaand aan hun verhoren) zijn ingefluisterd. Dit vindt bevestiging in de verklaring van getuige [betrokkene 12] tijdens de (nota bene) enkelvoudige fotoconfrontatie die pas op 22 juli 2019, dus circa 2 en halve week na het incident wordt gehouden. Opvallend en opmerkelijk is dat [betrokkene 12] tijdens de fotoconfrontatie [verdachte en medeverdachte] (die sterk onderscheidende gelaatskenmerken hebben(!) in eerste instantie door elkaar haalt.
Voorts constateert de verdediging dat de verklaringen van genoemde getuigen op voor de strafzaak relevante onderdelen van elkaar verschillen en dat de verklaringen van genoemde getuigen over de vermeende toedracht van het schietincident geen steun vindt in het objectief aanwezige bewijsmateriaal, waaronder het onderzoek van het FTO alsmede de ‘stills’ van de bewakingscamera’s.
Tenslotte is opvallend te noemen dat geen van de genoemde getuigen zou hebben gezien noch gehoord dat [aangever] die dag gewapend was en heeft geschoten, hetgeen de verdediging sterkt in de overtuiging dat (ook) genoemde getuigen er een dubbele agenda op nahielden en niet (geheel) naar waarheid hebben verklaard.
is de moeder van aangever; reeds dit gegeven maakt dat zij er alle belang bij heeft (gehad) om in het voordeel van haar zoon te verklaren. De moeder van aangever is op 4 juli 2019 kort ter plaatse gehoord. Circa 3 weken later is zij nogmaals als getuige gehoord. Uit het dossier blijkt dat aangever direct na het schietincident in de woning van zijn moeder is geweest en contact met zijn moeder heeft gehad. Ook in de periode dat aangever voortvluchtig was is voorstelbaar en aannemelijk dat hij contact met zijn moeder heeft gehad. Voorts heeft de moeder van aangever daarna bijna 3 weken de tijd gehad alvorens zij nogmaals als getuige werd gehoord en derhalve alle tijd en gelegenheid gehad om haar verklaring voor te bereiden en met haar zoon en/of zijn vriendinnen af te stemmen. Daarbij komt dat de verdediging constateert en vaststelt dat de verklaring van de getuige aantoonbaar niet strookt met het objectieve bewijs (w.o, de beelden) en evenmin steun vindt in de verklaringen van de andere getuigen. Aanvankelijk is haar verklaringen zelfs strijdig met de verklaring van haar eigen zoon ten aanzien van de persoon als zijnde de vermeend bestuurder van de auto. Tenslotte merkt de verdediging op dat het er – zoals eerder opgemerkt – alle schijn van heeft dat de moeder van aangever meermalen hulzen van de grond heeft geraapt. Hulzen uit het vuurwapen van haar zoon.
Opmerkelijk is in dit verband de opmerking van de getuige als zij hierover door de politie wordt bevraagd:
“Ik ga geen hulzen oprapen als die van [verdachte] (opmerking verdediging: bedoeld wordt [verdachte] ) zouden zijn, want dat is aan de politie. Dat isgunstigvoor mij en mijn zoon”. (dossierpagina 442). Deze opmerking is veelzeggend en nogal geraffineerd te noemen en sterkt de verdediging dan ook in de overtuiging dat de getuige direct na het schietincident de hulzen van haar zoon heeft opgeraapt.
Verklaringen 2 minderjarige getuigen: [betrokkene 2] (11 jaar) [betrokkene 1] (11 jaar)
De verklaringen van genoemde getuigen vinden wat betreft afgegeven signalementen, de vermeende toedracht, de vermeende verwonding van een getuige, de hoeveelheid schoten, geen steun in de verklaringen van de overige getuigen. Lijken het verhaal aan alle kanten groter te hebben gemaakt dan zich in werkelijkheid heeft afgespeeld. Een en ander kan naar de mening van de verdediging worden verklaard door de erg jonge leeftijd van beide getuigen waardoor het voorval op hen een zodanige impact heeft gehad waardoor de waarneming van beide getuigen sterk is ingekleurd.
Op grond van alle genoemde argumenten verzoekt de verdediging uw Hof om alle politieverklaringen van genoemde getuigen uit te sluiten van het bewijs nu naar de mening van de verdediging genoegzaam is gebleken dat ernstig getwijfeld dient te worden aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen.
Geen voorwaardelijke opzet
Voor de vraag of bewezen kan worden dat client het voorwaardelijke opzet op de dood van aangever is gehad zou naar de mening van de verdediging de inhoud en de uitkomst(en) van FO onderzoek op de PD bepalend en leidend moeten zijn.
Zoals reeds naar voren is gebracht heeft cliënt verklaard dat hij vanuit een opwelling heeft geschoten. Client had derhalve niet de intentie om aangever van het leven te beroven.
Voor een zorgvuldige en goede beantwoording door uw Hof van de vraag of er onder de feitelijke omstandigheden een aanmerkelijk kans op het intreden van de dood was, dienen naar de mening van de verdediging minst genomen de volgende vragen buiten gerede twijfel te worden beantwoord:
- Vanaf welke afstand is er op [aangever] geschoten? Anders gezegd, waar bevond [aangever] zich op het moment van schieten?
- In welke richting is er geschoten?
- Hoe hoog is er geschoten?
Is er gericht, met precisie geschoten?
De verdediging stelt vast dat er geen ballistisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Voorts stelt de verdediging vast dat er feitelijk slechts 1 vermeende schotbeschadiging wordt geconstateerd (p. 373). Opvallend is dat er in geen van de (voor)gevels van de zich op de PD bevindende woonhuizen, althans appartementencomplex(en) een schotbeschadiging is aangetroffen. Reeds dit gegeven vormt naar de mening van de verdediging een contra-indicatie dat er gericht zou zijn geschoten.
Dat de door de FO geconstateerde beschadiging in het metalen hek een vermeende schotbeschadiging zou zijn, wordt niet nader gemotiveerd c.q. onderbouwd. Ter hoogte van genoemde beschadiging, op de stenen van de brandgang treft het TFO (team forensische opsporing) de mantel van een kogelpunt aan. (dossierpagina’s 373 en 386 e.v.) Naar deze kogelmantel is geen verder onderzoek gedaan. Niet is gebleken dan vast te stellen bij welk kaliber kogel de mantel past en van welk merk de mantel is. Derhalve valt niet vast te stellen uit welk vuurwapen de aangetroffen mantel afkomstig is. Evenmin is op enigerlei wijze onderbouwd dat de aangetroffen mantel zou corresponderen met eerder genoemde vermeende schotbeschadiging. Voorts blijkt uit het forensisch technisch onderzoek niet uit welke richting de kogel zou zijn gekomen die eerder genoemde vermeende schotbeschadiging zou hebben veroorzaakt. Tenslotte is er in het FO met betrekking tot genoemde beschadiging geen onderzoek gedaan naar de mogelijkheid van een zogeheten ‘ricochet’. Voor zover het al om een schotbeschadiging zou gaan, dan valt op grond van het voorliggend dossier derhalve
nietuit te sluiten dat de beschadiging zo mogelijk is veroorzaakt door een afgeketste kogel.
Hoewel in het p.v. relaas op dossierpagina 13 wordt geconcludeerd dat de vermeende beschadiging veroorzaakt zou zijn door een kogel die vanaf/vanuit de VW Golf moet zijn afgevuurd, is deze conclusie kennelijk ingegeven door een doelredenering nu op grond van genoemde argumenten aan genoemde beschadiging een dergelijk conclusie naar de mening van de verdediging niet kan worden ontleend. Opvallend in dit verband is dat het TFO zich na constatering ook heeft onthouden van een dergelijke conclusie ten aanzien van de richting, herkomst van het vermeende projectiel.
Kortom of er met precisie, althans gericht op aangever is geschoten valt op grond van het voorliggend dossier niet, althans niet buiten gerede twijfel vast te stellen, nu aan het enige objectieve aanknopingspunt, de vermeende schotbeschadiging, in dat kader geen, althans niet met een voldoende mate van zekerheid, conclusies verbonden kunnen worden. Sterker nog, nu zelfs niet kan worden uitgesloten dat de vermeende schotbeschadiging het gevolg is van een ricochet, valt evenmin uit te sluiten dat er door cliënt (in paniek) laag naar de grond of in geheel andere richting dan [aangever] is geschoten. Dan wel dat de beschadiging als gevolg van een ricochet zo mogelijk is veroorzaakt door een kogel afkomstig uit het vuurwapen van [aangever] , te meer nu (in elk geval) vaststaat dat [aangever] vanuit/in de brandgang heeft geschoten.
Hoe hoog is er geschoten?
Hoe hoog de kogels zouden afgevuurd valt op grond van het voorliggend dossier, meer in het bijzonder eerder genoemd FO evenmin objectief vast te stellen.
Het enige mogelijke referentiepunt zou de zo-even genoemde vermeende schotbeschadiging kunnen zijn. Echter zelfs indien uw Hof – ondanks de eerder door de verdediging genoemde omissies – tot de vaststelling zou komen dat het een schotbeschadiging zou betreffen veroorzaakt door een kogel afgevuurd vanuit de VW Golf – quod non – dan is door het FO geen onderzoek gedaan naar de exacte hoogte van de vermeende kogelinslag. Evenmin is gemeten hoe hoog het metalen hekwerk is waarin genoemde beschadiging is aangetroffen. Met andere woorden op grond van het voorliggend dossier valt niet vast te stellen hoe hoog er is geschoten, nog daargelaten de eerder genoemde mogelijkheid dat de vermeende kogelinslag is veroorzaakt door een ricochet van een schot dat in andere richting, mogelijk zelfs laag en/of naar de grond is afgevuurd. Het OM (in 1e aanleg) meent er gemakshalve vanuit te kunnen dat op lijfhoogte zou zijn geschoten, echter cruciaal is vast te stellen of er geschoten is op zodanige hoogte dat zo mogelijk vitale lichaamsdelen geraakt hadden kunnen worden, te weten het deel vanaf en/of ter hoogte van de taille.
Kijkend naar de bijbehorende foto op pagina 386 (overzichtsfoto 22) constateert de verdediging dat de beschadiging zich onder het midden, meer in de richting van de onderkant van het metalen hekwerk bevindt. Zonder te weten wat de exacte hoogte is van het hekwerk schat de verdediging op basis van eerder genoemde in dat de beschadiging zich bevindt op een hoogte van minder dan 1 meter (rekenend vanaf de grond). Met andere woorden voor zover uw Hof – ondanks genoemde bezwaren en omissies – toch tot de vaststelling meent te kunnen komen dat de beschadiging veroorzaakt zou zijn door een kogel afkomstig uit het vuurwapen van client – quod non – dan zou de kogel zijn afgevuurd met een hoogte (nog) beneden de taille, op been c.q heuphoogte, hetgeen een locatie is waar zich niet direct vitale organen bevinden. Nu andere schotbeschadigingen, laat staan hogere, tijdens het FO op de PD niet zijn aangetroffen kan deze mogelijkheid, althans de hoogte waarmee geschoten zou zijn, niet worden uitgesloten.
Vanaf welke afstand is er geschoten?
De officier van justitie stelde in 1e aanleg er zeker van te zijn dat er van een afstand van minder dan 6 meter geschoten zou zijn. Enige
objectieveonderbouwing hiervan ontbreekt. In het rapport van het TFO wordt met geen woord gerept over de mogelijke afstand vanaf waar geschoten zou zijn.
De aangetroffen hulzen geven geen antwoord op de vraag vanaf welke (exacte) locatie er geschoten zou zijn nu het een feit van algemene bekendheid is dat hulzen met grote kracht uit het vuurwapen worden geworpen en op (enige) afstand van de plek waar het wapen wordt afgevuurd terechtkomen. (de locatie van de aangetroffen huls in de eerste groenstrook van de openbare weg bevestigt dit, zie foto’s 14 en 15 in de fotomap PD-onderzoek van het FO)
De door de officier genoemde afstand berust derhalve op een (in)schatting gebaseerd op de locatie van de Golf zoals waar te nemen op de beelden. (‘stills’). Bijkomend probleem is echter dat op grond van het voorliggend dossier (diezelfde ‘stills’) niet met zekerheid valt vast te stellen waar de [aangever] zich bevond op het moment van schieten. Dit klemt te meer nu [aangever] zich rennend heeft verplaatst en wegvluchtte en vrijwel direct uit het beeld van de camera verdwijnt. Dit klemt des te meer nu op basis van diezelfde ‘stills’ – zoals eerder opgemerkt – niet kan worden vastgesteld op welk moment er is geschoten. Voor zover er op enig moment in de richting van de brandgang zou zijn geschoten valt op grond van het voorliggend dossier evenmin (met zekerheid) vast te stellen dat [aangever] zich op dat moment nog in de brandgang bevond en niet al in de achtertuin van zijn moeder.
Met andere woorden enig objectief bewijs op grond waarvan de exacte schootsafstand kan worden vastgesteld, ontbreekt in het voorliggende dossier.
Wat betreft de vermeende schootsafstand moeten we het doen met hetgeen door een aantal getuigen (de vriendinnen van aangever) en aangever zelf daarover is verklaard. Wat deze verklaringen betreft verzoekt de verdediging uw Hof datgene wat reeds eerder in het kader van de betrouwbaarheid van deze verklaringen is opgemerkt als hier herhaald en ingelast te beschouwen en de verklaringen ook op onderdelen die betrekking hebben op de vermeende schootsafstand uit te sluiten van het bewijs.
Kortom: nu op grond van het voorliggend dossier niet, althans niet met zekerheid kan worden vastgesteld: of er (1) gericht zou zijn geschoten, (2) vanaf welke afstand er zou zijn geschoten en of (3) er met (een levensbedreigende) hoogte er zou zijn geschoten, kan niet worden bewezen dat er in casu een aanmerkelijk kans bestond dat aangever zo mogelijk zou kunnen komen te overlijden.
Geen welbewuste aanvaarding van de kans dat de dood zou kunnen intreden
Zoals al eerder ter sprake is gekomen heeft cliënt verklaard dat hij vanuit een opwelling, impulsief, ingegeven door paniek en angst heeft geschoten. De verdediging meent derhalve dat onder die omstandigheden en als gevolg van genoemde gemoedsbeweging van een welbewuste aanvaarding van het mogelijke gevolg op het moment van schieten geen sprake is geweest.
Dit geldt evenzeer voor het als subsidiair ten laste gelegde feit, medeplegen poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel, nu op grond van het voorliggend dossier niet is vast te stellen waar [aangever] zich op het moment van schieten in de richting van de brandgang bevond. En naar de mening van de verdediging niet valt uit te sluiten dat [aangever] zich op dat moment zich al in de achtertuin van zijn moeder bevond.
Alles overziend verzoekt de verdediging uw Hof cliënt derhalve integraal vrij te spreken van feit 1 (primair en subsidiair) nu het voorliggend dossier geen, althans onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor voorbedachte raad en voor opzet in de zin van voorwaardelijke opzet.”
9. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 maart 2022 houdt verder in dat de raadsman in aanvulling op de inhoud van de pleitnota als volgt het woord heeft gevoerd:
“(na te noemen aanvullingen dienen te worden ingelezen op de plaats in de pleitnota waar de griffier met de hand de bij de betreffende aanvulling vermelde, corresponderende cijfers heeft geschreven)
1. Ik houd een andere volgorde aan: voorbedachte raad, opzet en noodweer(exces) al dan niet putatief.
2. Ter terechtzitting zijn de camerabeelden bekeken. Het hof en de verdediging hebben hun waarnemingen gedeeld. Op enig moment werd gesteld dat het erop lijkt dat er langzaam werd gereden. Die waarneming deel ik niet. Ik kan dat niet vaststellen.
De voorzitter interrumpeert de raadsman en deelt als volgt mede:
Ik heb gezegd dat de snelheid langzamer was dan daarvoor.
De raadsman voert het woord als volgt:
Ik deel die waarneming niet. Voor zover dat al zo zou zijn, is dat vermeende langzaam rijden niet redengevend voor het bestanddeel ‘voorbedachte raad’. Het kan verband houden met zoekend rondkijken naar de woning van de moeder van [aangever] .
De raadsman vervolgt zijn pleidooi volgens de inhoud van zijn pleitnota, vanaf het punt van de interruptie.
3. De voorzitter interrumpeert de raadsman en vraagt de raadsman of hij kan aangeven in hoeverre de verklaringen niet met elkaar stroken.
De raadsman voert het woord als volgt:
Het gaat om de volgorde van het vermeende handelen. Op welk moment door wie wat gedaan zou zijn.
De raadsman vervolgt zijn pleidooi volgens de inhoud van zijn pleitnota, vanaf het punt van de interruptie.
4. De oudste raadsheer interrumpeert de raadsman en deelt mede dat er een meting is gedaan van de straat tot aan de voorgevel en dat dit ongeveer 5,40 meter bedraagt en verwijst daarbij naar dia 1 van de PowerPoint.
De raadsman voert het woord als volgt:
Het betreft de afstand tussen de schutter en degene die vlucht.
De raadsman voert andermaal het woord als volgt:
De verklaring van mijn cliënt vindt steun in andere aspecten. Het staat vast dat [aangever] op dat moment in bezit was van een wapen. De moeder van [aangever] is onmiskenbaar goederen gaan oprapen. Het vermoeden van de recherche is dat het hulzen waren die zij heeft opgeraapt. Wat moet je anders daar oprapen?
Op de locatie zijn tijdens het onderzoek van de plaats delict geen kogelinslagen aangetroffen in de gevels van panden in die straat en dat geeft steun aan de stelling van mijn cliënt dat hij pas later een kogel heeft afgevuurd.
Mijn cliënt wist niet dat [aangever] op dat moment daar was.
Voor het overige persisteer ik.”