Conclusie
Inleiding
1. De verklaring verdachte [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 17 maart 2022, voor zover inhoudende:
Bewijsoverwegingen
De verklaring van de verdachte en het verweer van de verdediging
geenconflict met de boers [verdachte] had. (‘
Er wasnietecht sprake van een conflict waar wij elkaar voor uitweken of ontliepen”, p.v. verhoor d.d. 22 juni 2021, pag. 2)
eenrichtingswegbetreft; bron: Google maps) zijn zij op zoek gegaan naar de woning van de moeder van [aangever] . [2]
nietaf te leiden op welk moment client zou hebben geschoten. Nog sterker, naar de mening van de verdediging valt uit het beschikbare objectieve bewijs zelfs niet afleiden wie er die bewuste dag als eerste zou hebben geschoten.
geenkogelinslag(en) zijn aangetroffen. Evenmin is er op eerder genoemde locatie munitie en/of munitiedelen aangetroffen.
op en/of nabij de locatie waar [aangever] met een scooter (eerder) zijn straat kwam ingereden. (zie: de ‘stills’ op dossierpagina 211, 212 en 215). De verdediging acht het onder de zojuist geschetste omstandigheden, waaronder het gegeven, dat [aangever] reeds op dat moment in het bezit was van een vuurwapen, aannemelijk dat de moeder van [aangever] daar op dat moment hulzen heeft opgeraapt, hulzen afkomstig van het vuurwapen van haar zoon. Dat zij – zoals zij zelf beweert – tot tweemaal toe haar mobiele telefoon zou hebben opgeraapt is naar de mening van verdediging kennelijk leugenachtig en onbetrouwbaar, nu deze verklaring niet strookt met de hoeveelheid keren dat zij goederen heeft opgeraapt noch met het gegeven dat het telkens om goederen (meervoud(!) gaat en dus niet om een enkel voorwerp. Een mobiele telefoon zou bovendien zichtbaar zijn geweest op de beelden, terwijl nu niet is te zien wat zij daar precies aan goederen heeft opgeraapt, hetgeen des te aannemelijker maakt dat het naar alle waarschijnlijkheid diverse hulzen betrof.
vakeren zo mogelijk reeds op een eerder moment, mogelijk zelfs (vrijwel) direct bij/na het zien van [verdachte en medeverdachte] heeft geschoten. Nog sterker, eerder genoemde locatie(s) waar de moeder van [aangever] hoogstwaarschijnlijk hulzen heeft opgeraapt geeft steun aan de reële mogelijkheid dat [aangever] is begonnen met schieten. Het onderzoek op de PD alsmede de ‘stills’ sluiten deze mogelijkheid in ieder geval niet uit, nu de verdediging constateert dat de beeldkwaliteit nogal te wensen over laat en [aangever] vrijwel direct uit beeld, uit het zicht van de camera(s) verdwijnt. (zie: dossierpagina 205, onderaan, ‘still’ 17:02:52)
zevenpatronen passen. Nu [aangever] heeft verklaard dat hij dit wapen heeft aangeschaft in verband met een recente bedreiging en hij dit wapen om die reden voor zijn eigen veiligheid – NB: tijdens zijn aanhouding
doorgeladenbij – zich droeg, acht de verdediging het niet waarschijnlijk en zelfs ongeloofwaardig dat [aangever] zijn pistool maar met 2 patronen zou hebben geladen zoals hij in zijn verhoor bij de politie heeft verklaard. Genoemde argumenten, waaronder de maximale inhoud van het patroonmagazijn, bevestigen naar de mening van de verdediging de reële mogelijkheid dat [aangever] vaker (en al op een eerder moment zijn vuurwapen heeft gepakt en gebruikt) heeft geschoten.
wanneercliënt het besluit heeft genomen om te gaan schieten, althans niet kan worden vastgesteld dat cliënt reeds op een eerder moment dan hij stelt het besluit zou hebben genomen om te gaan schieten.
“niet kon vaststellen wanneer de verdachte in kwestie het besluit heeft genomen om te schieten en dus evenmin of er ruimte tot beraad bestond”
“Ik ga geen hulzen oprapen als die van [verdachte] (opmerking verdediging: bedoeld wordt [verdachte] ) zouden zijn, want dat is aan de politie. Dat isgunstigvoor mij en mijn zoon”. (dossierpagina 442). Deze opmerking is veelzeggend en nogal geraffineerd te noemen en sterkt de verdediging dan ook in de overtuiging dat de getuige direct na het schietincident de hulzen van haar zoon heeft opgeraapt. [3]
nietuit te sluiten dat de beschadiging zo mogelijk is veroorzaakt door een afgeketste kogel.
objectieveonderbouwing hiervan ontbreekt. In het rapport van het TFO wordt met geen woord gerept over de mogelijke afstand vanaf waar geschoten zou zijn.
Het eerste middel en de bespreking daarvan
eersteeen schot heeft gelost, dan wel ii), op het moment dat de auto aanreed, het vuurwapen al in zijn hand had achterop de scooter, de verdachte dit vanuit de auto heeft kunnen zien en als gevolg daarvan in paniek raakte en vervolgens handelde in een onmiddellijke gemoedsopwelling. Het oordeel van het hof dat een dergelijke lezing van de verdachte op grond van de voor het bewijs gebezigde camerabeelden en verklaringen van getuigen voor ongeloofwaardig kan worden gehouden, acht ik, bezien in het licht van de hiervoor vermelde vaststellingen, niet onbegrijpelijk.
NJ2014/156, m.nt. Keulen – vereist dat vast komt te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij die beoordeling gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezenverklaren van voorbedachte raad pleiten. Ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, is het redelijk aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.
Het tweede middel en de bespreking daarvan
Slotsom