Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
3.Procesverloop
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding en vooropstelling
Bpf Reisbranche/Booking.comdat het voor de hand lag om bij het naar objectieve maatstaven vaststellen van de betekenis van het begrip ‘bemiddelen’ in het verplichtstellingsbesluit voor het bedrijfstakpensioenfonds voor de reisbranche, nu daarin geen omschrijving van dit begrip was gegeven, acht te slaan op de betekenis van ‘bemiddeling’ in de art. 7:425 e.v. BW. [13]
De hoofdactiviteit van de onderneming is een andere dan beroepsgoederenvervoer over de weg, logistieke dienstverlening of de verhuur van mobiele kranen, wanneer in de regel niet meer dan 20% van de omzet met voornoemde activiteiten wordt verricht”). Zoals reeds opgemerkt, staat in cassatie echter als onbestreden vast dat Deliveroo niet valt onder deze uitzondering (rov. 3.13). Overigens valt ook niet in te zien dat het begrip ‘goederenvervoer’, zoals subonderdeel 1.1 onder (i) betoogt, volgens het spraakgebruik slechts betrekking zou hebben op gemotoriseerd vervoer (met een bepaalde omvang en vracht). De afgelopen jaren zijn veel (web)winkels, supermarkten en restaurants overgestapt op bezorging van hun producten per (vracht)fiets. Fietskoeriers zijn inmiddels niet meer uit het straatbeeld weg te denken. [18] Het hof heeft derhalve in rov. 3.14 terecht geoordeeld dat het begrip ‘goederenvervoer’ in het spraakgebruik in de loop van de afgelopen jaren aan verandering onderhevig is geweest en thans ook vele andere vormen van niet gemotoriseerd vervoer omvat, zoals vervoer per (bak)fiets en scooter.
dusbetrekking zou moeten hebben op niet-vergunningplichtig vervoer krachtens de Wwg. Dat blijkt niet uit deel II van de werkingssfeerbepaling, waarin in het geheel niet wordt gerefereerd aan de Wwg. Zoals het hof in rov. 3.19 terecht heeft overwogen, had – in het geval dat de sociale partners de bedoeling hadden om slechts vergunningplichtig en niet-vergunningplichtig vervoer krachtens de Wwg onder de werkingssfeer van de cao te brengen – eenvoudig kunnen worden volstaan met een verwijzing naar ‘al het vervoer krachtens de Wwg’ in de werkingssfeerbepaling en was opdeling van de bepaling in twee delen overbodig geweest. Dat er een ‘koppeling’ bestaat tussen de cao en de Wwg, in die zin dat op een aantal plaatsen in de cao wordt verwezen naar de Wwg (zoals in deel I van de werkingssfeerbepaling van artikel 2 lid 1 en Pro in de uitzonderingsbepaling van artikel 2 lid Pro 2), doet er niet aan af dat de werkingssfeer van de cao breder kan zijn dan alleen het beroepsvervoer waarop de Wwg van toepassing is. Nu in deel II van de werkingssfeerbepaling niet wordt verwezen naar de Wwg en geen specifieke begrippen worden gebruikt die voorkomen in de Wwg (zoals ‘beroepsvervoer’ en ‘eigen vervoer’), bestaat er geen aanleiding om voor de uitleg van deel II aansluiting te zoeken bij het begrippenkader uit de Wwg. [20]
Subonderdeel 2.2klaagt dat het oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, omdat het hof niet duidelijk maakt op grond waarvan moet worden aangenomen dat het begrip ‘goederenvervoer’ in normaal spraakgebruik in de afgelopen jaren aan verandering onderhevig is geweest en thans ook vele andere vormen van niet gemotoriseerd goederenvervoer omvat, niet duidelijk is in hoeverre deze veronderstelde omslag gold in de hier voorliggende avv-periodes (12 februari 2015-31 december 2016 en 17 augustus 2017-16 augustus 2019) en het hof niet inzichtelijk maakt in hoeverre het naar objectieve maatstaven kenbaar was dat de werkingssfeerbepaling in het verplichtstellingbesluit die ruimere betekenis heeft gekregen.
allewerknemers van ondernemingen die vallen onder de werkingssfeer van de cao, dus ook op werknemers met functies die niet expliciet zijn genoemd in de cao. Het bestaan van een aantal specifieke bepalingen in de cao die (slechts) betrekking hebben op chauffeurs van motorvoertuigen betekent dus niet, zoals het hof terecht heeft geoordeeld, dat de cao slechts betrekking kan hebben op gemotoriseerd vervoer. Niet gesteld is dat de cao geen (generieke) bepalingen bevat die (ook) betrekking zouden kunnen hebben op maaltijdbezorgers c.q. fietskoeriers. Het enkele feit dat in de werkingssfeerbepaling en in de overige bepalingen van de cao niet expliciet is verwezen naar ongemotoriseerd vervoer, betekent niet dat deze vorm van vervoer niet onder de werkingssfeer kan worden geschaard door middel van objectieve uitleg conform de cao-norm. Voor zover Deliveroo (wederom) betoogt dat voor algemeenverbindendverklaarde cao’s een strengere uitlegnorm zou moeten gelden, in die zin dat de werkingssfeerbepaling en de overige bewoordingen van de cao expliciete verwijzingen naar een bepaalde bedrijfsactiviteit zou moeten bevatten voordat kan worden geconcludeerd dat die bedrijfsactiviteit onder werkingssfeer valt, getuigt dit van een onjuiste rechtsopvatting. Zowel voor cao’s die algemeen verbindend zijn verklaard als voor cao’s die niet algemeen verbindend zijn verklaard geldt de cao-norm als uitlegmaatstaf (zie ook mijn bespreking van subonderdeel 1.3). Subonderdeel 3.1 faalt derhalve.
allewerknemers van ondernemingen die vallen onder de werkingssfeer van de cao, dus ook op de werknemers met functies die niet expliciet zijn genoemd in het functiehandboek.
subonderdeel 4.2faalt. Het in rov. 3.17 besloten liggende oordeel van het hof dat het ontbreken van de functie maaltijdbezorger in het functiehandboek niet meebrengt dat de werkingssfeer van de cao tot (gemotoriseerd) beroepsvervoer is beperkt, is een rechtsoordeel. Een rechtsoordeel kan niet succesvol met een motiveringsklacht worden bestreden.
subonderdeel 5.1) en twee motiveringsklachten (
subonderdeel 5.2 en 5.3) op tegen de verwerping door het hof van de (wets)systematische uitleg die Deliveroo heeft gegeven aan de werkingssfeerbepaling. Volgens die uitleg heeft deel I van de werkingssfeerbepaling betrekking op vergunningplichtig beroepsvervoer krachtens de Wwg en deel II op niet-vergunningsplichtig beroepsvervoer krachtens de Wwg.
subonderdeel 6.1borduurt voort op subonderdeel 5.1 en faalt om dezelfde redenen.
subonderdeel 6.2faalt, voor zover zij is gericht tegen het oordeel van het hof dat hetgeen objectief kenbaar is uit de cao-bepalingen onvoldoende aanwijzing bevat om te concluderen dat de werkingssfeerbepaling alleen ziet op beroepsvervoer krachtens de Wwg. Dit oordeel ziet op de uitleg van de werkingssfeerbepaling en betreft derhalve een rechtsoordeel.
three sides of the marketplacemet een veelheid aan diensten, waarbij maaltijdbezorging slechts één, niet onmisbaar, onderdeel is van dat bedrijfsmodel, terwijl het model er juist of gericht is het aantal bestellingen op het platform te vergroten (niet om zoveel mogelijk te bezorgen) en het grootste deel van haar werknemers op kantoor in Amsterdam zich bezig houdt met marketing, accountmanagement en business development. [25]
Deliveroo betoogt dat haar kernactiviteit is gelegen in het exploiteren van een platform waarmee diensten worden geleverd aan restaurants, riders en consumenten, hetgeen zij aanduidt als “three-sided marketplace”. Haar verdienmodel is met name gelegen in de exploitatie van het platform, en niet in de maaltijdbezorging, aldus Deliveroo”). Het hof heeft vervolgens dit betoog beoordeeld en gemotiveerd verworpen, omdat – nog afgezien van het feit dat ‘bezorging’ als kernactiviteit in de naam van Deliveroo zit – meer dan de helft van de kosten direct voortkomt uit kosten die samenhangen met de bezorgdienst, een groot deel van de activa en de voorraden hiervoor bestemd is en Deliveroo in Nederland vrijwel geen ICT’ers in dienst heeft en – ten opzichte van de omvang van haar bezorgactiviteiten – slechts een beperkt aantal werknemers in een kantoorfunctie. Deze motivering van het hof, die in cassatie op zichzelf niet wordt bestreden, kan het oordeel van het hof dragen dat bezorgen van maaltijden wel degelijk de kernactiviteit van Deliveroo vormt.
diebedoeling steunende betoog van Deliveroo, dat de uitleg die FNV geeft aan de werkingssfeerbepaling leidt tot onaannemelijk rechtsgevolgen. De cao-norm heeft immers (mede) tot doel te voorkomen dat een niet-kenbare partijbedoeling kan worden tegengeworpen aan werkgevers en werknemers die niet bij de totstandkoming van de werkingssfeerbepaling betrokken waren (zie hiervoor onder 4.6).
subonderdeel 8.3, waarin betoogd wordt dat de eis van objectieve kenbaarheid weliswaar geldt voor de partijbedoeling waarmee de rechter bij zijn uitleg conform de cao-norm rekening kan houden, maar niet voor de vraag naar de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.
subonderdeel 8.2en
subonderdeel 8.3treffen evenmin doel. Uit mijn bespreking van subonderdeel 8.1 volgt dat de overweging van het hof in rov. 3.25 dat de representativiteitsgegevens die in de avv-procedure zijn aangeleverd niet objectief kenbaar waren voor derden een afdoende motivering vormt van de verwerping van het betoog van Deliveroo.
12. Representativiteit
SZW). De voorwaarde voor het algemeen verbindend verklaren van een cao is dat de cao moet gelden voor een naar het oordeel van de Minister belangrijke meerderheid van in de bedrijfstak werkzame aantal personen (art. 2 lid 1 AVV Pro). Op grond van art. 4.1. toetsingskader AVV is sprake van een belangrijke meerderheid bij 60 procent of meer, is een meerderheid tussen 55 procent en 60 procent voldoende tenzij het draagvlak voor de cao gering is of er een zeer scheve verdeling van de meerderheid bestaat, en wordt bij een meerderheid van minder dan 55 procent de cao niet AVV verklaard tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
Productie 66 / representativiteitsgegevens 2010), in 2014 72 procent (
Productie 67 / representativiteitsgegevens 2014) en in 2018 68 procent (
Productie 68 / Representativiteitsgegevens 2018).
63. Producties 66 tot en met 68zijn representativiteitsgegevens van respectievelijk 2010, 2014 en 2018.
willenaantonen dat de avv-besluiten zonder de vereiste representativiteit zijn genomen.
vaststaatdat de representativiteit voor de in deze zaak relevante avv-besluiten zou zijn gezakt onder de 60%. FNV heeft de door Deliveroo naar voren gebrachte cijfers en uitgangspunten gemotiveerd betwist. Voorts heeft Deliveroo ter onderbouwing van het door haar genoemde percentage van 57,8 verwezen naar representativiteitsgegevens uit het formulier representativiteitsgegevens 2018 (productie 68 Deliveroo). [36] Het eigen onderzoek van Deliveroo naar het aantal werknemers in de sectoren maaltijdbezorging en kleinschalige bezorging per fiets is gebaseerd op cijfers uit 2019 (zie productie 77 Deliveroo). Deze gegevens dateren van ná de in deze zaak relevante avv-besluiten van 6 februari 2015 en 14 augustus 2017 en zijn in deze procedure derhalve niet van belang. Alleen al daarom kan het betoog van Deliveroo over gebrek aan representativiteit niet worden onderschreven. Daar komt bij dat de beoordeling of sprake is van een zeer scheve verdeling van de meerderheid binnen een werkingssfeergebied, als bedoeld in par. 4.1 Toetsingskader AVV, behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de minister (zie hiervoor onder 4.68). [37] Om die reden kan niet zonder meer worden aangenomen dat de minister niet tot algemeenverbindendverklaring had kunnen overgaan indien sprake was van een representativiteitsgraad van 57,8% vanwege het niet meetellen van de werknemers van bedrijven in de deelsectoren maaltijdbezorging en kleinschalige bezorging per fiets.