De zaak betreft een prejudiciële vraag over de uitleg van de cao Jeugdzorg omtrent de toepasselijkheid van twee wachtgeldregelingen bij ontslag van werknemers wegens reorganisatie. De reorganisatie volgde op de stelselwijziging in de jeugdzorg per 1 januari 2015, waarbij de Jeugdwet en Wmo 2015 werden ingevoerd en de verantwoordelijkheid voor jeugdzorg naar gemeenten werd overgeheveld.
De werknemers werden ontslagen vanwege deze reorganisatie, ingegeven door de stelselwijziging en een door het Rijk opgelegde taakstelling/budgetkorting van 15% over 2015-2017. De vraag was of deze taakstelling een bezuinigings- en/of saneringsmaatregel was die door de ministeries van VWS en/of V&J was opgelegd in de zin van de cao, waardoor de gunstigere wachtgeldregeling I van toepassing zou zijn.
De Hoge Raad oordeelde dat de stelselwijziging gepaard ging met een onmiskenbare bezuinigingsdoelstelling en dat de taakstelling/budgetkorting neerkwam op een door het Rijk opgelegde bezuinigingsmaatregel. De verwijzing in de cao naar maatregelen van genoemde ministeries moet worden begrepen als een aanduiding van rijksmaatregelen. De stelselwijziging en bezuiniging vallen dus onder de cao-bepalingen die de gunstigere wachtgeldregeling I activeren.
De Hoge Raad besloot daarom dat de invoering van de Jeugdwet en Wmo 2015, inclusief de taakstelling, als een door de ministeries opgelegde bezuinigingsmaatregel moet worden beschouwd. De kosten van de procedure werden gelijk verdeeld tussen partijen.