Conclusie
Inleiding
Het eerste middel en de bespreking daarvan
aangifted.d. 5 januari 2018 van de politie-eenheid Den Haag met nr. PL1500-2018004816-1. Dit proces-verbaal houdt als de op 5 januari 2018 afgelegde verklaring van
[slachtoffer]onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 7 e.v.):
aangifted.d. 4 mei 2018 van de politie-eenheid Den Haag met nr. PL1500-2018004816-4. Dit proces-verbaal houdt als de op 4 mei 2018 afgelegde verklaring van
[slachtoffer]onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 102 e.v.):
verhoor verdachted.d. 7 juni 2018 van de politie-eenheid Den Haag met nr. PL1500-2018004816-9. Dit proces-verbaal houdt als de op 7 juni 2018 afgelegde verklaring van [verdachte] onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 116 e.v.):
(see Attached screenshots!)And I have more!!!! Even one with his sex friend [betrokkene 4] where he sent her a picture of his dick and she sent him a picture of her vagina!
[slachtoffer] < [e-mailadres 1] @gmail.com>
TweetsTweets en antwoorden
NJ2019/253, m.nt. Vellinga (het betrof een ‘OM-cassatie’) volgt dat met ‘een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding’ in art. 266 Sr Pro is bedoeld een geschrift dat of een afbeelding die aan de beledigde persoon is toegezonden of aangeboden. Daarvan kan onder bepaalde omstandigheden ook sprake zijn wanneer het bericht de beledigde persoon niet rechtstreeks, maar via een derde bereikt. Zo een geval deed zich in dat arrest voor. De Hoge Raad achtte het kennelijke oordeel van het hof dat geen sprake was van toezending aan de beledigde persoon zonder nadere uitleg niet begrijpelijk, nu het hof had vastgesteld dat de verdachte brieven over de beledigde persoon (een politieambtenaar) had gericht aan zijn gezagsdrager, de (loco)burgemeester van Amstelveen of diens opvolgers, en dat erop kon worden gerekend dat de beledigde persoon van de inhoud van deze brieven op de hoogte zou raken, hetgeen ook daadwerkelijk was gebeurd. In het arrest van HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1681,
NJ2020/416 lag dat anders. In die zaak had de verdachte een bericht over de beledigde persoon gestuurd aan een derde, nadat die derde had verzocht om informatie over de beledigde persoon, en had de verdachte daarbij te kennen gegeven dat deze derde de informatie voor zich moest houden. Onder die omstandigheden was het oordeel van het hof dat de berichten door de verdachte waren ‘toegezonden of aangeboden’ aan de beledigde persoon niet zonder meer begrijpelijk, aldus de Hoge Raad.
nietgeoordeeld dat de verdachte deze belediging heeft gedaan door toezending of aanbieding van een geschrift (hierboven ad iii). In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
Het tweede middel en de bespreking daarvan
gross religious sex pervert". Dat is een omschrijving die niemand zichzelf zou geven. Zeker als vervolgens het profiel zelf wordt bekeken, of de inhoud van de blog, wordt al snel duidelijk dat het hier om een persiflering van aangever [slachtoffer] gaat.
Stb. 2014, 125), na een daartoe strekkend amendement van het Kamerlid Dijkhoff c.s. De toelichting bij dat amendement luidt:
Cour d’Appel de Parisvan 13 april 2016. Deze zaak kent nogal wat overeenkomsten met de voorliggende zaak. De verdachte had namelijk, nadat haar kortdurende relatie met het slachtoffer was uitgegaan, hem en bekenden van hem (waaronder zijn moeder) bestookt met allerlei beledigende opmerkingen over hem. Ook had zij verschillende nepprofielen aangemaakt op Facebook, waarbij zij zich voordeed zowel als het slachtoffer zelf, alsook als bekenden van hem, en vervolgens allerlei beledigende berichten geplaatst. Het Cour d’Appel bevestigde de veroordeling die in eerste aanleg was uitgesproken. [15]
Cour de Cassation. In die zaak had de verdachte een officiële website van een publiek figuur, Rachida Dati, nagemaakt en daarbij dezelfde foto’s en vergelijkbare grafische vormgeving gebruikt. Op die website werden vervolgens voor de betrokkene valse en beledigende berichten geplaatst. De Franse cassatierechter bevestigde dat de verdachte zich hiermee de identiteit van een derde had toegeëigend en met de intentie had gehandeld de rust van het slachtoffer te verstoren, dan wel haar eer te schaden. De omstandigheid dat de website niet geheel overeenkwam met de officiële website maakte dat niet anders. [18]
Tribunal de Grande Instance de Paris. De verdachte was ontevreden over de diensten van een beheerder en had vervolgens een nepwebsite gemaakt uit naam van die persoon, met daarboven de titel “[naam van de beheerder]
, syndic le plus cher et le moins bon de Neuilly sur Seine et Reims” (“de duurste en slechtste beheerder van Neuilly sur Seine en Reims”). De verdachte werd echter vrijgesproken, omdat hij de website, naar het oordeel van het Tribunal, louter had gemaakt met de bedoeling de beheerder te bekritiseren, en niet met de intentie zich als hem voor te doen, terwijl het ook voor derden onmiddellijk duidelijk moet zijn geweest dat deze website niet daadwerkelijk aan die beheerder toebehoorde en enkel als kritiek bedoeld was. [19] Een maand later kwam het
Tribunal de Grande Instance de Parismet een vergelijkbare beslissing in een zaak waarin de verdachte het e-mailadres “emmanuel.macron.enmarche@gmail.com” had aangemaakt en daarmee vervolgens e-mails had verstuurd met daarin “10 bonnes raisons de ne pas voter pour moi” (“tien goede redenen om niet op mij te stemmen”), ondertekend met “Emmanuel”. Volgens de rechters ging het hier duidelijk om een parodiemail en was dat voor de lezers van het bericht ook onmiskenbaar duidelijk. Ook in deze zaak werd de verdachte vrijgesproken. [20]
Tribunal de Grande Instance de Parisin overeenstemming is met de bedoeling van de Franse wetgever, is een vraag die door de
Cour d’Appel de Parisontkennend is beantwoord, zo meen ik te kunnen afleiden uit een arrest van 11 april 2019 van dit Hof, waarin de verdachte het bedrijf waar hij werkzaam was geweest via een YouTube-kanaal en een blog uit naam van zijn voormalige werkgever in een kwaad daglicht stelde. In eerste aanleg waren de rechters tot een vrijspraak gekomen op soortgelijke gronden als de hiervoor beschreven uitspraken van het
Tribunal de Grande Instance de Paris: omdat sprake zou zijn van het parodiëren en bekritiseren van het bedrijf, en het er de verdachte niet om ging derden te doen geloven dat ze daadwerkelijk met dit bedrijf te maken hadden. Het
Cour d’Appel de Parisveegde deze vrijspraak echter van tafel. Zijn oordeel in die zaak luidt dat uit de tekst van art. 226-4-1 CP volgt dat deze bepaling niet alleen ‘het zich voordoen als een derde’ strafbaar stelt, maar ook ‘het gebruik van identificerende persoonsgegevens van een derde’, en dat het tenlastegelegde onder deze laatste noemer kan worden geschaard. [21] Een dergelijke lezing van art. 226-4-1 CP, waarin niet zozeer het zich voordoen als een ander en het aldus misleiden van derden de kern vormt, maar juist de intentie van de verdachte om degene wiens identificerende persoonsgegevens worden gebruikt te benadelen, is voor zover ik heb kunnen nagaan in lijn met de bedoeling van de Franse wetgever, alsook met het hiervoor beschreven arrest van de
Cour de Cassation. [22]
Nickname.
misbruikenvan iemand anders identiteit als zodanig wordt in de toelichting niet nader gedefinieerd. Wel worden enkele voorbeelden van identiteitsmisbruik geschetst, zoals het in naam van een ander uitspraken doen op sociale media en het daarmee belasteren van die persoon. Een eis dat het identiteitsmisbruik dusdanig geloofwaardig moet zijn dat derden in de overtuiging verkeren dat zij daadwerkelijk te maken hebben met degene wiens identiteit wordt misbruikt, kan ik in de toelichting niet ontwaren. Het zwaartepunt lijkt ook hier met name juist te liggen in de intentie van de verdachte. Strafrechtelijke aansprakelijkheid op grond van deze bepaling treedt namelijk enkel in als de verdachte heeft gehandeld met de bedoeling om de ander te benadelen of om enig voordeel te behalen. [26] Zodanig nadeel kan bijvoorbeeld bestaan uit reputatieschade, en zelfs uit het veroorzaken van grote woede bij degene wiens identiteit wordt misbruikt. Het gebruik van de identiteit van een ander louter uit vermetelheid of als grap valt in de zienswijze van de Zwitserse wetgever nadrukkelijk niet onder de strafbaarstelling.
NJ2020/53, m.nt. Reijntjes [27] – meegewogen dat onder de reikwijdte van art. 231b Sr tevens de situatie valt waarin iemand op naam van een ander en zonder diens instemming een account heeft aangemaakt, en die ander op dat account in een kwaad daglicht stelt waardoor die ander reputatieschade lijdt. Het hof is vervolgens tot bewezenverklaring hiervan gekomen, dat de verdachte opzettelijk de bedoelde identificerende persoonsgegevens van de aangever heeft gebruikt met het oogmerk om haar identiteit te verhelen en de identiteit van de aangever te misbruiken, waardoor enig nadeel voor de aangever kon ontstaan.
Slotsom