Conclusie
de factolanger van zijn (verbeterd gelezen) vrijheid wordt beroofd dan voorzienbaar was ten tijde van het begaan van de feiten.
“11. Beslag
BESLISSING
- een jammer (4731187)”
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die door het gerechtshof Amsterdam is veroordeeld tot vijftien jaar en drie maanden gevangenisstraf voor meermalen gepleegde doodslag. De Hoge Raad heeft in cassatie geoordeeld over drie middelen: het eerste middel klaagde over de toepassing van de gewijzigde regeling voorwaardelijke invrijheidstelling (VI-regeling), het tweede middel betrof de onttrekking aan het verkeer van een in beslag genomen jammer, en het derde middel ging over de overschrijding van de inzendtermijn in cassatie.
Het eerste middel werd verworpen omdat de Hoge Raad oordeelde dat de VI-regeling een executiekwestie betreft en geen wijziging in strafbaarstelling of strafbedreiging, waardoor toepassing ervan niet in strijd is met het legaliteitsbeginsel zoals vervat in artikel 7 EVRM Pro en artikel 15 IVBPR Pro. Het hof had bovendien terecht geoordeeld dat er geen omstandigheden waren om rekening te houden met de gewijzigde VI-regeling bij de strafoplegging.
Het tweede middel slaagde omdat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de jammer, een stoorzender die mobiel telefoon- en internetverkeer lokaal kan verstoren, onttrokken moest worden aan het verkeer op grond van artikel 36d Sr. Het hof had niet duidelijk gemaakt hoe de jammer kon dienen tot het plegen of voorbereiden van soortgelijke feiten als de doodslag waarvoor de verdachte was veroordeeld. De Hoge Raad vernietigde daarom dit deel van het arrest.
Het derde middel slaagde eveneens omdat de inzendtermijn van zes maanden voor cassatie was overschreden en bovendien de redelijke termijn van zestien maanden voor uitspraak in cassatie waarschijnlijk werd overschreden. Dit leidde tot een strafvermindering. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof gedeeltelijk, beperkte zich tot het bevel tot onttrekking van de jammer en de strafoplegging, en verwierp het beroep voor het overige.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het bevel tot onttrekking van de jammer en vermindert de gevangenisstraf wegens overschrijding van de redelijke termijn, terwijl het beroep voor het overige wordt verworpen.