ECLI:NL:PHR:2023:1092

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 december 2023
Publicatiedatum
28 november 2023
Zaaknummer
22/02767
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 SvArt. 361 lid 4 SvArt. 81 lid 1 ROArt. 6:106 lid 1 sub b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling mishandeling kind, seksueel misbruik en bezit kinderporno

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot 27 maanden gevangenisstraf wegens mishandeling van zijn kind, seksueel binnendringen bij een meisje onder twaalf jaar en bezit van kinderporno. Tevens werd onttrekking van een computer bevolen en een schadevergoeding van € 2.500 aan de benadeelde partij toegewezen.

In het cassatieberoep stelde de verdediging meerdere middelen aan de orde, waaronder motiveringsklachten over de bewezenverklaring van mishandeling en seksueel misbruik, en over de motivering van de schadevergoeding. De Hoge Raad behandelde deze klachten en concludeerde dat het hof de verklaringen van getuigen en slachtoffers terecht als betrouwbaar en geloofwaardig heeft beoordeeld, ook al waren sommige verklaringen wisselend of beïnvloed door derden.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende steunbewijs vond voor het seksueel binnendringen en dat de toegewezen immateriële schadevergoeding passend is gelet op de aard en ernst van het misdrijf en vergelijkbare jurisprudentie. De klachten over de motivering van de bewezenverklaringen en de schadevergoeding faalden, en het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof Den Haag bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02767
Zitting12 december 2023
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1 De verdachte is bij arrest van 12 juli 2022 door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van 27 maanden, met aftrek van voorarrest, wegens 1. en 2. "mishandeling, begaan tegen zijn kind", 6. primair “met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam” en 7. “een gegevensdrager bevattende afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit hebben”. Het hof heeft daarnaast de onttrekking aan het verkeer bevolen van een computer, een vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 2.500,00 en een schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van dat bedrag opgelegd. Daarbij heeft het hof de duur van de gijzeling op ten hoogste 35 dagen bepaald.
1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
1.3 Het eerste middel bevat een motiveringsklacht over het onder 2 bewezenverklaarde. Het tweede middel heeft betrekking op het onder 6 bewezenverklaarde feit en komt op tegen de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Het derde middel bevat een klacht over de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en het vierde middel komt met een motiveringsklacht op tegen het onder 7 bewezenverklaarde feit.
Het eerste middel
2.1 Het eerste middel bevat de klacht dat het onder 2 bewezenverklaarde niet begrijpelijk is gemotiveerd, althans dat de verwerping van het tot vrijspraak strekkende verweer niet begrijpelijk is gemotiveerd.
2.2 Voordat ik het middel bespreek, geef ik eerst de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen, delen van de pleitnota en de bewijsoverwegingen die op dit feit betrekking hebben weer.
Bewezenverklaring, bewijsmiddelen, delen van de pleitnota en bewijsoverweging
2.3 Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 2 maart 2012 tot en met 24 oktober 2016 te [plaats] zijn kind, [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum] 2012), heeft mishandeld door deze meermalen, telkens met kracht in/op/tegen het lichaam te slaan en te schoppen en te knijpen;”
2.4 De bewezenverklaring steunt op de volgende in de bijlage bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen:

Feit 1 en 2:
1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 13 februari 2017 van de politie Eenheid Rotterdam (…) met de bijbehorende bijlagen. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
als de op 13 februari 2017 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :
Ik doe aangifte namens [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2012, van huiselijk geweld gepleegd aan de [a-straat] te [plaats]
m(
het hof begrijpt, gelet op hetgeen is vermeld op pagina 5 van het relaas en gelet op de geboortedatum van [slachtoffer 1] : in de periode van [geboortedatum] 2012 tot 24 oktober 2016).
V: Wat is je functie en ben je gerechtigd tot het doen van aangifte namens de benadeelde?
A: Ik ben werkzaam in de functie van Jeugdbeschermer bij Jeugdbescherming [plaats] Rijnmond, in deze hoedanigheid ben ik gerechtigd tot het doen van aangifte namens de benadeelde. Ik ben jeugdbeschermer van twee minderjarige kinderen genaamd:
[slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 2007 en
[slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2012.
De vader van het meisje is genaamd: [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1969. Hij woont aan de [a-straat] te [plaats] .
Het [gezin] woont aan de [a-straat] in [plaats] .
Na de uithuisplaatsing van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] verblijven zij sinds 24 oktober 2016 bij een pleeggezin op een geheim adres.
[slachtoffer 1] heeft 11 november 2016 voor het eerst verteld tegen haar pleegmoeder over dingen tuis. Ik kreeg op die datum te horen dat zij tegen haar pleegmoeder had gezegd: "Papa knijpt mij tussen mijn billen, ik vind het niet leuk". Verder had zij verteld dat het gebeurd was bij het aantrekken van haar pyjama in de badkamer en dat dat knijpen ook op de bank in de woonkamer was gebeurd.
Op 24 november (
het hof begrijpt: 2016) vertelde [slachtoffer 1] nog een keer over dat knijpen in haar billen en zei ze ook dat papa dat doet als papa haar lief vindt.
Op 1 december 2016 ben ik samen met de pleegmoeder met [slachtoffer 1] op het Goofy spreekuur in het Sophia kinderziekenhuis van het EMC geweest. [slachtoffer 2] is daar ook geweest. Vlak voor het Goofy spreekuur heeft hij vader aan de telefoon gehad en heeft vader gezegd dat als ze naar zijn arm vragen hij moet zeggen dat hij gevallen is, dat alles dan goed zou komen. Na het telefoongesprek is [slachtoffer 2] heel erg gaan huilen en heeft hij tegen pleegmoeder gezegd dat hij bij het Goofy spreekuur toch de waarheid moest zeggen.
Uiteindelijk kregen we de uitspraak van het Goofy spreekuur en werd er geconcludeerd dat er sterke aanwijzingen waren voor huiselijk geweld. Er is lichamelijk onderzoek geweest en er is gesproken met de kinderen.
Bij het gesprek (
het hof begrijpt uit de context dat dit over [slachtoffer 1] gaat) met de psycholoog viel op dat de vader niet genoemd werd als gezinslid en dat papa haar pijn doet in haar billen en zei (
het hof begrijpt: zij) het niet meer leuk vindt. Ze wijst hierbij haar benen, heupen en billen aan. Op de vraag wat zij niet leuk vindt zegt ze: ik vind het niet leuk dat papa mij gaat slaan en mij knijpt in mijn billen.
Het broertje van [slachtoffer 1] , de 9-jarige [slachtoffer 2] , heeft tegen de pleegmoeder gezegd dat hij getuige zou zijn geweest. Hij heeft namelijk gezegd: "Mijn vader slaat, knijpt en schopt en piekt en slaat met takjes." Dit heeft hij ook gezegd tijdens het Goofy spreekuur. [slachtoffer 2] heeft ook gezegd tegen de pleegmoeder dat hij gezien heeft dat zijn zus en zijn moeder mishandeld werden.
Ik weet ook dat [slachtoffer 2] iets gezegd heeft over het knijpen van zijn zus, dat hij dat heeft gezien.
2. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 24 februari 2017 van de politie Eenheid Rotterdam (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
als de op 24 februari 2017 afgelegde verklaring van [betrokkene 2] :
V: Wie bent u?
A: Ik ben getrouwd en heb een eigen dochter van vier jaar, een pleegkind van zeven jaar en dan nu twee andere pleegkinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Hij heeft de achternaam van zijn vader [verdachte] .
V: We willen u vandaag horen als getuige in verband met een meisje welke bij u is geplaatst, genaamd [slachtoffer 1] .
V: Sinds wanneer is zij bij u?
A: 24 oktober 2016.
V: De aangifte gaat over mogelijk huiselijk geweld. Wat kan u daarover vertellen?
A: De eerste keer was op 9 november 2016, dat was eigenlijk naar aanleiding van een gesprek met de Raad van de Kinderbescherming. In het gesprek gaf [slachtoffer 2] aan: "papa deed mij pijn, hij deed mij schoppen en pieken in mijn nek." Na het gesprek sprak ik erover met [slachtoffer 2] hoe hij vond dat het gesprek met de Raad gegaan was. [slachtoffer 1] kwam erbij staan. Ik vroeg haar hoe ze het gesprek vond. Ze zei: "papa mag mij niet meer slaan en papa mag niet meer in mijn billen knijpen". Ik vroeg haar wat ze bedoelde. Ze kroop bij mij op schoot. Ik vroeg haar wat ze nou bedoelde. Ze zei: "hij kneep mij in mijn billen". Ik vroeg aan haar wanneer papa dat deed. Ze vertelde: "als hij mijn pyjama aan doet".
Op 11 november (
het hof begrijpt: 2016) vertelde [slachtoffer 2] dat hij geslagen werd. Ik vroeg hem hoe hij werd geslagen. Hij vertelde dat hij werd geslagen met een stok. Hij heeft deze stok getekend. Op de tekening zie je bovenop een soort kroontje, daar bedoelt hij een touw mee. Daaronder zie je een soort roe van zwarte piet. Hij vertelde dat hij dan naar het balkon moest, want dan kon hij niet weglopen voor papa. Hij vertelde dat hij op zijn rug werd geslagen. Hij vertelde ook dat [slachtoffer 1] werd geslagen.
[slachtoffer 1] vertelde weer over het billenknijpen. Ik vroeg haar of ze naar boven wilde gaan om even rustig te praten. We zaten op de bank en de andere meisjes zaten er ook bij. We zijn naar boven gegaan naar de slaapkamer van mijn oudste pleegdochter. Daar zei ze tegen mij: "papa knijpt in mijn billen en dat doet pijn". Ik vroeg haar waar mama was toen dat gebeurde. Ze vertelde dat mama aan het douchen was. Ik vroeg haar waar zij dan was en [slachtoffer 2] . Ze vertelde dat ze allebei op de bank in de woonkamer zaten.
V: Hebben we nu alles?
A: Ja een mattenklopper. We waren in de supermarkt en hij zag een mattenklopper en hij verstijfde compleet. Ik zei dat winkels dat gewoon verkopen. [slachtoffer 2] vertelde dat hij dat thuis ook had. Ik vroeg hem of mama dan de kleden ermee uitklopte waarop hij antwoordde: "nee, daar slaat papa mij mee".
3. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 14 augustus 2017 van de politie Eenheid Rotterdam (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
als de op 14 augustus 2017 afgelegde verklaring van [betrokkene 3] :
Wanneer zijn ze bij u komen wonen?
Vrijdag 21 april 2017 zijn ze bij ons komen wonen.
Waarom kwamen ze bij u?
Ze zaten in een crisisgezin met zijn tweetjes vanaf oktober 2016 tot april 2017.
Wat was het eerste moment dat er wat verteld werd over mishandelingen door de kinderen?
Dat was al vrij snel in de 2e of 3e week tijdens het eten in de middag. [slachtoffer 2] vertelde uit zichzelf ineens waarom hij niet meer thuis kon wonen. [slachtoffer 2] vertelde in woorden van gelijke strekking: "Wij kunnen niet meer thuis wonen, want pappa slaat ons. Wij kunnen pas naar huis als pappa geleerd heeft dat hij ons niet meer slaat".
Wat vertelde hij nog meer?
[slachtoffer 2] vertelde dat hij vaak werd geslagen met een stok als hij stout was. Hij vertelde dat hij werd geslagen op zijn rug en vertelde ook dat hij op zijn bovenbenen en schenen werd geslagen en dat dat het meeste pijn deed. Hij wees daarbij ook zijn rug aan en zijn benen.
Wat vertelde hij over de stok?
Wij hebben een soort heksenbezem in de tuin staan en [slachtoffer 2] vertelde tegen mij dat de stok er ongeveer hetzelfde uit zag als die stok. De stok was iets kleiner en een soort bamboe met een soort takjes eraan. Deze stok zou altijd onder het bed bij papa en mama liggen.
Hoe ging dat slaan dan?
[slachtoffer 2] vertelde dat hij zich probeerde te verstoppen en dat het heel erg pijn deed en dat het heel hard ging. [slachtoffer 2] vertelde ook dat zijn vader altijd tegen hem zei dat [slachtoffer 2] zo klein en mager bleef omdat papa hem vaak moest slaan. Tevens vertelde hij dat hij niet wist dat papa's en mama's niet mochten slaan.
Hoe vaak gebeurde de mishandelingen?
Ik vroeg in gesprekken in woorden van gelijke strekking: "Gebeurde het vaak, was het 1 keer in de week?" [slachtoffer 2] zei dan nee, het gebeurde wel elke dag.
[slachtoffer 2] vertelde over de stok, maar is er dan ook over andere dingen gesproken?
Wat mij opviel is dat [slachtoffer 2] ook heel veel vertelde over een soort vechtspelletjes die zijn vader met [slachtoffer 2] deed. Vader oefende met karatetrappen op [slachtoffer 2] en hij mocht ook terug trappen maar zei dan ook dat hij het niet kon. Dit deed heel erg pijn en de trappen waren tegen zijn zijde en tegen zijn rug. Hier vertelt [slachtoffer 2] nog heel vaak over en hij was er ook heel erg bang voor. [slachtoffer 2] deed het weleens voor en dan zag ik dat hij trappende bewegingen maakte. Ook werd er met stokken geoefend tegen elkaar en vader raakte [slachtoffer 2] dan echt en [slachtoffer 2] is toen het balkon op gevlucht en vader had toen de balkondeur op slot gedaan en moest [slachtoffer 2] daar een hele tijd blijven. [slachtoffer 2] vertelde dat vader de vechtspelletjes over het algemeen alleen met hem deed. 1 keer deed vader het waar [slachtoffer 1] bij was. Hij vertelde dat vader [slachtoffer 1] door de lucht heen zwaaide en dat [slachtoffer 1] daarbij liet vallen waardoor ze keihard met haar hoofd op het hout van de bank terecht was gekomen. [slachtoffer 2] was hier erg van geschrokken en vond dit heel erg.
Wat heeft [slachtoffer 1] verteld over mishandelingen?
Zij vertelde in dezelfde bewoordingen dat ze niet naar huis kon zolang vader nog niet geleerd had om niet te slaan. [slachtoffer 1] vertelde tegen mij dat ze ook gezien heeft dat [slachtoffer 2] werd geslagen door vader.
4. Een proces-verbaal van verhoor getuige in kindvriendelijke studio d.d. 23 maart 2017 van de politie Eenheid Rotterdam (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
als de op 17 maart 2017 afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] :
Op de vraag of [slachtoffer 2] weet waar hij over komt vragen, antwoordt hij dat hij dat niet weet. [slachtoffer 2] verklaart dat het over iets niet leuks gaat, dat hij het spannend vindt, dat het over iemand anders gaat en dat het over papa gaat. Op de vraag om daar alles over te vertellen, verklaart [slachtoffer 2] dat papa slaat.
V: Kan je daar nog meer over vertellen?
[slachtoffer 2] : Niet zo veel. O ja, gooit altijd in balkon en met stok slaan. Deur op slot en [slachtoffer 1] ook en slaat ook met z'n handen en z'n voeten. Ook pieken en knijpen, [slachtoffer 1] en ik.
V: Het slaan door papa is dat één keer of vaker?
[slachtoffer 2] : Vaker.
V: Hoe vaak?
[slachtoffer 2] : Veel meer.
V: Waar?
[slachtoffer 2] : Thuis.
V: Waar thuis?
[slachtoffer 2] : Bij mij eigen huis.
V: Was dat dan in de badkamer, woonkamer of slaapkamer of ergens anders?
[slachtoffer 2] : Allebei. Bij de badkamer, de woonkamer en de slaapkamer.
V: Wat gebeurde er in de badkamer?
[slachtoffer 2] : Pieken, schoppen en slaan. En ook .... Ja, pieken en slaan.
V: Wat bedoel je met pieken?
O: Getuige klemt de wijsvinger van zijn rechterhand achter de duim van zijn rechterhand en laat deze schieten alsof hij bijvoorbeeld een knikker wegschiet met zijn vinger.
V Wie deed dat dan dat pieken?
[slachtoffer 2] : Papa.
V: Waar deed papa dat pieken dan?
[slachtoffer 2] : In de badkamer, de woonkamer en de slaapkamer.
V: Waar kwam dan de vinger als hij dat pieken deed?
[slachtoffer 2] : Mijn rug.
V: Waarmee deed papa schoppen?
[slachtoffer 2] : Als ik vervelend doet.
V: Wat deed je dan vervelend?
[slachtoffer 2] : Dat ik niet eh hele tijd tv kijken.
V: Als jou papa jou dan in de badkamer schopte, waar schopte hij dan?
[slachtoffer 2] : Mijn billen.
V: Met wat deed jouw vader dat schoppen?.
[slachtoffer 2] : Ik moet opschieten met douchen.
V: Deed hij dat dan met zijn bovenbeen, zijn knieën, zijn schenen of...
[slachtoffer 2] : Met zijn voeten.
V: Hoe ging dat slaan in de badkamer?
[slachtoffer 2] : In mijn gezicht.
V:.Waarmee sloeg papa dan?
[slachtoffer 2] : Met zijn handen.
V: Kun je dat laten zien, kun je dat voordoen?
O [slachtoffer 2] legt zijn vlakke linkerhand tegen de linkerzijde van zijn gezicht.
V: Met welke hand sloeg jouw vader jou dan?
[slachtoffer 2] : Met zijn rechterhand.
V: Sloeg jouw vader met zijn vuist, met zijn vlakke hand, met zijn vinger of anders?
[slachtoffer 2] : Met zijn vlakke hand.
[slachtoffer 2] verklaart dat hij dan wegrende naar de slaapkamer. [slachtoffer 2] verklaart dat hij stond toen hij door zijn vader werd geslagen. [slachtoffer 2] verklaart dat zijn vader zei dat hij zich moest uitkleden omdat hij moest douchen. [slachtoffer 2] verklaart dat hij zei dat zijn vader moest ophouden toen hij door zijn vader werd geschopt. [slachtoffer 2] verklaart dat hij en zijn vader niks zeiden toen zijn vader hem sloeg. [slachtoffer 2] verklaart dat zijn vader hem eerst schopte en dan sloeg. [slachtoffer 2] verklaart dat zijn vader [slachtoffer 1] en hem piekte.
Op de vraag waar [slachtoffer 2] door zijn vader werd gepiekt, wijst hij naar zijn nek en verklaart dat dit gebeurde in de badkamer en de slaapkamer. [slachtoffer 2] verklaart dat zijn vader hem schopte en sloeg toen hij 7 en 8 jaar oud was. [slachtoffer 2] was niet blij en hij voelde pijn. [slachtoffer 2] verklaart dat hij dan wel eens blauwe plekken op zijn billen had. [slachtoffer 2] verklaart dat hij vaker dan één keer blauwe plekken op zijn billen heeft gehad.
V: Vertel me eens alles over de woonkamer wat daar is gebeurd?
[slachtoffer 2] : Schoppen en slaan.
V: Wie deed dat in de woonkamer?
[slachtoffer 2] : Papa.
V: Waarmee deed hij dat?
[slachtoffer 2] : Met een stok.
[slachtoffer 2] verklaart dat de stok zwart was en maakt hiervan een tekening. [slachtoffer 2] verklaart dat papa deze stokken zelf had gemaakt en dat deze stokken onder het bed van papa lagen. [slachtoffer 2] verklaart dat als papa met de stok sloeg hij op zijn rug werd geraakt. Als papa met de stok sloeg, hield hij deze met zijn rechterhand vast. [slachtoffer 2] verklaart dat papa soms met de stok sloeg maar dat hij niet weet hoe vaak papa dat deed. [slachtoffer 2] verklaart dat papa hem met een stok sloeg omdat hij dan stout deed.
[slachtoffer 2] verklaart dat hij heel heel pijn had als papa met de stok op zijn rug sloeg. [slachtoffer 2] verklaart dat zijn rug rood en een beetje blauw was als papa met de stok had geslagen.
[slachtoffer 2] verklaart dat papa hem duwde, schopte en sloeg in de slaapkamer. [slachtoffer 2] verklaart dat papa hem duwde omdat hij naar bed ging en dan moest hij naar bed rennen. Papa zou [slachtoffer 2] dan op zijn rug duwen. [slachtoffer 2] verklaart dat hij dan op de grond viel en zijn lip deed pijn en was rood en dik.
[slachtoffer 2] verklaart dat hij had gezien dat [slachtoffer 1] douchte en dat papa haar billen piekte. Op de vraag waar de billen van [slachtoffer 1] zitten, wijst [slachtoffer 2] naar zijn eigen billen.
[slachtoffer 2] verklaart dat hij het ook aan zijn pleegmoeder heeft verteld.
[slachtoffer 2] verklaart dat papa hem in zijn rug kneep en dat dit in de woonkamer gebeurde.
[slachtoffer 2] verklaart dat papa [slachtoffer 1] in haar rug kneep als zij niet luisterde. Papa deed dit met zijn handen. Dit gebeurde vaker maar [slachtoffer 2] weet niet hoe vaak. [slachtoffer 2] weet dat papa [slachtoffer 1] kneep omdat hij dit had gezien.
5. Een proces-verbaal van verhoor getuige in kindvriendelijke studio d.d. 23 maart 2017 van de politie Eenheid Rotterdam (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
als de op 17 maart 2017 afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] :
De verhoorder zegt dat zij heeft gehoord dat papa haar pijn doet. [slachtoffer 1] knikt van 'ja' met haar hoofd.
V: Klopt het dat papa jou pijn deed?
[slachtoffer 1] : Ja.
V: Wat deed papa dan als hij jou pijn deed?
[slachtoffer 1] : Slaan, schoppen en knijpen.
V: Klopt het billen knijpen?
[slachtoffer 1] : Ja.
V: Wie deed dat dan?
[slachtoffer 1] :Papa.
V: Waar was papa dan?
[slachtoffer 1] : In de douche.
6. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 5 september 2017 van de politie Eenheid Rotterdam (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- (…):
als de op 5 september 2017 afgelegde verklaring van medeverdachte [betrokkene 4] :
[slachtoffer 2] zegt dat hij door zijn vader is geslagen.
- Een tik op zijn arm.
[slachtoffer 2] zegt dat zijn vader hem slaat met iets dat op een heksenbezem lijkt. Deze hebben we in uw woning aangetroffen. [slachtoffer 2] zei dat het bij het bed van zijn vader lag en daar hebben we dit gevonden.
- [slachtoffer 2] werd hiermee soms geslagen omdat hij niet luisterde.
[slachtoffer 2] zegt dat hij ook weleens vechtspelletjes met zijn vader deed.
- Mijn man heeft vroeger Pencak Silat gedaan. Ze stoeien dan met elkaar. Ze schoppen dan met hun benen omhoog. Ze doen dat dan samen.
7. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 27 maart 2018 van de politie Eenheid Rotterdam (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- (…):
als de op 27 maart 2018 afgelegde verklaring van [betrokkene 5] :
A: Ik kan me wel herinneren dat mijn vader [slachtoffer 2] één keer geschopt heeft toen hij zei dat [slachtoffer 2] naar zijn kamer moest. Terwijl [slachtoffer 2] naar zijn kamer liep, zag ik dat mijn vader hem hard met een voet tegen zijn kont schopte. Ik zag dat [slachtoffer 2] moest huilen. Dit gebeurde aan de [a-straat 1] te [plaats] . Ik denk dat dit anderhalf a twee jaar geleden was. [slachtoffer 2] was toen 7 of 8 jaar oud.
V: Wat bedoel je met hard schoppen?
A: Het was meer als dat mijn vader [slachtoffer 2] een trap tegen zijn kont gaf.
(opmerking verbalisanten: getuige doet dit voor en maakt met haar rechtervoet een voorwaartse trap als bij een vechtsport) [slachtoffer 2] viel niet maar liep wel sneller naar zijn kamer.
8. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 28 juni 2022 verklaard - zakelijk weergegeven -:
U houdt me voor dat [slachtoffer 2] ook heeft verklaard dat wij wel eens vechtspelletjes deden, en dat ik dan te hard sloeg zodat het niet leuk meer was. Het klopt dat wij wel eens vechtspelletjes deden.
9. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 5 juni 2019 verklaard - zakelijk weergegeven -:
[slachtoffer 2] is mijn zoontje. [slachtoffer 1] is mijn dochtertje. Ik heb haar bij de gemeente als mijn kind erkend. [slachtoffer 1] is de achternaam van mijn vrouw. Beide kinderen hebben altijd samen met mijn vrouw en mij gewoond op het adres [a-straat] te [plaats] , totdat zij uit huis werden geplaatst.
Ik heb af en toe een piek uitgedeeld. Ik deed wel eens vechtspelletjes met [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] werd daarbij door mij geslagen en getrapt.”
2.5 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 28 juni 2022 heeft de raadsvrouw van de verdachte het woord gevoerd overeenkomstig overgelegde pleitaantekeningen. Deze pleitaantekeningen houden voor zover van belang het volgende in (met weglating van een voetnoot):

“Feit 2: mishandeling [slachtoffer 1]

29. Voor het tweede feit, de mishandelingen van [slachtoffer 1] geldt net als voor het eerste feit, dat het overgrote deel van het bewijs is gebaseerd op verklaringen van pleegouders en jeugdbescherming.
30. [slachtoffer 1] zelf verklaart zeer summier. Als haar in het studioverhoor wordt gevraagd om te vertellen over het knijpen, slaan en schoppen, zegt ze dat ze het niet weet. Meer details volgen er eigenlijk niet.
31.Tijdens het laatste studioverhoor van [slachtoffer 2] (d.d. 14 september 2021) komt naar voren dat hij dingen van zijn pleegmoeder heeft gehoord over misbruik en mishandelingen van [slachtoffer 1] . Hij verklaart dan in eerste instantie dat hij het alleen maar heeft gehoord. Op de vraag of hij het zelf heeft gezien is zijn eerste antwoord “nee”. Daarna wordt het “soms” en dan komt er pas een verklaring over wat hij dan zou hebben gezien.
32. Het is algemeen bekend dat het geheugen van een getuige zeer beïnvloedbaar is. Al helemaal op jeugdige leeftijd. Doordat zijn pleegmoeder hem heeft verteld over [slachtoffer 1] kan niet meer worden vastgesteld wat zijn eigen herinneringen zijn en wat informatie is van de pleegmoeder.
33. Dit geldt eveneens voor zijn eerste studioverhoor, die pas zo’n 6 maanden na uithuisplaatsing is opgenomen. In die tijd is er veelvuldig met de kinderen gesproken over de thuissituatie door zowel pleegouders als hulpverlening. Hij moet in die tijd dan ook een hoop hebben opgevangen van derden, wat zijn herinneringen hebben gekleurd.
34. Zowel het eerste (in 2017) als het tweede verhoor (in 2021) zijn daardoor onbetrouwbaar.
35. Wat ook vraagtekens oproept is zijn verklaring over grote blauwe plekken en ander letsel bij [slachtoffer 1] (tijdens tweede verhoor). De basisschool heeft nooit iets gezien. Maar ook door de arts bij het EMC wordt verklaard dat in ieder geval het lichamelijk onderzoek geen aanwijzingen van fysiek geweld oplevert. Wat ook opvalt is dat hij in het laatste verhoor verklaart het knijpen en pieken, of zoals hij het noemt “de kleine dingen” niet heeft gezien. In zijn eerste verhoor verklaarde hij dit wel te hebben gezien. Het is aannemelijk dat hij dit heeft verklaard nadat hij hierover heeft gehoord, dat het dus geen eigen waarnemingen zijn geweest.
36. Kortom, de verklaringen van [slachtoffer 2] zijn onbetrouwbaar nu er aanwijzingen zijn dat hij informatie naverteld en niet kan worden vastgesteld wat hij uit eigen herinnering verklaart. De verklaringen kunnen daarom worden gebruikt voor het bewijs.
37. Ik verzoek u vrij te spreken voor feit 2, i.v.m. het ontbreken van voldoende wettig bewijs.”
2.6
Het hof heeft in het bestreden arrest het gevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen:

Feit 2
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken in verband met het ontbreken van voldoende wettig bewijs. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 2] onbetrouwbaar zijn en niet gebruikt kunnen worden voor het bewijs.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaringen van [slachtoffer 2] , nu hij in de kern consistent heeft verklaard hoe hij en zijn jongere zusje [slachtoffer 1] werden mishandeld. Het hof heeft geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat hij niet uit eigen waarneming heeft verklaard. Het hof merkt daarbij op dat getuige [betrokkene 3] , de pleegmoeder van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , heeft verklaard dat [slachtoffer 2] al vrij snel uit zichzelf over de mishandelingen heeft verklaard. De verklaring van [slachtoffer 2] vindt bovendien steun in hetgeen [slachtoffer 1] heeft verklaard. Het hof acht de verklaringen van [slachtoffer 2] betrouwbaar en ziet geen reden om deze van het bewijs uit te sluiten. Het feit dat de verklaringen niet in alle opzichten gelijkluidend zijn doet aan het voorgaande niet af.
Het verweer wordt verworpen.”
Bespreking van het eerste middel
2.7
Het middel richt zich blijkens de toelichting, zo begrijp ik, op twee overwegingen van het hof. In de eerste plaats zou ’s hofs overweging inhoudende dat [slachtoffer 2] in de kern consistent heeft verklaard dat hij en zijn zusje [slachtoffer 1] werden mishandeld onbegrijpelijk zijn, aangezien [slachtoffer 2] wisselend zou hebben verklaard of hij de mishandelingen wel of niet heeft waargenomen en wat hij precies zou hebben waargenomen. In dat verband wijst de steller van het middel op hetgeen in de pleitnota onder randnummer 35 naar voren is gebracht. In de tweede plaats zou ’s hofs overweging dat het geen aanknopingspunten heeft om te veronderstellen dat [slachtoffer 2] niet uit eigen waarneming zou hebben verklaard onbegrijpelijk zijn, omdat het hof in de motivering geen aandacht schenkt aan de omstandigheden die door de verdediging naar voren zijn gebracht. In dat verband wijst de steller van het middel op de randnummers 32, 33 en 35 van de pleitnota.
2.8
Bij de beoordeling van het middel kan voorop worden gesteld dat de rechter die over de feiten oordeelt, beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar acht en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren. Dat is anders in een aantal specifieke gevallen, onder meer wanneer door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Hoever die motiveringsplicht gaat, hangt onder meer af van de inhoud en de indringendheid van de argumenten die zijn aangevoerd. De motiveringsplicht gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. [1]
2.9
Blijkens de pleitnota heeft de raadsvrouw van de verdachte aangevoerd dat zowel het eerste (in 2017) als het tweede verhoor (in 2021) van [slachtoffer 2] onbetrouwbaar is omdat er (voorafgaand aan de verhoren) veelvuldig met de kinderen over de thuissituatie is gesproken door zowel de pleegouders als hulpverlening. Aangevoerd is dat [slachtoffer 2] “in die tijd dan ook een hoop [moet] hebben opgevangen van derden, wat zijn herinneringen hebben gekleurd” (randnummer 33 en 34).
2.1
Het hof heeft dit verweer kennelijk opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt en daar in het bestreden arrest een afzonderlijke overweging aan gewijd. Het hof heeft overwogen dat het geen reden heeft om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaring van [slachtoffer 2] , nu hij in de kern consistent heeft verklaard hoe hij en zijn jongere zusje [slachtoffer 1] werden mishandeld. Dat oordeel, dat sterk is verweven met waardering van feitelijke aard, acht ik niet onbegrijpelijk. Uit ’s hofs bewijsvoering volgt dat [slachtoffer 2] tegen zijn pleegmoeder heeft verklaard over de mishandelingen van hem en zijn zusje. Hetgeen hij aan haar heeft verteld komt in grote mate overeen met zijn verklaring die hij in 2017 bij de politie heeft afgelegd. Dat hij in een later verhoor op bepaalde punten anders verklaart, maakt zijn eerder afgelegde verklaring niet zonder meer onbetrouwbaar. Ik wijs er in dat verband op dat zijn laatste verklaring is afgelegd in 2021, terwijl zijn eerste verklaring is afgelegd in 2017. Het hof heeft alleen de in 2017 afgelegde verklaring tot het bewijs gebezigd.
2.11
Het hof heeft voorts overwogen dat het geen aanknopingspunten heeft te veronderstellen dat hij niet uit eigen waarneming heeft verklaard.. Het hof heeft daarbij gewezen op de verklaring van de pleegmoeder van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , [betrokkene 3] . Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Ik neem daarbij in aanmerking dat blijkens ’s hofs bewijsvoering [betrokkene 3] onder meer heeft verklaard dat [slachtoffer 2] uit zichzelf ineens aan haar vertelde: "Wij kunnen niet meer thuis wonen, want pappa slaat ons.” Mede in het licht van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, acht ik ’s hofs oordeel voorts toereikend gemotiveerd.
2.12
Het eerste middel faalt.
Het tweede middel
3.1
Het tweede middel bevat de klacht dat het hof bij het onder 6 bewezenverklaarde niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die tot afwijking van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt hebben geleid.
3.2
Voordat ik het middel bespreek geef ik eerst de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen, delen van de pleitnota en de bewijsoverwegingen die op dit feit betrekking hebben weer.
Bewezenverklaring, bewijsmiddelen, delen van de pleitnota en bewijsoverweging
3.3
Ten laste van de verdachte is onder 6 primair bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 te [plaats] met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten met [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedatum] 2002), handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het
- brengen en houden van zijn, verdachtes, vingers in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 3] en
- het betasten van de ontblote borsten en billen van die [slachtoffer 3] ;”
3.4
In verband met het onder 6 tenlastegelegde feit houden de pleitaantekeningen het volgende in (met weglating van voetnoten):

“Feit 6: seksueel misbruik van [slachtoffer 3]

4. Ik zal beginnen met feit 6, het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 3] .
5. De rechtbank is op basis van de verklaring van aangeefster en het dagboekfragment, gekomen tot een bewezenverklaring. Daarmee is al het bewijs afkomstig uit één bron, namelijk [slachtoffer 3] . Verdediging bepleit vrijspraak voor het primair en subsidiair tenlastegelegde, nu het bewijsminimum niet wordt gehaald.
6. Immers, uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat:
Volgens het tweede lid van art. 342 Sv Pro - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige.
7. Al het bewijs voor dit feit is echter direct of indirect afkomstig van [slachtoffer 3] , en dus afkomstig van één getuige. De getuigen verklaren louter over wat zij van [slachtoffer 3] gehoord hebben.
8. In de rechtspraak zijn wat handvatten geformuleerd waar steunbewijs in soortgelijke zaken aan dient te voldoen:
Zo moet het steunbewijs ‘voldoende steun’ geven aan de verklaring van de getuige/aangever: het steunbewijs moet op relevante wijze in verband staan met de inhoud van de verklaring van die getuige/aangever. Het steunbewijs mag in beginsel niet afkomstig zijn van dezelfde bron, in die zin dat als steunbewijs niet zou kunnen worden gebruikt de verklaring van een ander aan wie de getuige/aangever heeft verteld wat haar of hem is overkomen. Een dergelijke de auditu-verklaring levert op zichzelf niet voldoende steunbewijs op. Wel kunnen bepaalde waarnemingen die de getuige de auditu persoonlijk heeft gedaan, zoals een waargenomen hevige gemoedsbeweging, voldoende steunbewijs opleveren.
9. Van zo’n hevige gemoedsbeweging blijkt niet echt uit de verklaringen. Er is slechts één persoon met wie aangeefster kort na het voorval zou hebben gesproken, dat was haar vriendin [betrokkene 6] . Over dit gesprek vertelt [slachtoffer 3] bij de r-c dat zij aan het buitenspelen waren en spraken “over verliefd zijn en zo”. Ze vervolgt met:
“Zij zag dat ik ergens mee zat. Ik heb haar toen verteld dat er tijdens het logeren iets gebeurd was waar ik mee zat. Ik heb toen niet precies verteld wat er gebeurd was.”Wat er gebeurd was heeft zij pas veel later - in de periode van de aangifte - verteld aan haar.
10. De verklaring van [betrokkene 6] op dit punt klopt dus niet. Haar verklaring over de gemoedstoestand van [slachtoffer 3] dat zij verdrietig was en moeilijk verklaarde, zegt dan niet zo heel veel. Het is de vraag wanneer ze dit dan heeft waargenomen en waar het op dat moment dan precies over ging. Het verband tussen de waarneming en het tenlastegelegde is niet vast te stellen. Dat is nog los van de vraag of we de waarneming “verdrietig” kunnen kwalificeren als een “hevige gemoedsbeweging” dat steunbewijs oplevert. Het is te mager.
11. Voor het dagboekfragment geldt dat dit is geschreven door [slachtoffer 3] en dus afkomstig is van dezelfde getuige, dezelfde bron.
12. Ik concludeer dat al het bewijs in het dossier afkomstig is van één bron en er zich geen steunbewijs in het dossier bevindt. Om die reden verzoek ik u vrij te spreken voor zowel het primaire als het subsidiaire feit.
Subsidiair
13. Indien u tot een ander oordeel komt, verzoek ik u vrij te spreken van het primair tenlastegelegde: het wederrechtelijk binnendringen van het lichaam.
14. Aangeefster verklaart hier namelijk wisselend over. In het informatieve gesprek spreekt zij enkel over het aanraken van haar blote vagina, zij noemt dan de meest ingrijpende handeling - het met de vinger in haar vagina gaan - in zijn geheel niet. Het bevreemd dat zij hier pas over verklaart tijdens de aangifte. Ook in het “dagboekfragment” staat nergens dat het aanraken verder is gegaan dan het aanraken van het blote lichaam.
15. Daar komt bij dat haar broer [betrokkene 7] ook enkel verklaart over aanraken.
16. En tenslotte, bevreemd het dat [slachtoffer 3] pas rondom de aangifte aan haar vriendinnen [betrokkene 6] en [betrokkene 5] over het binnendringen heeft verklaard. Daarvoor heeft zij hen kennelijk alleen vertelt over het aanraken. Zeker in het geval van [betrokkene 5] , die toen ook haar verhaal met [slachtoffer 3] deelde, is het vreemd dat zij toen niet begonnen is over het binnendringen. Het roept vragen op.
17. Het is niet zomaar een klein detail dat in het eerste gesprek en het dagboekfragment wordt weggelaten. Het lijkt juist een handeling te zijn die het meeste indruk maakt. Het feit dat zij pas rondom de aangifte over het binnendringen begint, terwijl zij in de jaren ervoor al met diverse personen over het misbruik heeft gesproken, roept twijfels op bij de juistheid van de verklaring over het wederrechtelijk binnendringen.
18. Steunbewijs, anders dan de verklaring van [slachtoffer 3] , ontbreekt voor het wederrechtelijk binnendringen.
19. Nu wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, verzoek ik u vrij te spreken voor dit primair tenlastegelegde feit.”
3.5
Het hof heeft in het bestreden arrest de volgende overweging opgenomen:

Feit 6
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat niet is voldaan aan het bewijsminimum zoals neergelegd in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat er geen wettig bewijs is voor het bestanddeel binnendringen.
Het hof overweegt als volgt.
Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, kan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
In de onderhavige zaak is het hof van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 3] in voldoende mate wordt ondersteund. Een paar dagen na de gebeurtenissen waarvan zij aangifte heeft gedaan, heeft zij aan haar buurmeisje [betrokkene 6] verteld wat er gebeurd was. Uit de verklaring van [betrokkene 6] volgt dat [slachtoffer 3] het er moeilijk mee had en verdrietig was.
Later heeft ze over het seksueel misbruik verteld tegen [betrokkene 5] en [betrokkene 8] . Uit de verklaring van [betrokkene 5] volgt dat [slachtoffer 3] moest huilen toen ze het aan haar vertelde.
Later heeft [slachtoffer 3] over het seksueel misbruik ook gesproken met haar broer [betrokkene 7] . [betrokkene 7] heeft daarover verklaard dat [slachtoffer 3] op straat had gehuild. Zij heeft hem vervolgens verteld dat ze was aangerand door de verdachte en dat ze daarbij huilde en huilde.
Het hof stelt op basis van de waarnemingen van de getuigen vast dat [slachtoffer 3] , zowel op korte als op lange termijn na de gebeurtenis, telkenmale emotioneel wordt wanneer zij over het seksueel misbruik verklaart. Voorts heeft [slachtoffer 3] in haar dagboek geschreven over de gebeurtenis. Ook daarin kan derhalve steun worden gevonden voor het misbruik waarvan zij aangifte heeft gedaan. Het hof is daarom van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 3] in voldoende mate wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen.
Mede op grond van de verklaringen van [betrokkene 6] , [betrokkene 5] , [betrokkene 8] en [betrokkene 7] leidt het hof af dat er geen sprake is geweest van een door [slachtoffer 3] ter gelegenheid van de aangifte verzonnen verhaal. [slachtoffer 3] heeft kort na de gebeurtenis hierover met [betrokkene 6] gesproken, enige tijd later met [betrokkene 5] en de moeder van [betrokkene 5] en weer later met haar eigen broer. Zij heeft haar verklaring - in hoge mate consistent met haar eerdere verklaring - herhaald ten overstaan van de rechter-commissaris. Het hof ziet geen reden om aan de verklaringen van [slachtoffer 3] of aan de juistheid of betrouwbaarheid van de aangifte te twijfelen. Daarmee stelt het hof vast dat er sprake is geweest van seksueel binnendringen met de vinger van verdachte.
Het verweer wordt verworpen.”
Bespreking van het tweede middel
3.6
De steller van het middel voert aan dat het hof bij de verwerping van het verweer dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 3] omdat haar verklaring over het binnendringen niet betrouwbaar is, niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die tot afwijking van dat standpunt hebben geleid. Het hof zou weliswaar hebben overwogen dat [slachtoffer 3] consistent zou hebben verklaard, maar het hof gaat niet in de op de omstandigheid dat de aangeefster in het informatieve gesprek enkel heeft gesproken over het betasten van haar borsten en vagina door de verdachte en niet mede over het binnendringen van haar vagina en dat ook in het dagboekfragment niet staat dat het aanraken verder is gegaan dan het aanraken van het blote lichaam.
3.7
Bij de beoordeling van deze klacht wijs ik op hetgeen onder randnummer 2.8 voorop is gesteld.
3.8
Het hof heeft het primaire en subsidiaire bewijsverweer van de verdediging gezamenlijk besproken. Dit een begrijpelijke keuze aangezien de juistheid en betrouwbaarheid van de aangifte enerzijds en het bestaan van steunbewijs voor de aangifte anderzijds de twee pijlers zijn van de bewijsconstructie. Het hof heeft als reactie op deze verweren in het algemeen overwogen dat het “geen reden [ziet] om aan de verklaringen van [slachtoffer 3] of aan de juistheid of betrouwbaarheid van de aangifte te twijfelen.” Het hof heeft daarnaast overwogen dat het mede uit de verklaringen van [betrokkene 6] , [betrokkene 5] , [betrokkene 8] en [betrokkene 7] afleidt dat er geen sprake is geweest van een door [slachtoffer 3] ter gelegenheid van de aangifte verzonnen verhaal. Het hof heeft er voorts op gewezen dat de aangeefster – in hoge mate consistent met haar eerdere verklaring – haar verklaring heeft herhaald ten overstaan van de rechter-commissaris. Het hof heeft met deze overwegingen naar het mij voorkomt tot uitdrukking gebracht waarom het in hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd geen reden ziet om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster omtrent het binnendringen te twijfelen. Tot een nadere motivering was het hof mijns inziens niet gehouden. Het hof heeft kennelijk in de omstandigheid dat de aangeefster niet al in het informatieve gesprek spontaan over het binnendringen is gaan verklaren geen reden gezien om aan haar verklaring te twijfelen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Ik wijs er in dat verband op dat een informatief gesprek geen verhoor is, maar een gesprek dat tot doel heeft te beslissen over het doen van aangifte. In haar aangifte antwoordt de aangeefster ook op de eerste vraag of ze kan vertellen over wat er is gebeurd dat de verdachte haar “overal [heeft] betast zeg maar”. Als specifiek wordt gevraagd wat hij bij haar vagina deed, verklaart ze dat ze voelde dat hij er met een vinger in ging. Van wisselende verklaringen in de strikte zin dat aangeefster op enig moment heeft verklaard dat de verdachte geen vinger in haar vagina heeft gedaan, is geen sprake. Het betoog van de raadsvrouw is verder gebaseerd op de stelling dat het met een vinger in de vagina gaan voor aangeefster de handeling zou zijn die het meeste indruk op haar maakte. Dit hoeft echter voor een meisje van tien of elf jaar oud dat een gebeurtenis ondergaat die in zijn geheel als traumatisch wordt ervaren, niet zonder meer waar te zijn. Bij gebrek aan een nadere onderbouwing van deze stelling hoefde het hof hier niet op in te gaan.
3.9
Het tweede middel faalt.
Het derde middel
4.1
Het derde middel bevat de klacht dat het hof de toegewezen vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel onvoldoende heeft gemotiveerd.
4.2
Voordat ik het middel bespreek, geef ik eerst de vordering van de benadeelde partij, een bijlage bij de vordering van de benadeelde partij, delen van de pleitnota, een bijlage bij de pleitnota, delen van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en ’s hofs overwegingen weer.
Vordering van de benadeelde partij, bijlage bij de vordering van de benadeelde partij, delen van de pleitnota, bijlage bij de pleitnota, delen van het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep en ’s hofs overwegingen
4.3
Bij de stukken van het geding bevindt zich een “Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces” van de benadeelde partij. Dit formulier houdt in dat een bedrag van € 2.500,- aan immateriële schade wordt gevorderd. Daarbij wordt voor de gevolgen die het voorval heeft gehad voor de benadeelde partij verwezen naar een “onderbouwing immateriële schadevergoeding”. Die onderbouwing betreft een brief met bijlagen d.d. 31 mei 2019 van J.C.G.J. van der Linden, advocaat te Den Haag, met als onderwerp “Onderbouwing immateriële schade”. Deze brief houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Namens het slachtoffer (hierna: [slachtoffer 3] ) wordt immateriële schadevergoeding gevraagd. [betrokkene 5] verzoekt om een bedrag ad € 2,500,00 aan haar toe te wijzen, op grond van de volgende feiten en omstandigheden.
I. [slachtoffer 3] is een familievriendin van [gezin] . Zij en haar familieleden kwamen vaak over de vloer bij de verdachte. Tijdens een logeerpartij heeft verdachte zich aan [slachtoffer 3] vergrepen.
II. [slachtoffer 3] lag in bed met haar gezicht naar de muur gericht. Verdachte kwam achter haar liggen en tegen haar aan. [slachtoffer 3] kon zich niet wegdraaien. Zij verstilde, en durfde niets meer te zeggen. Verdachte heeft [slachtoffer 3] betast bij haar borsten, billen en vagina. Hij is haar lichaam met een vinger binnengedrongen.
III. [slachtoffer 3] heeft uit schaamte jarenlang gezwegen over dit voorval. Zij droeg het altijd met haar mee. Pas toen [betrokkene 5] haar ervaringen met haar vader deelde, durfde [slachtoffer 3] het te vertellen. Voor die tijd heeft [slachtoffer 3] wel pogingen gedaan tot het vertellen aan een vriendin. Zij waren beiden zo jong dat zij niet wisten wat ze ermee aan moesten.
IV. Toen het eenmaal uit kwam wat er was gebeurd met [slachtoffer 3] , geloofde haar familie haar niet. Dit heeft [slachtoffer 3] als enorm kwetsend en afwijzend ervaren.
V. De vervolging van verdachte brengt hevige gevoelens met zich mee. [slachtoffer 3] heeft last van herbelevingen van het misbruik, zij is enorm gespannen geraakt door het getuigenverhoor dat zij moest ondergaan. De wijze van ondervragen heeft bij haar heel veel negatieve emoties rondom het incident losgemaakt.
VI. [slachtoffer 3] is nog heel jong en in de bloei van haar leven. Zij zou zich niet druk moeten maken om dit soort dingen. Voor haar is het idee van een seksuele relatie een heel moeilijke, zij weet niet of zij hiertoe in staat zal zijn zonder seksuele interactie te linken aan de verdachte.
VII. Op dit moment is niet bekend of en in hoeverre [slachtoffer 3] gevolgen zal ervaren in seksuele contacten.
Onderbouwing hoogte verzochte schadevergoeding
I. Er is sprake van een geval ex artikel 6:106 lid 1 sub b BW Pro: het inbreuk door verdachte in de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 3] heeft een aantasting in de persoon opgeleverd. Hierdoor is juridisch ruimte voor het vorderen van een immateriële schadevergoeding.
II. Aangesloten wordt bij diverse rechtspraak, alsmede de richtlijn licht letsel van de letselschaderaad.
III. In diverse historische stukken blijkt dat een schadevergoeding tussen de € 2.000,00 en € 3.000,00 niet onredelijk wordt geacht.
IV. Het is bekend dat een seksueel misdrijf ernstige lichamelijke en psychische gevolgen kan hebben. Omdat [slachtoffer 3] niet seksueel actief is, kan deze omstandigheid in deze procedure niet worden meegewogen. Het is daarom dat vooral de nu ervaren gevoelen van onveiligheid, angst, herbeleving en verdriet rechtvaardigen dat een [slachtoffer 3] een schadevergoeding vordert van € 2.500,00.
V. Buiten de ervaren emoties is het ook zo, dat verdachte voor altijd de eerste man zal zijn die met [slachtoffer 3] seksuele handeling verricht heeft. Dat is voor haar een heel moeilijk punt.
Causaal verband
I. De door [slachtoffer 3] ervaren gevoelens van angst, onzekerheid, aanranding, onveiligheid en aantasting haar lichaam, zijn door verdachte [betrokkene 5] veroorzaakt toen hij haar aanrandde.
II. De herbeleving door het getuigenverhoor is ook causaal verbonden aan de aanranding door [betrokkene 5] .
III. De gevoelens van afwijzing door de familie van [slachtoffer 3] vloeien rechtstreeks voort uit de aanranding. Zonder deze aanranding had [slachtoffer 3] haar familie immers niet hoeven vertellen over de aanranding (condicio sine qua non).
(…)
Bijlagen:
(,,,)
2. Uitdraai slachtofferdossier met uitspraken
4.4
De bijlage bij de brief “onderbouwing immateriële schade schadevergoeding” houdt in:
“ [slachtoffer 3]
Omschrijving incident:
Naam: [slachtoffer 3]
Geslacht: V
Leeftijd ten tijde van het incident: 11
Beroep: schoolgaand
Datum incident: 2013
Omschrijving incident: aanranding/verkrachting minderjarig < 12 jaren
Slachtoffer verbleef in de woning bij verdachte. Zij verbleef daar vaker; de familie van verdachte was bevriend met de familie van het slachtoffer. Tijdens het logeren kwam verdachte bij haar in bed liggen. Hij heeft haar betast, bij haar borsten billen en vagina. Hij is met een vinger in de vagina van het slachtoffer gegaan.
GEVOLGEN – letsel
Aard en ernst van het letsel: Slachtoffer heeft vooral psychisch letsel. Zij heeft hele nare herinneringen aan dit voorval, het belemmert haar seksuele ontwikkeling en zij heeft veel gevoelens van herbeleving.
Restverschijnselen, handicaps, psychische gevolgen, blijvende littekens en/of lichamelijke beperkingen:
Het slachtoffer is zich in relaties met anderen bewust van het gevaar. Zij is niet meer ontspannen bij mannen die ouder zijn dan zij. Zij zoekt naar de vluchtroute als zij zich alleen in een ruimte bevindt met een man. Zij is niet meer onbevangen, maar kent gevoelens van achterdocht en zij is argwanend. Zij heeft veel verdriet van dit voorval en het doet haar veel pijn erover te praten.
Andere feiten/omstandigheden die weliswaar niet direct aan het incident zijn toe te schrijven maar die de gevolgen wel ernstiger maken:
Haar familie geloofde het slachtoffer niet. Hierdoor heeft zij gevoelens van afwijzing gekregen.
GEVOLGEN – wonen:
Verstoring van sociale omgeving?
De vertrouwensrelatie met haar familie is enige tijd verstoord geweest omdat zij haar niet geloofden.
GEVOLGEN – werken:
Wijzigingen in carrierfase/-perspectief? Dat is nog niet duidelijk.
GEVOLGEN – persoonlijk en sociaal leven:
Zijn er in bijzondere mate gevolgen voor en beperkingen in de relationele sfeer (bijvoorbeeld echtscheiding en seksuele beperkingen)? Ja, slachtoffer voelt zich niet vrij in het aangaan van seksuele relaties. Haar vertrouwen in mannen is beschadigd.
Was het (schaderegelings-)proces een bovengemiddeld belastend? Ja, het getuigenverhoor heeft veel emoties met zich meegebracht alsmede grote gevoelens van onveiligheid en angst. Zij is bang weer niet gelooft te worden.
Uitspraken:
(…)
nummer Geïndexeerd bedrag oorspronkelijk toegewezen bedrag
1810 € 2.442,- € 2.250,-
Op haar 6e of 7e jaar is zij (in de zomer van 1999 of 2000) tijdens een logeerpartij seksueel misbruikt – in de zin van aangerand – door haar buurman (die nog steeds haar buurman is). De buurman is hiervoor strafrechtelijk veroordeeld. Ook jaren na het misbruik heeft zij als gevolg van de aanranding last van diverse klachten, waaronder angst voor (oudere) mannen, slecht slapen, nachtmerries, vervreemding van anderen, hyperalertheid, niet kunnen genieten van seksuele handelingen met haar vriend, woede-uitbarstingen, concentratieproblemen, dissociaties en het moeilijk kunnen uiten van emoties. Zij is onder behandeling geweest van een diëtiste, een psycholoog, de huisarts, een psychotherapeut, een revalidatiearts en een logopedist.
Bij de toekenning van smartengeld overwoog de rechter dat sprake is van psychisch letsel in de vorm van PTSS, als gevolg waarvan zij een functieverlies heeft van 10%.
(te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1-1-2001; betreft tussenvonnis, naderhand is verder geprocedeerd over o.a. verlies verdienvermogen en studievertraging, zie ECLI:NL:RBOVE:2014:66670 en ECLI:NL:RBOVE:2015:1594)
(…)
Geslacht meisje
Aard Letsel ten gevolge van verkrachting incest
Letsel psychisch letsel
Uitspraak
Datum 12-12-2012
Instantie Rb. Zwolle-Lelystad
Zaaknummer rolnr. 11-235
1406 meisje 5 jaar
nummer geïndexeerd bedrag oorspronkelijk toegewezen bedrag
1406 € 5.207,- € 4.500,-
Door een man zijn bij haar ontuchtige handelingen verricht, bestaande uit betasting, kussen en seksueel binnendringen van haar lichaam.
(…)
Geslacht meisje
Leeftijd 5
Uitspraak
Datum 29-06-2009
Instantie Rb. Den Haag
Zaaknummer parketnummer (…)
Nummer geïndexeerd bedrag oorspronkelijk toegewezen bedrag
979 € 3.000,00 € 2.500,-
Door een ruim 70 jaar oude man gedurende enkele weken meerdere malen aangerand. Dit heeft een traumatisch effect op haar gehad, zich, tijdelijk, uitend in automutilatie, eetstoornissen en andere gedragsstoornissen. Enige tijd was psychologische behandeling nodig.
(…)
Geslacht meisje
Leeftijd 13
Aard Letsel ten gevolge van verkrachting incest
Letsel Psychisch letsel
Uitspraak
Datum 03-10-2007
Instantie Rb. Arnhem
Zaaknummer rolnr. 06-346
4.5
De pleitnota houdt voor zover van belang in:

“VORDERING BENADEELDE PARTIJ

45. Primair: niet-ontvankelijk nu ik vrijspraak heb bepleit.
46. Subsidiair verzoek ik u de vordering te matigen. In de vordering wordt verwezen naar zaken uit het smartengeldboek. Wanneer ik zoek op soortgelijke zaken in het smartengeldboek, stuit ik op lagere vergoedingen dan gevorderd (bijlage 1). De bedragen variëren tussen de € 700,- en € 1.300,- waarbij het hoogste bedrag ziet op een (zwaardere) zaak waarbij de ontuchtige handelingen meerdere malen hebben plaatsgevonden en het slachtoffer ook handelingen heeft moeten verrichten.
47. Ik verzoek u een middenweg te nemen de vergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vast te stellen op € 900,-.”
4.6
Aan de pleitnota zit als bijlage een viertal zaken uit de ANWB smartengeldgids gehecht. Deze bijlage houdt in:
“(…)
Nummer geïndexeerd bedrag oorspronkelijk toegewezen bedrag
1386 € 669,- € 500,-
De meisjes werden door een man gevraagd naar zijn kamer te komen, waar hij naakt in bed bleek te liggen. Hij dwong hen ontuchtige handelingen met hem te plegen, zoals het afdwingen van kusjes en het betasten van zijn geslacht.
Aan elk van de meisjes is een bedrag van oorspronkelijk € 500,- toegekend
Incident
Geslacht 2 meisjes
Leeftijd 7 jaar
Uitspraak
Datum: 16-04-2008
Instantie: Rb. Utrecht
Zaaknummer: (…)
ECLI: ECLI:NL:RBUTR”: 2008:BC9667
(…)
Nummer geïndexeerd bedrag oorspronkelijk toegewezen bedrag
1886 € 913,- € 750,-
Tijdens zijn verblijf in een behandelinstituut voor jeugdigen met een licht verstandelijke beperking in combinatie met ernstige gedragsproblemen en/of psychiatrische problemen is hij gedurende bijna 10 maanden misbruikt door een groepsopvoeder. Hij was toen 13 tot 14 jaar oud. Het misbruik bestond uit diverse ontuchtige handelingen, namelijk: de groepsopvoeder heeft zijn penis, billen en lichaam betast, hem geknuffeld en gekust, verder heeft hij zijn ontblote penis aan de jongen laten zien, zichzelf bevredigd totdat hij klaarkwam, heeft hij seksuele handelingen tussen hem (verdachte) en diens echtgenote aan de jongen laten zien en heeft hij hem afbeeldingen getoond van (gedeeltelijk) ontklede vrouwen. De Rb. oordeelt onder meer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontucht met de aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige jongen. Verdachte heeft zo het door de jongen en diens moeder in hem gestelde vertrouwen op grove wijze beschaamd en een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van zijn slachtoffer, die vanwege zijn leeftijd, beperking en relatie tot de verdachte in een kwetsbare positie verkeerde en niet in voldoende mate in staat was om aan het handelen van verdachte weerstand te bieden. Het behoeft geen betoog dat seksueel misbruik van een minderjarige zeer nadelige gevolgen kan hebben (in de zin van psychische, emotionele en lichamelijke schade) bij de desbetreffende minderjarige en dat hij hierdoor ernstig kan worden geschaad in zijn verdere ontwikkeling. Bij de bepaling van het smartengeld overweegt de Rb. dat voor beoordeling van de juistheid en de omvang van het restant van het gevorderde smartengeld (zijnde € 750,-; er was € 1.500 gevorderd) een uitgebreide nadere behandeling is vereist. Een dergelijke behandeling zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren, zodat de jongen zich voor dit resterende deel dient te wenden tot de civiele rechter.
(te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1-12-2013)
Incident
Geslacht: jongen
Leeftijd: 13 jaar
Beroep: verstandelijk beperkt
Uitspraak
Datum: 28-01-2015
Instantie: Rb. Oost-Brabant Meervoudige Kamer
Zaaknummer: (…)
(…)
Nummer geïndexeerd bedrag oorspronkelijk toegewezen bedrag
2080 € 916,- € 771,-
Haar buurman heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met haar door met zijn hand haar vagina aan te raken tijdens het maken van foto’s van kinderpornografische aard. 2 van de door hem gemaakte foto’s heeft hij via het internet verspreid. Daarnaast is op de harde schijf van zijn laptop een groot aantal kinderpornografische afbeeldingen aangetroffen. Hij heeft gedurende meerdere jaren een gewoonte gemaakt van het bezit van dergelijke afbeeldingen. Door zijn handelingen heeft hij de lichamelijke en seksuele integriteit van zijn buurmeisje geschonden. Voorts heeft hij bijgedragen aan de instandhouding van de vraag naar kinderpornografisch materiaal en heeft daarmee meegewerkt aan de instandhouding van verwerpelijke praktijken, die plaatsvinden met kinderen van vaak zeer jonge leeftijd. Het is algemeen bekend dat kinderen door betrokkenheid bij de op de afbeeldingen voorkomende seksuele gedragingen, psychische schade kunnen oplopen die ook vele jaren later nog diepe sporen nalaat. Bij de toekenning van de immateriële schadevergoeding neemt de Rb. in aanmerking dat de impact van het strafbare feit op de ouders voor het meisje tevens directe gevolgen voor de omgang met anderen en haar bewegingsvrijheid heeft en nog zal hebben.
(te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 27-7-2013)
Incident
Geslacht meisje
Leeftijd 4 jaar
Uitspraak
Datum: 22-10-2015
Instantie: Rb. Noord-Nederland loc. Leeuwarden Meervoudige Kamer
Zaaknummer: (…)
(…)
Nummer geïndexeerd bedrag oorspronkelijk bedrag
1388 € 1.262,- € 1.000,-
Door haar vader gedurende 2,5 jaar meerdere malen gedwongen tot het plegen van ontuchtige handelingen. Met geweld werd zij gedwongen zijn geslachtsdeel vast te pakken. Haar vader is daarbij voorbij gegaan aan haar (verbale) protesten. Dat terwijl hij als haar vader, gezien haar jonge leeftijd, psychisch en fysiek overwicht op haar had. Bij het vaststellen van het smartengeld heeft de rechtbank rekening gehouden met het tijdsverloop tussen het misbruik en de ingediende vordering.
(te vermeerderen met wettelijke rente vanaf aanvang misbruik, 1-1-1997)
Incident
Geslacht: meisje
Leeftijd: 6 jaar
Uitspraak
Datum: 18-10-2011
Instantie: Rb. Zutphen
Zaaknummer: (…)
4.7
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de gemachtigde van de benadeelde partij, mr. Van der Linden, het woord gevoerd. Het proces-verbaal houdt voor zover van belang in:
“Mr. Van der Linden wordt in de gelegenheid gesteld de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe te lichten. Zij deelt mede dat de vordering wordt gehandhaafd en merkt op dat haar cliënte, herbelevingen heeft als zij intiem met iemand probeert te zijn. Daarnaast schaamt zij zich voor wat haar is aangedaan en durft zij nog steeds niet naar een hulpverlener te gaan.
(…)
Namens de benadeelde partij [slachtoffer 3] wordt mr. Van der Linden in de gelegenheid gesteld andermaal het woord te voeren. Zij merkt op dat de door de raadsvrouw aangehaalde jurisprudentie ziet op zaken waarin het slachtoffer iets moest doen, terwijl het in de onderhavige zaak erom gaat dat het slachtoffer iets moest ondergaan. Voorts zijn de aangehaalde uitspraken verouderd. Zij stelt zich op het standpunt dat de gevorderde schadevergoeding recht doet aan hetgeen de benadeelde partij is overkomen.”
4.8
Het bestreden arrest houdt in verband met de vordering van de benadeelde partij het volgende in:

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 3]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 6 primair tenlastegelegde, tot een bedrag van € 2.500,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 2.500,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot algehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 6 primair bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 december 2013 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor wat de betreft de hoogte van de schade heeft het hof alle omstandigheden van het geval in acht genomen, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede hetgeen ter onderbouwing van de vordering is aangevoerd en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 2.500,00 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 6 primair bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] , eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.”
Bespreking van het derde middel
4.9
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof niet is ingegaan op het subsidiaire verweer dat het bedrag dient te worden gematigd gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen plegen te worden toegekend. Om die reden zou de beslissing op de vordering van de benadeelde partij niet begrijpelijk zijn gemotiveerd.
4.1
Bij de beoordeling van het middel is het volgende van belang. In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist, zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan. Voorts geldt dat art. 361 lid 4 Sv Pro voorschrijft dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen. Tot slot is in de onderhavige zaak van belang dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de begroting van de immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. [2]
4.11
In de onderhavige zaak heeft de gemachtigde van de benadeelde partij op de terechtzitting in hoger beroep de vordering toegelicht. In de vordering wordt (onder andere) gewezen op zaken uit de smartengeldgids. De raadsvrouw van de verdachte heeft in reactie hierop aangevoerd dat zij bij een zoektocht naar soortgelijke zaken in het smartengeldboek op een lagere vergoeding stuit dan is gevorderd. Zij heeft daarbij gewezen op bijlage 1 bij de pleitnota waarin een viertal zaken uit de smartengeldgids worden aangehaald. De raadsvrouw heeft vervolgens aangevoerd dat in vergelijkbare zaken bedragen variërend tussen € 700,- en € 1.300,- aan immateriële schade worden toegekend en verzocht de vergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vast te stellen op € 900,-. De gemachtigde van de benadeelde partij heeft op dit verweer gereageerd door te stellen dat de door de raadsvrouw aangehaalde jurisprudentie ziet op zaken waarin het slachtoffer iets moest doen, terwijl het in de onderhavige zaak erom gaat dat het slachtoffer iets moest ondergaan. Voorts zijn de aangehaalde uitspraken volgens de gemachtigde verouderd.
4.12
Allereerst merk ik op dat het oordeel van het hof een beslissing bevat over de vordering van de benadeelde partij en dat deze beslissing met redenen is omkleed en in beginsel voldoet aan het bepaalde in art. 361 lid 4 Sv Pro. Het hof heeft door de immateriële schade naar billijkheid vast te stellen op een bedrag van € 2.500,- de juiste maatstaf toegepast. Het hof heeft voorts overwogen dat het alle omstandigheden van het geval in acht heeft genomen, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede hetgeen ter onderbouwing van de vordering is aangevoerd en de leeftijd van het slachtoffer. Daarmee heeft het hof blijk gegeven de relevante omstandigheden te hebben meegewogen. Het hof heeft daarnaast door te overwegen dat het heeft gelet op de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen hebben toegekend, naar het mij voorkomt toereikend gereageerd op het standpunt van de verdediging. Daarin ligt besloten dat het hof de door de verdediging als vergelijkbaar aangehaalde zaken niet als zodanig heeft beschouwd en (mede) in hetgeen ter onderbouwing aan de vordering ten grondslag is gelegd aanleiding heeft gezien om een hoger bedrag aan immateriële schade toe te wijzen dan door de verdediging was verzocht. Dat oordeel, dat zich in cassatie slechts beperkt laat toetsen, acht ik niet onbegrijpelijk
4.13
Het derde middel faalt.
Het vierde middel
5.1
Het vierde middel bevat de klacht dat het onder 7 bewezenverklaarde niet begrijpelijk is gemotiveerd.
5.2
Voordat ik het middel bespreek, geef ik eerst de bewezenverklaring en de bewijsmiddelen die op dit feit betrekking hebben weer.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
5.3
Ten laste van de verdachte is onder 7 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 januari 2017 tot en met 4 september 2017 te [plaats] een gegevensdrager,
te weten een personal computer (merk Dell),bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in bezit heeft gehad, welke seksuele gedragingen – zakelijk weergegeven – bestonden uit:
het met de/een penis oraal en/of vaginaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
en/of
het met de/een mond/tong oraal en/of met de/een penis vaginaal penetreren van het lichaam van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, (H44.wmv)
en/of
het geheel of gedeeltelijk naakt poseren door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, (waarbij) de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling, (2.jpg)
en/of
het masturberen bij het gezicht en/of het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt
en/of
het houden van een penis bij het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling (H44.wmv).”
5.4
De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Een proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal (TBKK) d.d. 10 april 2018 van de politie Eenheid Rotterdam (…) met de bijbehorende bijlagen. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
In het opsporingsonderzoek contra [verdachte] is in beslag genomen:
Beslagcode Soort goed Bijzonderheid
A.01.01.006 Personal computer Merk Dell
In het onderzoek betrokken goederen heb ik visueel gecontroleerd op de kennelijke aanwezigheid van kinderpornografisch materiaal. Vervolgens heb ik vastgesteld dat hierop in totaal 34 afbeeldingen voorkwamen die kinderpornografisch zijn. Het betreft hier 17 foto's, waarvan 12 verwijderde en 5 aanwezig en 17 films/video's, waarvan 4 aanwezig en 13 verwijderd. Deze afbeeldingen zijn alle bekeken en de inhoud daarvan is verwerkt' in de bijgevoegde collectiescan, die als bijlage 1 bij dit proces-verbaal is gevoegd.
Bijlage 1 Collectiescan
In onderstaand overzicht zijn de in de kinderpornografische foto’s en films/video’s zichtbare (strafbare) elementen weergegeven:
Bestandsnaam H44.wmv:
• penetratie 30% - van het lichaam van een minderjarige - oraal - met penis
• penetratie 30% - van het lichaam van een minderjarige - vaginaal - met penis
• penetratie 30% - door een minderjarige - oraal - met mond/tong
• penetratie 30% - door een minderjarige - vaginaal - met penis
Bestandsnaam 2.jpg:
• Poseren door minderjarige, met nadruk op geslachtsdelen/borsten en billen door (ongeveer 25%) - geheel naakt
• Poseren door minderjarige, met nadruk op geslachtsdelen/borsten en billen door (ongeveer 25%) - gedeeltelijk naakt
Bestandsnaam H44.wmv:
• Overige seksuele gedragingen (ongeveer 5%) - masturbatie (dicht) bij lichaam/gezicht minderjarige
• Overige seksuele gedragingen (ongeveer 5%) - houden van penis dicht bij lichaam minderjarige
2. Een proces-verbaal digitaal onderzoek d.d. 23 maart 2021 van de politie Eenheid Rotterdam (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (ongenummerd):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
In het proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal, (…), staat het onderzoek naar het aangetroffen kinderpornografisch materiaal op de personal computer Dell, beslagcode A.01.01.006, omschreven.
In de bijlage van dit proces-verbaal staat verwoord:
dat het kinderpornografisch materiaal met de bestandsnaam 'H44.wmv' is aangetroffen op de volgende bestandslocatie: \DATA-PROGRAMMA\FAMILIE DATA 2016\01 […] DATA\DATA […] \ […] MAP\TABLET 7 inch\Nieuwe map
dat het kinderpornografisch materiaal met de bestandsnaam '2.jpg' is aangetroffen op de volgende bestandslocatie: \DATA-PROGRAMMA\FAMILIE DATA 2016X01 […] DATA\DATA […] \ […] MAP\TABLET 7 inch\FOTO […] .
Deze bestanden stonden op een bestandslocatie die voor de gebruiker van de onderzochte computer vrij toegankelijk was. Deze bestanden stonden tevens in mappen die de voornaam, achternaam en geboortedatum draagt van de verdachte in deze zaak. Het is aannemelijk dat de bovenliggende mappen van deze bestanden, met daarin de voornaam, achternaam en geboortedatum van verdachte verwerkt, door verdachte zelf aangemaakt zijn.
3. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 5 juni 2019 verklaard - zakelijk weergegeven -:
De computer die op 4 september 2017 bij mij thuis aan de [a-straat] te [plaats] is aangetroffen, is van mij. Ik heb op het beeldscherm van de computer kinderpornografische plaatjes gezien. Ik had de computer een paar maanden.”
5.5
Het hof heeft onder 7 bewezenverklaard – kort gezegd – dat de verdachte in de periode van 1 januari 2017 tot en met 4 september 2017 een gegevensdrager bevattende kinderporno in bezit heeft gehad. Uit ’s hofs bewijsvoering volgt in verband met de bewezenverklaarde periode dat de gegevensdrager, een Dell computer, op 4 september 2017 in de woning van de verdachte in beslag is genomen. Uit een door het hof tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte volgt dat hij heeft verklaard dat hij de computer een paar maanden in bezit had.
5.6
De steller van het middel voert aan dat de door het hof tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte niet valt te rijmen met de bewezenverklaarde periode van 1 januari 2017 tot en met 4 september 2017. In de verklaring van de verdachte wordt gesproken over een paar maanden, hetgeen naar normaal spraakgebruik niet zo ver zou reiken als de bewezenverklaarde periode van ruim negen maanden.
5.7
Het middel faalt, omdat daarin wordt miskend dat een bewezenverklaring die inhoudt dat de verdachte zich in een nader omschreven periode heeft schuldig gemaakt aan een feit niet betekent dat de verdachte gedurende de gehele bewezen verklaarde periode de in de bewezenverklaring genoemde handelingen heeft verricht. Voldoende is dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte in de bewezenverklaarde pleegperiode de daarin genoemde handelingen heeft verricht. [3]
5.8
Het vierde middel faalt.
Afronding
6.
6.1
Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130; HR 5 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1413, rov 2.3.
2.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rov. 2.8.1-2.8.7.
3.Vgl. HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1399, rov. 2.3, waarbij de Hoge Raad wijst op HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3728, rov. 3.4.