Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Bewezenverklaring, bewijsvoering en overwegingen inzake getuigenverklaringen
invoornoemde
periodeop het perceel [a-straat 1] te [plaats ]
Bewijsvoering
een hoeveelheid van een stof bevattendeamfetamine is geproduceerd, hecht het hof geen geloof aan deze verklaringen. De – overigens niet onderbouwde – verklaringen zijn in een stadium afgelegd dat het dossier al geruime tijd compleet was en ter beschikking van de verdachten stond en dit heeft hen de gelegenheid gegeven om de verklaringen op elkaar en/of de inhoud van het dossier af te stemmen. Dit doet naar het oordeel van het hof afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaringen. Daarnaast stroken de verklaringen niet met de hiervoor genoemde bevindingen en vinden deze ook onvoldoende steun in de overige inhoud van het dossier. Het hof schuift deze verklaringen dan ook terzijde.
2.4 De voor het bewijs gebruikte verklaringen van [medeverdachte 3]
3.Het middel
decisiveis voor de bewezenverklaring is niet eenvoudig te beantwoorden. Wat dit betreft deel ik de analyse van mijn ambtgenoot AG Aben dat uit de rechtspraak van het EHRM kan worden afgeleid dat de kernvraag – namelijk op welk moment het steunbewijs dermate krachtig is dat de verklaring van de niet-ondervraagde getuige binnen de bewijsconstructie niet (meer) als
decisivekan worden aangemerkt – moet worden beantwoord door te beoordelen of het bewijsoordeel (waarschijnlijk) anders zou luiden als de verklaring van de niet-ondervraagde getuige buiten beschouwing wordt gelaten. [6]
manifestly irrelevantis, omdat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. De Hoge Raad heeft in dit verband overwogen dat dit “zich bijvoorbeeld [kan] voordoen indien de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan”. [7] Deze maatstaf is in het arrest van 21 december 2021 als volgt nader geconcretiseerd: [8]
sole or decisiveis voor de bewezenverklaring. In dit verband merk ik op dat uit de overweging van het hof dat de verklaring van de medeverdachte “in het geheel van de bewijsconstructie [moet] worden gezien als niet meer dan een extra ondersteuning voor de juistheid van de hoofdzakelijk op basis van de letterlijke inhoud van de OVC-gesprekken gemaakte gevolgtrekking dat de verdachte deelnemer aan die gesprekken was en betrokken was bij het drugslab” kan worden opgemaakt dat het zwaartepunt van het bewijs bij de OVC-gesprekken – en niet bij de observaties van de verbalisanten – ligt.
manifestly irrelevantis, is niet onbegrijpelijk.
anderebewijsmiddelen reeds buiten redelijke twijfel is komen vast te staan hetgeen de verbalisanten hebben verklaard en dat het horen van de verbalisanten dus geen toegevoegde waarde heeft. Het argument dat het hof hiermee in feite al vooruit is gelopen op de inhoud van de verklaringen van de getuigen gaat dus niet op. [9] Ook de stelling dat uit de omstandigheid dat het hof de inhoud van de verklaringen van de verbalisanten voor het bewijs heeft gebezigd, volgt dat de verklaringen wel degelijk van belang zijn en toegevoegde waarde hebben, treft geen doel. Het gaat er immers niet zozeer om of de
afgelegdeverklaringen toegevoegde waarde hebben voor de bewijsvoering, maar of het
oproepen en het horenvan de getuige(n) enige toegevoegde waarde heeft.
Gelet op al het hiervoor overwogene[AG TS: mijn cursivering], in onderlinge samenhang bezien, levert een afwijzende beslissing tot het horen van de verbalisanten K107, K117 en K119 als getuigen naar het oordeel van het hof geen schending van het door art. 6, derde lid, onder d, EVRM gewaarborgde ondervragingsrecht op. Het hof wijst het voorwaardelijk verzoek derhalve af. Het hof acht het verzochte verhoor in verband met de volledigheid van het onderzoek niet noodzakelijk omdat het zich op dit punt voldoende voorgelicht acht en is van oordeel dat de verdediging door de afwijzing van het verzoek niet in haar verdediging is geschaad.”