Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Procesgang in feitelijke aanleg
4.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
(Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rechtsoverwegingen 2.12.1. en 2.12.2)
Verder is van belang dat de rechtbank de juistheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in het midden heeft gelaten en dat zij de vrijspraak van de verdachte van alle tenlastegelegde feiten daarop heeft gebaseerd dat niet zou zijn voldaan aan het bewijsminimumvoorschrift van artikel 342 lid 2 Sv Pro. Hier doet zich dus niet het geval voor dat de rechter in hoger beroep tot een oordeel komt over de betrouwbaarheid van een aan een opsporingsambtenaar afgelegde, de verdachte belastende verklaring van een getuige, dat tegengesteld is aan het oordeel daarover van de rechter in eerste aanleg (vgl. over dergelijke gevallen HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1943).
Daarnaast is van belang dat het hof in de voorliggende zaak uitvoerig heeft gemotiveerd op welke gronden het de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] betrouwbaar oordeelt en waarom het, anders dan de rechtbank, van oordeel is dat de verklaringen steun vinden in andere bewijsmiddelen en dus aan het bewijsminimumvoorschrift van artikel 342 lid 2 Sv Pro wordt voldaan.
Tot slot verdient nog opmerking dat de in de cassatieschriftuur genoemde omstandigheid dat het hof bij de behandeling van de zaak in hoger beroep geen vragen heeft gesteld aan de verdachte, zijn verklaring erin vindt – zoals blijkt uit het onder 2.5 weergegeven proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep – dat de verdachte niet is verschenen op de terechtzitting, terwijl zijn gemachtigde raadsman heeft aangegeven dat, als de verdachte (na een eventuele aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting) wel zou verschijnen, hem dringend zou worden geadviseerd zich te beroepen op het zwijgrecht.
5.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
6.Beslissing
27 juni 2023.