Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Het hof heeft allereerst overwogen dat de verklaring van [benadeelde] steun vindt in de bij zijn aangifte gevoegde bankafschriften (bewijsmiddel 2) en het proces-verbaal van bevindingen, dat inhoudt dat in de bewezenverklaarde periode van ongeveer acht maanden voor in totaal een bedrag van € 16.480 is gepind van de rekening van [benadeelde] (bewijsmiddel 3).
Het hof heeft daarnaast erop acht geslagen dat de verdachte de verklaring van [benadeelde] heeft betwist en dat namens hem naar voren is gebracht dat hij het betreffende bedrag met toestemming van [benadeelde] heeft opgenomen, waarbij een deel van het geld is besteed aan boodschappen ten behoeve van [benadeelde] en een ander deel contant aan [benadeelde] is afgedragen. Het hof heeft geoordeeld dat dit alternatieve scenario niet aannemelijk is geworden. Bij dat oordeel heeft het hof betrokken dat het onaannemelijk is dat [benadeelde] in een periode van zeven maanden een bedrag van ruim € 16.000 (voor zichzelf) zou hebben besteed, waarbij het hof niet alleen in aanmerking heeft genomen (i) het reguliere bestedingspatroon van [benadeelde] in de periode voorafgaand aan de bemoeienis van verdachte met aangever, zoals dat uit de in het dossier gevoegde bankafschriften blijkt, maar ook (ii) de wisselende en inconsistente verklaringen van de verdachte over de wijze waarop hij de boodschappen zou hebben betaald, en (iii) de omstandigheid dat de partner van de verdachte niet eensluidend over de door de verdachte geschetste gang van zaken heeft verklaard.
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
3 oktober 2023.