ECLI:NL:PHR:2022:590

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 juni 2022
Publicatiedatum
20 juni 2022
Zaaknummer
21/00842
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 244 SrArt. 248 SrArt. 342 lid 2 SvArt. 27 SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring seksueel misbruik minderjarige ondanks bewijsverweren

De zaak betreft een verdachte die tussen 7 en 11 mei 2016 seksueel misbruik zou hebben gepleegd op een minderjarige van nog geen twaalf jaar, die aan zijn zorg was toevertrouwd. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan zes voorwaardelijk, mede gebaseerd op de verklaringen van het slachtoffer en een WhatsApp-gesprek tussen verdachte en slachtoffer.

De verdediging voerde in hoger beroep onder meer aan dat de verklaringen van het slachtoffer tegenstrijdigheden en ongeloofwaardigheden bevatten en onvoldoende steun vonden in ander bewijsmateriaal, waaronder het WhatsApp-gesprek. Ook werd betoogd dat het bewijs niet voldeed aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro en dat de inzendtermijn in cassatie was overschreden.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof voldoende en gedetailleerd gemotiveerd heeft waarom het de verklaringen van het slachtoffer betrouwbaar acht en dat de verklaringen voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal, zoals het WhatsApp-gesprek en de eigen verklaring van de verdachte. De Hoge Raad wijst op het belang van een zorgvuldige beoordeling van de verklaringen en het bewijs, en bevestigt dat het hof niet gehouden was tot een nadere motivering over het bewijsminimum. Het derde middel over de overschrijding van de inzendtermijn slaagt, waardoor de straf wordt verminderd, maar het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor seksueel misbruik en vermindert de straf wegens overschrijding van de inzendtermijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/00842
Zitting21 juni 2022
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 25 februari 2021 door het gerechtshof Den Haag wegens ‘met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl het feit is begaan tegen een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige’, veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J.E. Kötter, advocaat te Amsterdam, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
De eerste twee middelen betreffen de bewijsvoering. Het derde middel ziet op schending van de inzendtermijn in cassatie.
Voorafgaand aan de bespreking van de middelen geef ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen, delen van de pleitnota en de bewijsoverweging van het hof weer.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
‘hij in de periode van 7 mei 2016 tot en met 11 mei 2016 te ’s-Gravenhage, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2006, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten
- het wrijven over de kleding ter hoogte van de buik en het kruis van die [slachtoffer] en
- het brengen van zijn hand in de broek en onderbroek van die [slachtoffer] en
- het wrijven over de vagina en schaamstreek van die [slachtoffer] en
- het brengen/duwen van één of meer vinger(s) tussen de schaamlippen en in de vagina van die [slachtoffer] ,
zulks terwijl die [slachtoffer] aan zijn, verdachtes, zorg en waakzaamheid was toevertrouwd’
6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):
‘1.
Het proces-verbaal van bevindingend.d. 18 oktober 2016 van de politie Eenheid Den Haag (…) inhoudende het verhoor met [slachtoffer] (…) - zakelijk weergegeven -:
Ik ben 10 jaar. Ik was bij [verdachte] omdat mijn moeder op vakantie ging en hij op mij ging passen. Hij was eerst gaan slapen en toen werd hij wakker en toen zag hij dat ik op die andere bank zat en toen zei hij dat ik bij hem moest zitten. Toen ging die niet meer slapen, ging die alleen maar zijn ogen dicht doen. Hij ging gewoon liggen en toen wou hij dat ik naast hem ging liggen. Toen ging ik bij hem liggen en de film kijken. Hij ging elke keer met zijn hand eerst over mijn buik aaien en toen ging hij elke keer iets lager. Toen duwde ik zijn hand weg en toen ging die in mijn broek en in mijn onderbroek. Eerst ging hij aaien over mijn geslachtsdeel en de binnenkant van mijn heup en dan gaat hij elke keer keihard met die vinger in mijn geslachtsdeel. Dat deed pijn onder mijn buik, omdat hij scherpe nagels had en erin ging. Zijn handpalm was waar ik pijn had. Hij ging elke keer mijn geslachtsdeel in en dan ging hij er keihard in duwen, met zijn nagels. Hij ging met twee vingers in mijn geslachtsdeel en die andere twee vingers waren op mijn benen. Elke keer als ik wegging duwde hij me terug en deed hij het weer. Hij ging elke keer met zijn hele lijf tegen mij aandrukken.
(...)
Ik vertelde het tegen mama toen hij allemaal berichtjes begon te sturen en toen had ik het gelijk aan mama gestuurd. Hij zei, wist je nog toen ik je ging kietelen. Toen deed ik alsof ik van niets wist. En toen zei ik 'nee' en toen vroeg hij het weer en toen zei ik de hele tijd 'nee'. Ik werd bang omdat hij dat elke keer zei en dat hij elke keer door zou vragen en dat ik dan elke keer 'nee' moest zeggen, dat ik van niets wist. Hij zei "Verwijder die berichten maar. Je moeder zal er wel iets raars bij denken". Ik had het niet eerder aan mijn moeder verteld, omdat ik dacht dat als ik het er niet meer over heb en hij ook niet, dat het dan is alsof het nooit gebeurd is. Ik wilde het er niet over hebben.
2.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer]d.d. 2 juli 2018 bij de rechter-commissaris, inhoudende het verhoor met [slachtoffer] - zakelijk weergegeven -:
Ik heb screenshots naar mijn moeder gestuurd. Via whatsapp ging [verdachte] vragen hoe ik het vond toen hij dat had gedaan. Hij zei "weet je nog toen ik je ging kietelen". Ik zei "wanneer heb je gekieteld". Ik deed alsof ik van niets wist en toen zei hij "dan droomde ik het”. Toen raakte ik een beetje in paniek en toen had ik het zonder, enig idee naar mijn moeder gestuurd. Zij ging toen vragen stellen en toen moest ik het wel zeggen. Ik heb het niet gelijk aan mijn moeder verteld, omdat ik het stom vond wat hij had gedaan, ik wilde het gewoon vergeten. Ik raakte in paniek omdat ik het al een soort van vergeten was, maar toen hij opeens appte, herinnerde ik het me weer. Toen ik bij hem op de bank lag, ging hij eerst over mijn buik wrijven en toen ging hij steeds lager. Ik heb hem niet gekieteld. Ik ging me steeds omdraaien dat hij zijn hand weg ging halen. Ik weet niet of [verdachte] tegen kietelen kan. Hij had zijn vinger in mijn toenie gedaan en dat noemde hij kietelen op de app. Ik denk dat hij dat bedoelt met kietelen, omdat hij op de app zei "je vond het niet erg toch?" Na de speeltuin bij de tv had hij niet gekieteld, alleen dat. Ik kan niet tegen kietelen.
[verdachte] heeft me nooit gekieteld en ik heb niet gevraagd of hij mij wilde kietelen. Toen zijn hand steeds lager ging, draaide ik me steeds om, want ik dacht dat hij zijn hand dan ging weghalen. Hij ging gewoon door. Hij zat in mijn onderbroek. Hij ging met zijn hele hand in mijn onderbroek zitten, bij mijn toenie. Hij wreef op mijn toenie en toen ging hij met zijn vinger in mijn toenie. Toen ging hij eruit en toen had hij zijn hand weer op mijn buik en toen weer erin. Dat deed pijn.
3.
Het proces-verbaal uitlezen mobiel toesteld.d. 7 december 2016 van de politie Eenheid Den Haag, Team Digitale Expertise, inhoudende een whatsappgesprek tussen de verdachte en het slachtoffer d.d. 12 augustus 2016 (…) - zakelijk weergeven -:
S = [verdachte]
[slachtoffer] = [slachtoffer]
13.47: [verdachte] : En jou kietelen hihi
13.47 [slachtoffer] : Huh waneer ging jij mij kietelen
13.48 [slachtoffer] : ?
13.48 [verdachte] : Soort van kietelen
13.48 [slachtoffer] : Waneer

13.49 [slachtoffer] : Zeg dan wanneer
13.51 [verdachte] : Ben je gewoon thuis

13.59 [verdachte] : Wis je app straks wel ok
13.59 [slachtoffer] : Hz
14.00 [verdachte] : Je moeder gebruikt je telefoon toch ook
14.00 [slachtoffer] : Nee
14.01 [verdachte] : Ok. Maar doe toch maar liever. Anders wordt er misschien teveel gekieteld
14.01 [slachtoffer] : Wat bedoel je nou je bent gekieteld toen ik bij je sliep
14.02 [verdachte] : Ja
14.02 [slachtoffer] : Wat bedoel je nou!?
14.03 [verdachte] : Ja als jij het niet weet dan weet ik het ook niet hoor
14.03 [slachtoffer] : Howww
14.04 [verdachte] : Toen we bij elkaar lagen op de bank. Tv aan
14.05 [slachtoffer] : Ging jij mij toch kietelen?
14.05 [verdachte] : Ja toch
14.05 [slachtoffer] : Oh ok
14.06 [verdachte] : Vond je toch niet erg
14.07 [slachtoffer] : Maak jij een grapje?
14.08 [slachtoffer] : Jij ging mij niet eens kietelen
14.08 [slachtoffer] : N
14.09 [verdachte] : Dan droomde ik
14.09 [slachtoffer] : Ja waarschijnlijk wel

14.10 [verdachte] : Ok maar wis die app ja schat
4.
De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 11 februari 2021 verklaard - zakelijk weergegeven -:
Ik woon in [plaats] . [slachtoffer] heeft bij mij gelogeerd. Ze is op 8 mei 2016 afgezet. Ze heeft drie nachten bij mij geslapen. Toen ze naast mij op de bank lag zocht zij op een ongepaste manier toenadering. Zij deed een zoenpoging naar mij. Ik kan me voorstellen dat het kietelen bij haar lustgevoelens heeft opgewekt.’
7. Blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 februari 2021 heeft de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover van belang, het volgende in (met weglating van verwijzingen):
‘II. Bewijsverweren

Verklaring cliënt

5. In het kader van de bespreking van het vermeende bewijs kom ik eerst toe aan de verklaringen van cliënt. Zoals zojuist inleidend opgemerkt, ontkent cliënt zeer uitdrukkelijk dat hij de ten laste gelegde handelingen heeft gepleegd. Cliënt schetst daarbij een alternatieve lezing, welke ik beknopt zal weergeven en waaraan ik de nodige conclusies zal verbinden.
6. Cliënt geeft aan dat dat hij in de genoemde periode, op verzoek van de moeder van [slachtoffer] tevens zijnde de ex-partner van cliënt, heeft opgepast op [slachtoffer] . Hierbij heeft [slachtoffer] bij cliënt geslapen. [slachtoffer] sliep in de computerkamer op het logeerbed. Bij dag twee is er TV gekeken. Cliënt lag op de bank. [slachtoffer] kwam erbij zitten. [slachtoffer] vroeg of cliënt tegen kietelen kon. Cliënt gaf aan daartegen te kunnen. Hierbij heeft [slachtoffer] cliënt gekieteld. [slachtoffer] vroeg op een plagerige manier om haar te kietelen, hetgeen cliënt heeft gedaan. Cliënt kreeg de indruk dat [slachtoffer] haar wilde zoenen. Cliënt heeft zijn gezicht afgewend. Omdat hij deze situatie opmerkelijk vond wenste hij DIT in het belang van [slachtoffer] te bespreken middels het bij ons allemaal bekende WhatsApp-gesprek. Dit is dan ook de reden dat cliënt het had over kietelen.
7. De rechtbank komt in haar vonnis tot het oordeel dat in de eigen verklaringen van cliënt belastend steunbewijs kan worden gevonden. De verdediging kan dit oordeel niet volgen en is, om de hierna te noemen redenen, van mening dat de verklaringen van cliënt niet kunnen bijdragen aan een bewijsconstructie.
8. Er zijn overeenkomsten tussen de verklaringen van cliënt en tussen de verklaringen van [slachtoffer] . Dit maakt nog niet dat de verklaringen van [slachtoffer] daarom op redengevende wijze steun vinden in de verklaringen van cliënt.
Het gegeven dat cliënt ook verklaart dat er sprake was van oppassen maakt nog niet dat de verklaringen van cliënt belastend steunbewijs vormen.
Het gegeven dat cliënt ook verklaart dat [slachtoffer] bij hem in de woning heeft geslapen maakt nog niet dat de verklaringen van cliënt belastend steunbewijs vormen.
Het gegeven dat cliënt ook heeft verklaard dat [slachtoffer] bij hem op de bank heeft gelegen maakt eveneens niet dat de verklaringen van cliënt belastend steunbewijs vormen.
Al deze gegevens waren al vaststaande feiten, welke vaststaande feiten niet de vergaande conclusie rechtvaardigen dat [slachtoffer] de waarheid zou hebben gesproken. In deze zaak is de vraag: Wat is er tijdens het oppassen gebeurd op de bank?
Dit is de zogeheten crux van de zaak. En juist bij de beantwoording van die essentiële vraag lopen de verklaringen van cliënt en [slachtoffer] uiteen. Al met al kan dan ook niet worden gesteld dat de verklaring van [slachtoffer] op essentiële en relevante wijze steun vindt in de verklaring van cliënt.
9. Tot slot wenst de verdediging, bij de bespreking van de verklaringen van cliënt, op te merken dat de verdediging niet is gestuit op onmogelijkheden of onjuistheden in de verklaringen van cliënt welke de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat de verklaringen van cliënt als ongeloofwaardig terzijde dienen te worden geschoven.

Verklaringen [slachtoffer]

10. Reeds in eerste aanleg is er, zowel van de zijde van het OM als die van de verdediging, veelvuldig gesproken over de bruikbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] . Ook ik ontkom er vandaag niet aan om dienaangaande, in het kader van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, de nodige opmerkingen te maken.
11. De verdediging ziet in de verklaringen van [slachtoffer] onder andere de navolgende inconsistenties.
12. Uit het proces-verbaal van bevindingen ziende op de geluidsopname zegt [slachtoffer] dat cliënt bij haar komt liggen, tijdens haar verhoor verklaart zij dat zij bij cliënt kwam liggen.
13. Eerst zou het één keer hebben plaatsgevonden, tijdens het studioverhoor is verklaard dat het twee keer zou zijn gebeurd en bij de r-c gaat het weer (…) om één keer.
14. Ook over de duur van het vermeende misbruik wordt tegenstrijdig verklaard. Op 18 oktober 2016 verklaart [slachtoffer] dat het ongeveer een kwartier heeft geduurd. Op 2 juli 2018 verklaart [slachtoffer] dat het ongeveer tien minuten was maar dan maar een paar minuten aanraken.
15. Dan de gebruikte vingers.
Op 18 oktober 2016 verklaart [slachtoffer] desgevraagd uitdrukkelijk dat cliënt met twee vingers in haar geslachtsdeel heeft gezeten.
Op 2 juli 2018:

Verhoorder: met zijn rechterhand. En met hoeveel vingers ging hij in jouw toenie?
[slachtoffer] : Eén.'
16. De film die tijdens het vermeende misbruik opstond. Tijdens het eerste verhoor verklaart [slachtoffer] dat cliënt deze voor haar had opgezet. Tijdens het tweede verhoor, een kleine twee jaar later, was deze film gewoon op TV.
17. [slachtoffer] verklaart tegenstrijdig ten aanzien van haar eigen kleding alsook over de kleding van cliënt. Over zichzelf verklaart zij dat zij een broek droeg, waarna [slachtoffer] later verklaart dat ze een jurkje droeg. Ten aanzien van cliënt geeft ze eerst aan dat hij met de onderbroek op de bank lag en tijdens het verhoor op verzoek van de verdediging verklaart ze dat hij een broek droeg. Pas nadat zij wordt geconfronteerd met deze tegenstrijdigheid nuanceert zij dit.
18. Naast de voormelde inconsistenties stelt de verdediging vast dat verder elementen in het dossier opvallen die afbreuk doen aan de betrouwbaarheid van het door het OM geschetste scenario. Deze zal ik nu toelichten.
19. De moeder van [slachtoffer] heeft niets aan haar vernomen. Dit geldt voor de periode dat [slachtoffer] bij cliënt was als ook de periode erna.
20. [slachtoffer] heeft niets ondernomen om haar moeder te berichten in de dagen bij cliënt. Desgevraagd verklaart zij dienaangaande - kort gezegd - dat zij dan bang zou zijn omdat zij nog bij cliënt is. maar ook dit kan de verdediging niet rijmen, want zij had hier niet over hoeven te bellen. Zij had ook kunnen appen, waardoor cliënt niks zou merken.
21. [slachtoffer] gaat na het vermeende misbruik op de andere bank zitten, gaat vervolgens naar haar kamer en komt dan terug richting cliënt omdat zij zich verveelt. Ook dit vindt de verdediging – voorzichtig gezegd – zeer merkwaardig en ongeloofwaardig.
22. Het valt de verdediging op dat [slachtoffer] bij het versturen van de WhatsApp-berichten tussen haar en cliënt naar haar moeder, niet had verwacht dat ook de politie zou worden betrokken. Alsof ze het gevolg van haar eigen handelen niet had overzien.
23. Voorts valt het de verdediging op dat wanneer [slachtoffer] wordt gevraagd naar de reden voor het versturen van de berichten naar haar moeder zij verklaart:
‘Nou, ik werd bang omdat dat hij dat elke keer zei. En toen ik dat stuurde toen had ik er niet bij nagedacht dat ik het dan allemaal moest uitleggen, en toen ging mijn moeder gelijk naar de politie toe.' (p. 61)
Twee jaar later verklaart [slachtoffer] opvallend genoeg dat zij het 'als soort van vergeten' was toen cliënt haar appte. Dit verhoudt zich niet tot haar eerdere opmerking dat zij bang was dat cliënt ’dat elke keer zei'.
24. Voorts is reeds door de verdediging veelvuldig in eerste aanleg aangevoerd dat de wijze waarop cliënt en [slachtoffer] zouden hebben gelegen de handelingen vrijwel feitelijk onmogelijk maken.
[slachtoffer] zou zelf op haar zij hebben gelegen met opgetrokken benen tegen elkaar. Hierbij had zij ook nog eens een strakke broek/legging aan.
Cliënt zou tijdens de handelingen met zijn ene arm onder zijn hoofd hebben gelegen. Om vervolgens dan omslachtig met de andere arm, in de moeilijke houding van [slachtoffer] , in haar broekje te kunnen.
25. Verder is in eerste aanleg al benadrukt dat [slachtoffer] vervolgens nog wel contact blijft zoeken met cliënt, foto's stuurt en op zelfde gelegenheden is, zonder dat dan iets aan haar te merken is.
26. De officier van justitie heeft in eerste aanleg, blijkens het schriftelijke requisitoir, aangevoerd dat [slachtoffer] 'heel consequent' heeft verklaard en de enige discrepanties kunnen naar mening van de officier van justitie worden verklaard door het tijdsverloop. De officier van justitie wil zelfs ‘nog verder gaan’ en geeft aan dat je juist vraagtekens moet zetten op het moment dat [slachtoffer] het nog precies herinnert.
Vorenstaande kan de verdediging niet volgen. Het gaat hier om een zedenzaak met slechts de verklaring van cliënt tegen dat van [slachtoffer] . Er is geen steunbewijs anders dan het WhatsApp-bericht waarover ik straks nog het nodige zal zeggen. Het is dan juist van belang om de verklaring van [slachtoffer] goed en kritisch te bekijken. Bij inconsistenties doet dat automatisch afbreuk aan de bruikbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] . Immers bij het volgen van de beredenering van de officier van justitie zitten wij in een cirkelberedenering. Een consistente verklaring maakt de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar, maar een niet consistente verklaring maakt ook dat sprake is van een betrouwbare verklaring. Kort maar goed: er zal altijd sprake zijn van een betrouwbare verklaring van een aangeefster. Dit is natuurlijk pertinent onjuist.
27. Dan de vraag: Waarom zou [slachtoffer] in strijd met de waarheid hebben verklaard?
Deze vraag is voor cliënt zeer moeilijk te beantwoorden, daar hij in het hoofd zou moeten kijken van [slachtoffer] of met [slachtoffer] in gesprek zou moeten gaan teneinde het nodige te vragen. Cliënt kan slechts gissen naar het antwoord en dit heeft hij ook gedaan vanaf het eerste moment dat hij op de hoogte is geraakt met de verwijten aan zijn adres. Cliënt heeft dienaangaande reeds verklaard dat hij denkt dat [slachtoffer] erkenning wil. Zo heeft zij ook vaker gevraagd of cliënt meer van [slachtoffer] hield dan van zus Manisha.
28. In aanvulling op het vorenstaande wordt zijdens de verdediging opgemerkt dat zij de wijze waarop moeder in het begin het nodige bevraagt ook niet bevorderlijk vindt voor de waarheidsvinding.
Kort na het versturen van de berichten aan moeder en het contact van moeder met de politie heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen moeder en [slachtoffer] . Dit gesprek is opgenomen en uitgewerkt op de pagina's 035 en 036 van het dossier. Het valt de verdediging op dat de wijze waarop moeder destijds [slachtoffer] heeft benaderd het levensgrote risico op uitlatingen in strijd met de waarheid met zich mee heeft gebracht. Zoals aangegeven was [slachtoffer] geschrokken van het gegeven dat de politie was ingeschakeld. Vervolgens gaat moeder met dwingende vragen op zoek naar de vermeende waarheid. Voorbeeld:
V: moeder [betrokkene 1]
A: dochter [slachtoffer]
V: Oke vertel me alles wat er gebeurd is.
A: Kwam hij naast me liggen.
V: Ja ik wil het.... Nee even serieus [slachtoffer] ik wil het even gewoon even weten ja?
Mam vraagt het jeéén keer daarna vraag ik het je niet meer.
A: Toen ging hij in mijn broek
Vorenstaande maakt eveneens dat het zeer goed mogelijk is geweest dat [slachtoffer] zich genoodzaakt heeft gevoeld om, in strijd met de waarheid, te verklaren zoals zij heeft verklaard.
Tussenconclusie
29. De verdediging stelt zich, op grond van al het vorenstaande, op het standpunt dat de verklaringen van [slachtoffer] tegenstrijdigheden, ongeloofwaardigheden en onjuistheden bevatten. Reden dat de verdediging tot de conclusie komt dat deze verklaringen van [slachtoffer] niet kunnen worden gebezigd tot het bewijs.
WhatsApp-gesprekken
30. Uit artikel 342 Sv Pro volgt dat het bewijs dat een verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één persoon. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing. in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
31. De Hoge Raad heeft reeds al zijn arresten van 30 juni 2009 het aangescherpt criterium aangelegd dat een aangifte in
voldoendemate moet worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.
32. Uit het vonnis volgt dat de rechtbank steunbewijs vindt in het WhatsApp-gesprek opgenomen op pagina 4 van het vonnis. De rechtbank geef in haar vonnis op pagina 5 aan dat het gaat om 'objectieve bewijsmiddelen'. De verdediging stelt zich uitdrukkelijk op het standpunt dat er geen steunbewijs kan worden gevonden in het WhatsApp-gesprek.
33. Ter onderbouwing acht de verdediging het allereerst van belang om te benadrukken dat de feitenrechter behoedzaam dient om te gaan met de beoordeling en interpretatie van dit soort (digitale) gesprekken. Iedere gesprekspartner heeft zijn/haar eigen wijze van communiceren. Een wijze van communiceren welke door een derde als omslachtig, vervelend, vreemd of zelfs onbegrijpelijk kan worden gezien, maar welke bij de zender wel daadwerkelijk het doel had om de door hem/haar bedoelde boodschap over te brengen. Het invullen van conclusies door een derde - in strafzaken: de feitenrechter - brengt het levensgrote risico met zich mee dat er sprake is van een misinterpretatie met zeer grote negatieve gevolgen.
34. In casu is daar sprake van. Cliënt geeft reeds tijdens diens verhoren bij de politie aan welk gesprek hij wenste aan te gaan met aangeefster. Voorts geeft cliënt aan wat hij heeft bedoeld met het veelbesproken 'kietelen'. De rechtbank oordeelt in haar vonnis dat dit terzijde dient te worden geschoven, omdat [slachtoffer] heeft verklaard dat er nooit sprake is geweest van een normale manier van kietelen. De verdediging kan deze motivering van de rechtbank niet volgen. Kort maar goed oordeelt de rechtbank: de verklaringen van [slachtoffer] vinden steun in de WhatsApp-berichten waarvan de uitleg van de inhoud van die gesprekken steun vindt in de verklaring van [slachtoffer] . Dit is wederom een cirkelberedenering welke de bewezenverklaring absoluut niet kan dragen.
35. Juist om dit soort miscommunicatie te voorkomen heeft cliënt destijds verzocht om het nodige te wissen. Ook dit maakt niet dat kan worden gesteld dat het scenario van cliënt niet klopt en dat kan worden gesteld dat er geen enkele twijfel is bij het scenario zoals geschetst door [slachtoffer] .
36. Bij een minder kritische lezing zou het vergelijk kunnen worden gemaakt met de zaak van de Hoge Raad van 6 maart 2012. In die zaak ging het om het misbruik van een kleindochter door opa. Dit misbruik was aan het licht gekomen door het vinden van de dagboekaantekeningen van de kleindochter door mama. Er is echter een zeer groot verschil met de zaak van cliënt. In de voormelde zaak vond de feitenrechter het juist van groot belang dat de dagboekaantekening van het minderjarige meisje niet door haarzelf naar voren is gebracht, maar bij toeval is gevonden door de moeder van het meisje. In de zaak van cliënt zijn de WhatsApp-berichten juist bewust door [slachtoffer] verspreid aan haar moeder. Het is niet zo geweest dat de moeder van [slachtoffer] deze berichten bij toeval heeft gevonden in de telefoon van [slachtoffer] .
37. Nee. [slachtoffer] heeft deze WhatsApp-berichten juist zelf verzonden.
Cliënt zegt: bewust om – kort gezegd – de aandacht te kunnen krijgen.
Het OM zegt – kort gezegd – dat [slachtoffer] dit deed om hulp te krijgen voor haar misbruik. Deze stelling van het OM, die niet verder kan worden onderbouwd, staat echter wel haaks op het gegeven dat [slachtoffer] tussen het logeren en het verzenden van het WhatsApp-bericht niet eerder te kennen heeft gegeven dat er iets is gebeurd, geen gedragsverandering heeft laten zien en met name juist vrolijk toenadering is blijven zoeken bij cliënt. Zelfs enkele dagen na het eerste bezoek aan het politiebureau van moeder was [slachtoffer] nog vrolijk met cliënt in de ouderlijke woning van cliënt aan de Leyweg 525-j in Den Haag (…).
Mijns inziens valt het simpelweg niet zonder twijfel vast te stellen.
Tussenconclusie
38. Vorenstaande reden dat de verdediging zich op het standpunt stelt dat de WhatsApp-gesprekken in combinatie met de verklaring van [slachtoffer] geen bewezenverklaring kunnen dragen.

Overige omstandigheden van het geval

39. De vraag die slechts overblijft is:
Zijn er andere feiten of omstandigheden die kunnen worden gekwalificeerd als belastend bewijs?In de visie van de verdediging kan deze vraag kort en krachtig worden beantwoord: nee.
40. Zoals hiervoor reeds aangegeven, vindt de rechtbank, bij de beoordeling van de verklaring van [slachtoffer] , steunbewijs in de WhatsApp-berichten. Dit is zojuist door de verdediging weerlegd.
41. Voorts stelt de rechtbank dat de verklaring van [slachtoffer] in grote mate wordt ondersteund door de eigen verklaring van cliënt. In de visie van de verdediging is dit oordeel onjuist. Hiervoor is reeds uitgebreid ingegaan op de verklaringen van cliënt. Voorts is hiervoor uiteengezet waarom de eigen verklaring van cliënt geen steunbewijs vormt.
Ik verzoek Uw Hof, om herhaling te voorkomen, hetgeen onder randnummer 8 is opgemerkt hier als voorgedragen en ingelast te beschouwen.
41. In het dossier zitten verder nog de verklaringen van de moeder van [slachtoffer] . In de visie van de verdediging kunnen deze verklaringen eveneens niet worden gekwalificeerd als zijnde belastend bewijs. Zij neemt de verklaringen van [slachtoffer] over. Het is eerder zo dat de verklaring van moeder als ontlastend dient te worden gekwalificeerd, daar zij niets heeft vernomen aan [slachtoffer] .
44. De verdediging heeft verder gezien dat de verhorende verbalisanten het noodzakelijk vonden om in het proces-verbaal van het verhoor op te nemen dat cliënt lange nagels had. Vorenstaande daar [slachtoffer] heeft verklaard dat de handelingen onder andere pijnlijk zouden zijn geweest door de lange nagels van cliënt. Deze constatering zijdens de verbalisanten kan eveneens niet worden gezien als redengevende ondersteuning van de verklaring van aangeefster. Dit 'lichaamskenmerk' van cliënt was voor eenieder zichtbaar. Hiermee bedoel ik te zeggen, dat er geen misbruik hoeft te hebben plaatsgevonden om dit te kunnen vaststellen. Het is goed mogelijk dat een verdachte een 'lichaamskenmerk' heeft dat slechts zichtbaar is op het moment dat bijvoorbeeld kleding uitgaat. Op dat moment zou kunnen worden gesteld dat dit zeer kenmerkend is voor de verdachte en niet voor eenieder zichtbaar is. Denk hierbij aan details omtrent het geslacht van de verdachte. Bij nagels is hier natuurlijk helemaal geen sprake van.
Tussenconclusie
45. De verdediging stelt vast dat er derhalve ook geen andersoortig steunbewijs aanwezig is dat de verklaring van [slachtoffer] zou kunnen ondersteunen, laat staan in voldoende mate.

Conclusie: vrijspraak

46. Al met al stelt de verdediging zich op het standpunt dat cliënt integraal dient te worden vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten.
8. Het hof heeft het volgende overwogen ten aanzien van het bewijs:
‘Betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster
Ter terechtzitting is door en namens de verdachte aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefster (hierna: [slachtoffer] ) tegenstrijdigheden, ongeloofwaardigheden en onjuistheden bevatten en dat deze derhalve niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd. Hieraan heeft de raadsman de conclusie verbonden dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsman verschillende onderdelen van de verklaringen van [slachtoffer] belicht en weersproken. Daarnaast heeft de raadsman gesteld dat het gewone gedrag, van [slachtoffer] na het vermeende misbruik afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van haar verklaring.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat [slachtoffer] consequent heeft verklaard en dat er geen reden is om haar verklaringen onbetrouwbaar te achten.
Het hof overweegt als volgt.
Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van verklaringen komt betekenis toe aan de consistentie, nauwkeurigheid en volledigheid van die verklaringen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat [slachtoffer] gedetailleerd en consistent heeft verklaard ten aanzien van de tenlastegelegde handelingen van de verdachte. [slachtoffer] heeft zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris gedetailleerd verklaard over de handelingen die op de bank hebben plaatsgevonden, namelijk dat de verdachte haar buik, benen en geslachtsdeel heeft betast en vervolgens in haar vagina ging, waarbij zij zijn nagels voelde. Dat [slachtoffer] - ruim anderhalf jaar na het verhoor bij de politie - bij de rechter-commissaris een verklaring heeft afgelegd die op onderdelen afwijkt van haar eerste verklaring, betekent niet dat haar verklaringen onbetrouwbaar zijn en aldus moeten worden
uitgesloten van het bewijs.
Voorts is het hof - anders dan de raadsman – van oordeel dat dat [slachtoffer] 's gedrag na de aan de verdachte tenlastegelegde handelingen geen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen. [slachtoffer] heeft weliswaar niet aan haar moeder of aan anderen laten blijken dat er tijdens de logeerpartij bij de verdachte iets was gebeurd, maar zij heeft hierover verklaard dat ze dacht dat de verdachte het er niet meer over zou hebben als zij dat ook niet zou doen. Zij wilde het vergeten. De zaak is aan het licht gekomen toen de verdachte [slachtoffer] drie maanden later een whatsappbericht stuurde over de bewuste avond, waarin hij haar vroeg naar het 'soort van kietelen' en of zij het gesprek van whatsapp wilde verwijderen, zodat haar moeder het niet zou kunnen lezen. Het hof acht het voorstelbaar dat [slachtoffer] hier zo van schrok, dat zij de berichten doorstuurde aan haar moeder, waardoor deze er achter zou komen wat er was gebeurd.
Het hof acht de verklaring van [slachtoffer] , waarin zij aangeeft het hele voorval te willen vergeten geloofwaardig. Ook hierover heeft [slachtoffer] in de kern consistente verklaringen, afgelegd. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [slachtoffer] destijds 10 jaar oud was en dat niet van haar kon worden verwacht volwassen en verstandige beslissingen te nemen over hoe te handelen nadat de aan de verdachte tenlastegelegde gedragingen hadden plaatsgevonden.
Het hof volgt het standpunt van de verdediging dat de verklaringen van [slachtoffer] zijn ingegeven of gevormd door haar moeder, die dwingende vragen aan haar zou hebben gesteld, niet. [slachtoffer] is steeds in een kindvriendelijke setting gehoord, waarbij open vragen zijn gesteld. Uit de verhoren blijkt ook niet dat [slachtoffer] zich gedwongen kon hebben gevoeld om in strijd met de waarheid te verklaren. In het dossier zijn ook overigens geen aanwijzingen te vinden die erop duiden dat de verklaringen van [slachtoffer] haar, door haar moeder of op andere wijze, in de mond zijn gelegd.
(…)
Bewijsoverwegingen
Ter terechtzitting is door en namens de verdachte bepleit dat hij integraal moet worden vrijgesproken van het hem tenlastegelégde feit, nu in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is te vinden.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Het hof overweegt als volgt.
[slachtoffer] heeft op 18 oktober 2016 haar eerste verklaring afgelegd tegenover de politie. Zij heeft daar verklaard dat zij logeerde bij de verdachte, die de vader van haar halfzus is. Op enig moment heeft de verdachte voor [slachtoffer] een film opgezet en is hij op de bank gaan slapen. [slachtoffer] zat op de andere bank, maar omdat daarop te veel kussens lagen, zei de verdachte toen hij wakker werd. 'kom maar hier' . De verdachte lag op zijn zij.. Op verzoek van de verdachte is [slachtoffer] naast hem. gaan liggen om verder naar de film te kijken. Toen begon de verdachte .met zijn hand over [slachtoffer] 's buik aaien, hij ging steeds iets lager. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij de hand van de verdachte wegduwde, maar dat hij toch in haar broek en onderbroek ging. Eerst was hij aan het aaien bij haar geslachtsdeel en aan de binnenkant van haar heup, daarna duwde hij keihard met zijn vingers in haar geslachtsdeel. [slachtoffer] heeft verklaard dat het pijn deed omdat hij scherpe nagels had. Zijn handpalm was op de plek waar ze pijn had en hij ging met twee vingers in haar geslachtsdeel. Ze wilde steeds weggaan, maar dan trok de verdachte haar terug en deed hij het weer. Hij drukte met zijn hele lijf tegen haar aan. Elke keer dat [slachtoffer] wegging, pakte de verdachte haar hand, drukte hij haar terug en ging hij weer door.
Ongeveer drie maanden na het tenlastegelegde feit is de verdachte met [slachtoffer] een privéchat op whatsapp begonnen. De verdachte is in het whatsappgesprek zelf over 'toen ik je ging kietelen' begonnen. [slachtoffer] vroeg vervolgens wanneer de verdachte haar dan had gekieteld. Hierop heeft de verdachte geantwoord: "een soort van kietelen". Het gesprek is daarna over iets anders gegaan, maar later heeft de verdachte tegen [slachtoffer] gezegd "Wis je app straks wel ok". Hoewel [slachtoffer] liet weten dat haar moeder haar telefoon niet gebruikt, hield de verdachte vol: "Ok. Maar doe toch maar liever. Anders wordt er misschien teveel gekieteld". [slachtoffer] heeft verklaard dat ze van deze berichten zo in paniek raakte dat ze de screenshots van dit gesprek naar haar moeder heeft gestuurd.
Ook tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op 2 juli 2018 heeft [slachtoffer] verklaard dat zij bij de verdachte op de bank ging liggen, dat hij zijn hand op haar buik legde en dat hij steeds lager ging. De verdachte heeft daarna zijn hand op haar toenie (het hof begrijpt: vagina) gelegd en vervolgens zijn vinger in haar toenie gedaan. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij de verdachte nooit heeft gekieteld en dat hij haar ook niet heeft gekieteld. De verdachte noemde het op whatsapp 'kietelen', maar omdat zij nooit gekieteld is door de verdachte, dacht [slachtoffer] dat de verdachte doelde op zijn vinger die in haar toenie zat.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat [slachtoffer] een aantal dagen bij hem heeft gelogeerd in de periode tussen 7 mei en 11 mei 2016. Toen zij op de bank lagen, voelde de verdachte een bepaalde seksuele lading tussen hem en [slachtoffer] . De verdachte heeft verklaard dat hij die situatie pp de bank zodanig heeft geïnterpreteerd dat hij dacht dat [slachtoffer] hem wilde zoenen, toen zij met haar hoofd richting zijn hoofd ging. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij zijn hoofd heeft weggedraaid en dat hij daarna naar de keuken is gelopen om afstand te nemen van de situatie. Ongeveer drie maanden na dit incident, op 12 augustus 2016, heeft de verdachte [slachtoffer] hierop willen aanspreken. Hiertoe is de verdachte een whatsappgesprek begonnen en heeft hij gevraagd of [slachtoffer] het kietelen niet erg vond en of ze de berichten hierover wilde verwijderen.
Het hof leidt uit deze ter terechtzitting afgelegde verklaring van de verdachte af dat de bepaalde seksuele lading die de verdachte heeft gevoeld, althans meende aanwezig te zijn bij [slachtoffer] , kennelijk zo hevig was dat de verdachte zich na drie maanden nog genoodzaakt voelde hierop terug te komen in een whatsappgesprek, dat op zijn verzoek gewist moest worden.
Uit de verklaringen van [slachtoffer] , de verklaring van de verdachte en de inhoud van het whatsappgesprek leidt het hof af dat er de bewuste avond meer is gebeurd tussen [slachtoffer] en de verdachte dan gewoon kietelen, zoals de verdachte heeft verklaard. Het hof acht de verklaring van de verdachte over hetgeen die bewuste avond heeft plaatsgevonden niet geloofwaardig.
Op grond van het bovenstaande is voor het hof komen vast te staan dat die avond de bewuste tenlastegelegde handelingen hebben plaatsgevonden.
Gelet op het bovenstaande is het hof dan ook van oordeel dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de bewezenverklaarde gedragingen.’
9. Het
eerstemiddel bevat de klacht dat het hof onvoldoende gemotiveerd is voorbijgegaan aan het namens de verdachte gevoerde verweer dat de verklaringen van [slachtoffer] (hierna ook: [slachtoffer] ), niet voor het bewijs gebezigd kunnen worden, zodat de bewezenverklaring niet naar behoren is gemotiveerd.
10. In de toelichting wijst de steller van het middel op de randnummers 10 t/m 29 van de pleitnota. Gesteld wordt dat het oordeel van het hof dat de verklaringen van [slachtoffer] geloofwaardig zijn, onbegrijpelijk zou zijn dan wel niet voldoende zou zijn gemotiveerd. Gezien de aard en de indringendheid van het gevoerde verweer kon het hof volgens de steller van het middel niet volstaan met de gegeven ‘algemene overweging’.
11. Hetgeen door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd met betrekking tot de bruikbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Het hof heeft deze verklaringen tot het bewijs gebezigd en is daarmee afgeweken van dit standpunt. Bij de aan de motivering van deze beslissing te stellen eisen komt onder meer betekenis toe aan de aard van het aan de orde gestelde onderwerp alsmede de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. De motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. [1]
12. De raadsman heeft in de betreffende randnummers van de pleitnota eerst gewezen op een aantal tegenstrijdigheden in de verklaringen van [slachtoffer] . Zij zou verschillend hebben verklaard over wie bij wie kwam liggen, over hoe vaak het zou hebben plaatsgevonden (één of twee keer), over hoeveel minuten het misbruik heeft geduurd (een kwartier, tien minuten of een paar minuten), over het aantal vingers dat de verdachte heeft gebruikt bij het misbruik (één of twee), over de film die opstond (door verdachte aangezet of al op tv te zien) en over kleding die zij en de verdachte droegen. Het hof heeft overwogen dat [slachtoffer] gedetailleerd en consistent heeft verklaard ten aanzien van de tenlastegelegde handelingen van de verdachte; dat zij zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris gedetailleerd heeft verklaard over de handelingen die op de bank hebben plaatsgevonden ‘namelijk dat de verdachte haar buik, benen en geslachtsdeel heeft betast en vervolgens in haar vagina ging, waarbij zij zijn nagels voelde’. Het hof is van oordeel dat de omstandigheid dat [slachtoffer] ruim anderhalf jaar na het verhoor bij de politie bij de rechter-commissaris een verklaring heeft afgelegd ‘die op onderdelen afwijkt van haar eerste verklaring, niet betekent dat haar verklaringen onbetrouwbaar zijn en aldus moeten worden uitgesloten van het bewijs’. Aldus heeft het hof in toereikende mate redenen opgegeven waarom het van dit onderdeel van het aangevoerde standpunt is afgeweken. [2]
13. De raadsman heeft in de betreffende randnummers van de pleitnota voorts aangevoerd dat er elementen in het dossier (ik begrijp: in de verklaringen van [slachtoffer] ) opvallen die afbreuk doen aan de betrouwbaarheid van het door het OM geschetste scenario. In dat verband is aangevoerd dat de moeder van [slachtoffer] niets aan haar zou hebben vernomen, dat [slachtoffer] niets aan haar moeder zou hebben bericht, dat [slachtoffer] na het vermeende misbruik op een andere bank was gaan zitten en naar haar kamer was gegaan om daarna weer terug te gaan richting de verdachte, dat [slachtoffer] niet had verwacht dat de politie erbij werd betrokken en dat het opvallend is dat [slachtoffer] twee jaar later verklaart dat ze het al een ‘soort van vergeten’ was toen de verdachte haar had geappt. Het hof heeft overwogen dat het gedrag van [slachtoffer] na de aan de verdachte tenlastegelegde handelingen ‘geen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen. [slachtoffer] heeft weliswaar niet aan haar moeder of aan anderen laten blijken dat er tijdens de logeerpartij bij de verdachte iets was gebeurd, maar zij heeft hierover verklaard dat ze dacht dat de verdachte het er niet meer over zou hebben als zij dat ook niet zou doen. Zij wilde het vergeten’. Het hof gaat dan in op hoe de zaak aan het licht is gekomen, namelijk doordat de verdachte [slachtoffer] drie maanden later een whatsappbericht stuurde over de bewuste avond. Het hof overweegt dat het de verklaring van [slachtoffer] waarin zij aangeeft ‘het hele voorval te willen vergeten geloofwaardig’ acht. Het hof merkt daarbij op dat [slachtoffer] ook hierover ‘in de kern consistente verklaringen’ heeft afgelegd. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat zij destijds 10 jaar oud was en dat van haar niet kon worden verwacht ‘volwassen en verstandige beslissingen te nemen over hoe te handelen nadat de aan de verdachte tenlastegelegede gedragingen hadden plaatsgevonden’. Aldus heeft het hof eveneens in toereikende mate redenen opgegeven waarom het van dit onderdeel van het aangevoerde standpunt is afgeweken.
14. Ten slotte is door de raadsman in de betreffende randnummers aangevoerd dat de door [slachtoffer] beschreven handelingen feitelijk onmogelijk waren gelet op de houding waarin zij zouden hebben gelegen, en voorts dat [slachtoffer] contact zou zijn blijven zoeken met de verdachte en op gelegenheden zou zijn geweest waar de verdachte ook was. Daarbij zou de wijze waarop de moeder in het begin haar dochter heeft bevraagd ook niet bevorderlijk zijn geweest voor de waarheidsvinding. Het hof is ingegaan op het laatste argument en heeft overwogen dat het ‘het standpunt van de verdediging dat de verklaringen van [slachtoffer] zijn ingegeven of gevormd door haar moeder, die dwingende vragen aan haar zou hebben gesteld’ niet volgt. Het hof wijst erop dat [slachtoffer] steeds in een kindvriendelijke setting is gehoord, waarbij open vragen zijn gesteld. En dat uit de verhoren ook niet blijkt dat [slachtoffer] zich gedwongen kon hebben gevoeld om in strijd met de waarheid te verklaren. In het dossier zijn, aldus het hof, ook overigens geen aanwijzingen te vinden die erop duiden dat de verklaringen van [slachtoffer] haar, door haar moeder of op andere wijze, in de mond zijn gelegd.
15. Daarmee heeft het hof in toereikende mate redenen opgegeven waarom het laatste argument niet aan het gebruik van de verklaringen in de weg heeft gestaan. In ’s hofs overwegingen ligt voorts besloten waarom het hof in het contact nadien met verdachte geen aanleiding heeft gezien om de verklaringen van [slachtoffer] niet te gebruiken. Het hof heeft aangegeven de verklaring van [slachtoffer] dat zij het hele voorval aanvankelijk wilde vergeten geloofwaardig te achten. Het hof is niet specifiek ingegaan op de stelling dat de beschreven handelingen feitelijk onmogelijk waren gelet op de houding waarin [slachtoffer] en verdachte zouden hebben gelegen, maar dat onderdeel behoefde naar het mij voorkomt ook geen afzonderlijke reactie. Ik neem daarbij in aanmerking dat uit de beschrijving van handelingen en houdingen in de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen niet volgt dat de handelingen feitelijk onmogelijk waren.
16. Al met al heeft het hof toereikend gemotiveerd waarom het standpunt van de raadsman is verworpen en de verklaring van [slachtoffer] bruikbaar is geacht. Anders dan de steller van het middel meen ik dat het hof daarbij specifiek is ingegaan op de kern van de aangevoerde argumenten en niet heeft volstaan met een ‘algemene overweging’.
17. Het middel faalt.
18. Het
tweedemiddel bevat de klacht dat het hof de bewezenverklaring uitsluitend heeft doen steunen op de verklaringen van [slachtoffer] , althans dat die verklaringen geen dan wel onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
19. In de toelichting merkt de steller van het middel op dat de verdediging zich op het standpunt heeft gesteld dat niet voldaan is aan het bewijsminimum. Hij wijst daarbij op de randnummers 30 t/m 46 van de pleitnota. De steller van het middel voert aan dat uit de inhoud van het WhatsApp-gesprek niet onomstotelijk zou kunnen worden opgemaakt dat sprake is geweest van de bewezenverklaarde handelingen. Het zou hierbij noodzakelijk zijn om de gesprekken uit te leggen, meer in het bijzonder het ‘kietelen’. De verklaring van de verdachte zou haaks staan op de verklaring van [slachtoffer] en niet worden ontkracht door de inhoud van het dossier terwijl de verklaring van [slachtoffer] niet zou worden ondersteund door de inhoud van het dossier. De inhoud van het gesprek wat betreft de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde zou daarmee uitsluitend zijn gebaseerd op hetgeen [slachtoffer] daarover heeft verklaard. Dat het steunbewijs zou kunnen worden gevonden in de verklaring van de verdachte zelf zou ook onvoldoende (begrijpelijk) zijn gemotiveerd, nu de verdachte een alternatieve lezing zou hebben geschetst.
20. Ik stel bij de bespreking van het middel voorop hetgeen Uw Raad in een arrest van 23 juni 2020 heeft overwogen: [3]
‘2.3 Volgens het tweede lid van artikel 342 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv Pro de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv Pro, maar daarover slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid geven door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de beoordeling in cassatie of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.’
21. Uit rechtspraak van Uw Raad volgt voorts dat de vereiste steun in ander bewijsmateriaal geen betrekking behoeft te hebben op de tenlastegelegde gedragingen. [4] Reijntjes heeft het aldus geformuleerd dat het steunbewijs betrekking moet hebben op ‘gelet op de context als wezenlijk aan te merken onderdelen van wat het slachtoffer vertelde’. [5] Uw Raad heeft ook wel overwogen dat tussen de verklaring van een aangever en het overige bewijsmateriaal niet een te ver verwijderd verband mag bestaan. [6]
22. Het hof is in zijn bewijsoverwegingen ingegaan op de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster. En het hof heeft uiteengezet op welke gronden het tot de slotsom is gekomen ‘dat die avond de bewuste tenlastegelegde handelingen hebben plaatsgevonden’. Het hof heeft geen specifieke overweging gewijd aan de vraag of de verklaring van aangeefster voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal en of dus voldaan is aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv. Dat op zichzelf brengt evenwel niet mee dat de bewijsvoering tekortschiet, zo volgt ook uit de geciteerde rechtsoverweging. Het kan bij de beoordeling in cassatie of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro is voldaan, van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd; een nadere motivering is geen strikt vereiste.
23. Uit de voor het bewijs gebezigde weergave van een Whatsapp-gesprek van 12 augustus 2016 volgt dat de verdachte is begonnen over het ‘kietelen’, en het vervolgens bij verbazing aan de zijde van [slachtoffer] heeft over ‘Soort van kietelen’. De verdachte heeft in dat gesprek voorts aangegeven dat het (soort van) kietelen heeft plaatsgevonden toen aangeefster bij hem sliep en meer specifiek toen zij ‘bij elkaar lagen op de bank. Tv aan.’ Verder heeft de verdachte er in dat gesprek twee keer op aangedrongen dat [slachtoffer] de ‘app’ zou wissen. Het hof heeft uit een en ander (kennelijk) afgeleid en kunnen afleiden dat het Whatsapp-gesprek bevestigt dat er lichamelijk contact is geweest tussen de verdachte en [slachtoffer] dat geen kietelen in de gebruikelijke betekenis van het woord was, dat de verdachte meer dan drie maanden nadien in een Whatsapp-gesprek specifiek terugkomt op dat lichamelijk contact, dat het lichamelijk contact plaatsvond terwijl zij samen op de bank lagen met de tv aan en dat het contact van dien aard was dat de verdachte er twee keer op aandringt het gesprek te wissen. Het hof heeft mede in het licht van dit steunbewijs naar het mij voorkomt kunnen oordelen dat de door [slachtoffer] naar voren gebrachte feiten en omstandigheden niet op zichzelf staan en dat zij voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Dat het Whatsapp-gesprek aansluit bij de verklaring van aangeefster brengt niet mee dat het daarnaast geen zelfstandige bewijswaarde heeft.
24. De voor het bewijs gebezigde verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, houdt in dat [slachtoffer] op 8 mei 2016 bij de verdachte is afgezet en drie nachten bij hem is blijven slapen. De verdachte verklaart voorts dat zij samen op de bank hebben gelegen, dat aangeefster ‘op een ongepaste manier toenadering’ heeft gezocht, dat zij ‘een zoenpoging’ deed en dat hij zich kan voorstellen ‘dat het kietelen bij haar lustgevoelens heeft opgewekt’. Het hof heeft uit deze verklaring kennelijk afgeleid en kunnen afleiden dat de verdachte niet alleen het samen op de bank liggen bevestigt maar ook dat er daarbij lichamelijk contact met een seksuele lading is geweest. Het hof heeft uit deze verklaring voorts kunnen afleiden dat het (soort van) kietelen lustgevoelens zou kunnen opwekken. Daarmee heeft het hof mede in het licht van dit steunbewijs kunnen oordelen dat de door aangeefster naar voren gebrachte feiten en omstandigheden niet op zichzelf staan en dat zij voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Daaraan doet niet af dat de verdachte met zijn verklaring een alternatieve lezing van het gebeurde heeft willen schetsen.
25. ’s Hofs oordeel dat aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv voldaan is, acht ik niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden.
26. Het tweede middel faalt.
27. Het
derdemiddel bevat de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden, wat een schending van art. 6 EVRM Pro zou opleveren.
28. Namens de verdachte is op 1 maart 2021 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 10 december 2021 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich mee dat de inzendtermijn van acht maanden met ruim een maand is overschreden.
29. Het derde middel slaagt.
30. Het eerste en tweede middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Het derde middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
31. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
2.Zie over de omvang van de motiveringsplicht bij een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als het gaat om een betrouwbaarheidsverweer ook de conclusie van A-G Hofstee (onder 139-143) voor HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2336,
3.HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1095.
4.Zie onder meer HR 22 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1459; HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2034 en HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717,
5.Noot onder HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1890,
6.Zie HR 26 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2094,