Conclusie
1.Inleiding
debt payoff planvan de groep, gericht op eliminatie van $ 1,4 miljard aan groepsleningen
.De belanghebbende heeft de op 4 augustus 2011 door haar Zwitserse deelneming aan haar gecedeerde vordering op dezelfde dag dooruitgedeeld aan haar in de VS gevestigde moedervennootschap.
geschilis de belastbaarheid van dat valutaresultaat, met name of de belanghebbende op 1 juli 2011 al een dividendvordering moest activeren. Als dat het geval is, stelt de belanghebbende subsidiair dat zij op dezelfde datum in euro’s een even grote schuld moest passiveren, nl. haar dooruitdelingsverplichting jegens haar moeder, zodat zich fiscaalrechtelijk per saldo geen valutaresultaat te haren gunste of laste heeft voorgedaan.
Hofheeft overwogen dat de belanghebbende met de dividenddeclaratie door haar Zwitserse dochter een dividendvordering verkreeg en dat niet is gesteld of gebleken dat de Bermuda-vordering niet ook al op 1 juli 2011 aan haar had kunnen worden gecedeerd door haar dochter. Haar beroep op HR
BNB1977/162 faalt dan bij gebrek aan grond voor het aannemen van een ander moment van ontstaan van haar dividendvordering. Evenmin is aannemelijk geworden dat betaling van het dividend onzeker was of dat de dividendvordering ten tijde van de dividenddeclaratie een lagere dan nominale waarde had (HR
BNB1988/232 r.o. 4.2). Dat het belanghebbendes bedoeling juist was om een koersresultaat op het door uit te delen dividend te vermijden, betekent niet dat die bedoeling ook juridisch is geëffectueerd. Op 1 juli 2011 had de belanghebbende nog geen schuld aan haar aandeelhouder. Passivering van een schuld is pas mogelijk als objectief een juridisch afdwingbare verplichting bestaat (HR
BNB1985/12). Belanghebbendes verplichting tot dooruitdeling kon dus pas op 4 augustus 2011 worden gepassiveerd, toen een dividendschuld ontstond door belanghebbendes eigen dividenddeclaratie.
BNB1988/232 ten betoge dat goed koopmansgebruik toestaat dat zij een dividendvordering pas op het moment van betaalbestelling van het dividend activeert. Het Hof heeft haars inziens ten onrechte het moment van betaalbaarstelling niet vastgesteld, hetgeen een onjuiste rechtsopvatting verraadt. Subsidiair betoogt zij dat bij de fiscale winstbepaling, met name bij de passivering van haar dooruitdelingsschuld niet de juridische werkelijkheid, maar de economische werkelijkheid leidend is, en die is dat het dividend economisch niet tot haar vermogen heeft behoord maar meteen doorstroomde naar boven en dat dat ook steeds de bedoeling van alle betrokkenen is geweest, hetgeen het Hof ten onrechte heeft veronachtzaamd.
BNB1988/232 overwoog u in een zaak waarin declaratie en betaalbaarstelling temporeel samenvielen dat de dividendvordering op dat moment moet worden geactiveerd, tenzij onzeker is of het dividend daadwerkelijk zal worden betaald. Dat arrest zegt niet dat met activering kan worden gewacht tot betaalbaarstelling. De zaak betrof een meteen opeisbaar dividend dat louter op verzoek van de uitkerende vennootschap pas (veel) later werd betaald.
BNB1985/1 is voor passivering beslissend of objectief bezien een juridisch afdwingbare verplichting tot betaling bestaat. De belanghebbende heeft het door haar (door) uit te delen dividend pas op 4 augustus 2011 gedeclareerd bij besluit van haar algemene vergadering van aandeelhouders. Pas op die datum ontstond voor haar een juridisch afdwingbare verplichting jegens haar aandeelhouder(s). Van valutaire samenhang tussen beide dividenddeclaraties blijkt niet uit de relevante vennootschappelijke besluiten en het stond de feitenrechter vrij om aan voornemens weergegeven in e-mails en aan bedoelingen in een achteraf opgestelde verklaring geen betekenis te hechten als die voornemens en bedoelingen niet juridisch verplichtend zijn uitgevoerd.
debt payoff planen de wens om valutaresultaat te vermijden, dat niets uitgemaakt zou hebben als niet tevens daadwerkelijk de juridisch bindende stappen zouden zijn genomen om het valutarisico (feitelijk) te
hedgen, al dan niet door beide dividenddeclaraties op hetzelfde tijdstip te laten vallen.
2.De feiten
Debt Payoff Planopgesteld om schuldposities ad in totaal $ 1,4 miljard binnen het concern af te bouwen.
senior paralegalvan [A Corp] aan een bestuurder van [A Corp] vermeldt verder (zie r.o. 2.3 Hof):
3.Het geschil bij de feitenrechters
Het geschil
BNB1977/162 [1] en HR
BNB1988/232 [2] kan volgens de belanghebbende echter worden opgemaakt dat de dividendvordering fiscaalrechtelijk pas ontstaat bij betaalbaarstelling. Het geval waarin zich zodanige belemmeringen voordoen bij de betaling van het dividend dat daardoor onzeker is of en wanneer het dividend betaald zal worden, is volgens de belanghebbende slechts een voorbeeld van een situatie waarin de dividendvordering later dan bij declaratie ontstaat. Zij betoogt dat fiscaalrechtelijk een dividendvordering pas ontstaat, althans pas geactiveerd hoeft te worden bij opeisbaarheid. Zij verwijst naar publicaties van Bobeldijk in
WFR2015/1330 [3] (zie 7.4 hieronder) en Bruins Slot in
WFR2016/20 [4] (zie 7.5 hieronder).
V-N2017/57.8 [5] volgt volgens de belanghebbende dat bij de bepaling van het moment van betaalbaarstelling van een dividend rekening moet worden gehouden met de bedoelingen van partijen. Uit het
debt payoff planen daarbij horende documenten blijkt dat het de bedoeling van het [D] -concern was om de dividenden op dezelfde datum uit te doen keren, onder meer juist om valutaresultaten te voorkomen.
Debt Payoff Planen die ertoe leidt dat het valutaresultaat dan fiscaalrechtelijk geacht moet worden voor 100%
hedgedte zijn en dus weg te vallen.
BNB1955/129 [6] en HR
BNB1977/162 [7] juist volgt dat goed koopmansgebruik ertoe verplicht een dividendvordering te activeren op het moment van dividenddeclaratie. In casu heeft de a.v.a. van [B Sàrl] het dividend in natura op 1 juli 2011 vastgesteld zonder betalings- of andere voorwaarden, zodat de waarde van de Bermuda-vordering op dat moment tot belanghebbendes vermogen ging behoren. Betaalbaarstelling en declaratie vallen zijns inziens in de regel samen, tenzij het dividendbesluit uitdrukkelijk anders bepaalt. Het
debt payoff planzegt niets over de tijdstippen waarop vorderingen en schulden ontstaan en kan ook geen vorderingen of schulden in het leven roepen. De bevoegdheid om die tijdstippen te bepalen berust bij de aandeelhoudersvergaderingen van de uitkerende vennootschappen. De dividendbesluiten verwijzen overigens ook niet naar enig
debt payoff plan.Een dividend dat de belanghebbende pas op 4 augustus 2011 declareerde, kan zij volgens de Inspecteur onmogelijk al op 1 juli 2011 aan [A Corp] schuldig zijn.
BNB2016/10 [9] . Beletselen voor de betaling van een dividend - die volgens HR
BNB1988/232 [10] een uitzondering kunnen rechtvaardigen op de hoofdregel dat een dividendvordering moet worden verantwoord op het moment dat het recht op dividend ontstaat - zijn in casu gesteld noch gebleken. De rechtbank acht de intenties volgende uit het
debt payoff planniet relevant, nu het gaat om de vraag of de juiste stappen zijn genomen om die intenties te verwezenlijken, en dat is niet het geval. Op 1 juli 2011 is belanghebbendes dividendvordering ontstaan, zodat een valutaresultaat is ontstaan in de periode tussen de Zwitserse dividenddeclaratie en de cessie van de Bermuda-vordering aan de belanghebbende op 4 augustus 2011.
BNB1985/1, [11] r.o. 4.2). Anders dan voor een voorziening voor toekomstige bedrijfsuitgaven is voor passivering van een dividendschuld onvoldoende dat een redelijke mate van zekerheid bestaat dat de dividenddeclaratie zich zal voordoen.
belanghebbendevoert in hoger beroep wezenlijk dezelfde argumenten aan als bij de Rechtbank. Zij benadrukt dat (i) het om een dividend in natura ging en dat [B Sàrl] met de cessie van de Bermuda-vordering aan de belanghebbende moest wachten op goedkeuring van de Zwitserse fiscus om inhouding van Zwitserse dividendbelasting achterwege te laten, (ii) de belanghebbende in de VS
checkedis door [A Corp] , waardoor zij aldaar fiscaal een
disregarded entity(transparant) is en de dividendvordering vanuit het perspectief van [A Corp] dus meteen in één hand bij [A Corp] kwam en (iii) uit het document “ [A] Debt Structure Planning” (bijlage 6 bij het beroepschrift in eerste aanleg) blijkt wat de bedoeling was met betrekking tot de
timingvan de dividenduitdelingen. De belanghebbende betoogt daaromtrent:
Inspecteurherhaalt dat volgens vaste rechtspraak een dividendvordering ontstaat op het moment waarop het bevoegde orgaan onvoorwaardelijk tot uitkering besluit. Op dat moment is de Bermuda-vordering tot belanghebbendes vermogen gaan behoren. Voor Nederlandse fiscale doeleinden is niet relevant of zij vanuit Amerikaans-fiscaalrechtelijk perspectief al dan niet
checkeden daarmee transparant is, nu het om belanghebbendes dividendvordering op haar Zwitserse dochter gaat. De bedoelingen van het
debt payoff planen de
[A] debt structure planningzijn niet in enige vorm kenbaar uit het dividendbesluit of andere bestuurs- of a.v.a.-besluiten van de belanghebbende. Er is geen reden om een andere partijbedoeling aan te nemen dan de bedoeling blijkende uit het dividendbesluit. Met de Rechtbank meent de Inspecteur dat niet een mogelijke intentie tot een bepaalde
timingrelevant is, maar alleen de feitelijk genomen stappen, die meebrengen dat de belanghebbende op 1 juli 2011 een afdwingbare dividendvordering op [B Sàrl] verkreeg.
Hofis van oordeel dat de dividendvordering op de Zwitserse dochter op het moment van het Zwitserse dividendbesluit (1 juli 2011) tot belanghebbendes vermogen is gaan behoren en dat haar plicht tot dooruitdeling aan [A Corp] pas op 4 augustus 2011 is ontstaan door een besluit van belanghebbendes a.v.a. Niet gesteld of gebleken is dat de vordering op [C] niet al op 1 juli 2011 had kunnen worden gecedeerd, zodat HR
BNB1977/162 [13] niet noopt tot het aannemen van een later moment van activering van de dividendvordering. Evenmin is aannemelijk geworden dat de betaling van het dividend onzeker was of dat belanghebbendes dividendvordering op het moment van declaratie een lagere dan nominale waarde had (HR
BNB1988/232, r.o. 4.2). Dat het de bedoeling was om koersrisico’s juist te vermijden, impliceert niet dat die bedoeling ook juridisch is geëffectueerd. Met de Rechtbank meent het Hof dat op 1 juli 2011 nog geen schuld aan [A Corp] ontstond. Voor passivering van een schuld is vereist dat objectief bezien een juridisch afdwingbare verplichting bestaat (HR
BNB1985/12). Dit is anders dan bij een voorziening, voor het aftrekbaar treffen waarvan een redelijk mate van zekerheid dat de uitgave zich zal voordoen voldoende is. De afdwingbare verplichting tot dooruitdeling ontstond pas op 4 augustus 2011.
4.Het geding in cassatie
BNB1988/232 dat goed koopmansgebruik toestaat dat een dividendvordering pas bij betaalbaarstelling wordt geactiveerd.
5.De commentaren op de uitspraken van de feitenrechters
NLF2020/1168 als volgt:
BNB1977/162] kan worden afgeleid dat declaratiedatum het moment is waarop een dividend verantwoord moet worden. Sinds het arrest van 20 april 1988 [PJW: HR
BNB1988/232] lijkt de mening in de literatuur te overheersen dat betaalbaarstelling het moment is waarop de dividendvordering moet worden geactiveerd. Ik betoogde echter [in
WFR2015/1330; PJW]. dat het arrest van 20 april 1988 ook zo gelezen kan worden dat de declaratiedatum nog steeds doorslaggevend is. Onder verwijzing naar het arrest van 10 juli 2015 [PJW: HR
BNB2015/180], waaruit volgt dat goed koopmansgebruik ook van toepassing is op vrijgestelde vermogensbestanddelen, wierp ik de vraag op of belastingplichtigen een keuzerecht hebben ten aanzien van het tijdstip waarop een deelnemingsdividend verantwoord moet worden. Hoewel naar mijn mening op grond van het arrest van 20 april 1988 en de literatuur zowel verantwoording op declaratiedatum als op datum betaalbaarstelling verdedigbaar is, concludeerde ik, mede onder verwijzing naar het arrest van 20 november 2015 [PJW: HR
BNB2016/10], dat een keuzerecht voor belastingplichtigen niet juist zou zijn en verantwoording op declaratiedatum het meest voor de hand ligt.
NTFR2020/2113:
NLF2021/1763 onder meer als volgt becommentarieerd:
BNB1988/232]. Bobeldijk heeft in het verleden de jurisprudentie van de Hoge Raad bestudeerd en meent dat – alhoewel deze jurisprudentie in zijn visie niet 100% duidelijk is – verantwoording van het dividend op het declaratiemoment ook het meest voor de hand ligt.
NTFR2021/3507 onder meer het volgende bij de Hofuitspraak:
6.Rechtspraak
BNB1977/162 [14] betrof een BV ten gunste waarvan dividend in Italiaanse
lirewerd gedeclareerd door haar Italiaanse deelneming, in 1969/1970 in guldens f 156.596 en in 1972/1973 in guldens f 304.500. Bij de uitbetaling van het laatste dividend ontving de belanghebbende als gevolg van koersdaling van de
lireslechts f 295.080, dus f 9.420 minder dan de waarde op het moment van declaratie. Het Hof achtte dat verlies vrijgesteld onder de deelnemingsvrijstelling. De belanghebbende stelde in cassatie dat het om een verlies op een vordering ging die geen verband meer met de deelneming hield en daarom tot haar belaste winst moest worden gerekend Zij betoogde:
BNB1988/232 [15] betrof een valutaresultaat op een dividendvordering. In december 1979 had een Amerikaanse deelneming van de belanghebbende een dividend in US dollars gedeclareerd. Op verzoek van de deelneming, die een tekort aan liquide middelen had totdat de boorinstallaties van
haardochter verkocht zouden zijn, werd het dividend pas in december 1980 betaald. Tot dat moment had belanghebbende onvoldoende liquide middelen. Het uitstel van de betaling van het dividend tot eind 1980 resulteerde in een koerswinst op belanghebbendes dividendvordering ad f 4.190.000. Zij betoogde:
tenge. Op dezelfde vergadering werd besloten tot herstructurering van de schulden door verrekening met het dividend. Op 20 mei 2010 werd die herstructurering en die verrekening juridisch vastgesteld. In geschil was of op de belanghebbende op 22 april of op 20 mei 2010 een dividendvordering had verkregen. Het Hof overwoog als volgt:
7.Literatuur
BNB1994/217 [30] (Britse
market makerdie ná declaratie maar vóór betaalbaarstelling enige dividendbewijzen Koninklijke Olie had gekocht en na uitbetaling de dividendbelasting deels terugvroeg onder het Verdrag met het VK), waaruit eveneens volgt dat voor de dividendbelasting de betaalbaarstelling - dus niet de declaratie - het inhoudingsmoment bepaalt omdat op dat moment beoordeeld moet worden wie uiteindelijk gerechtigde is. Bobeldijk gaat vervolgens in op het moment van ontstaan, althans activering, van dividendvorderingen voor de vennootschapsbelasting in verband met de vraag in hoeverre valutaresultaten op een dividendvordering in de belaste winst van de dividendgerechtigde vallen, zulks aan de hand van HR
BNB1977/162 (valutaverlies op dividendvordering aftrekbaar; zie 6.1 hierboven) en HR BNB 1988/232 (valutawinst op dividendvordering belastbaar; zie 6.2 hierboven). Hij becommentarieert die twee arresten als volgt:
BNB1977/162 blijkt dat in ieder geval na betaalbaarstelling sprake is van een vordering die zich in de fiscale winstsfeer bevindt, waardoor een koersverlies fiscaal in aftrek komt. Of reeds bij declaratie van het dividend sprake is van een dividendvordering die geactiveerd dient te worden, komt hierna aan de orde.
BNB1977/162 de dividendvordering niet geactiveerd hoeft te worden indien “het dividend na de toekenning daarvan ten gevolge van een met de deelneming verband houdende oorzaak niet naar Nederland had kunnen zijn overgemaakt”. Hierbij kan gedacht worden aan de onmogelijkheid om het dividend uit te betalen als gevolg van een deviezenverbod. Deze formulering lijkt in
BNB1988/232 te zijn vervangen door de algemenere formulering dat activering achterwege kan blijven “ingeval zodanige beletselen voor betaling zouden hebben bestaan dat alstoen onzeker moest worden geacht of betaling te eniger tijd plaats zou vinden”. [31]
BNB1977/162 spreekt over het “vastgestelde dividend” alsmede over het tijdstip van toekenning. Dit wijst erop dat op het moment van declaratie van het dividend de vordering moet worden geactiveerd. [32] In
BNB1988/232 overweegt de Hoge Raad echter in rechtsoverweging 4.2 dat belanghebbende naar goed koopmansgebruik gehouden is het betaalbaar gestelde dividend te activeren. De vraag is echter hoe bewust die woordkeuze is, gegeven het feit dat in rechtsoverweging 4.1 “betaalbaar gesteld dividend” en “gedeclareerd dividend” door elkaar worden gebruikt en het feit dat in
BNB1977/162 over “vaststelling” en “toekenning” werd gesproken.
BNB1988/232 —– als ik het goed zie — de mening dat betaalbaarstelling het moment is waarop de dividendvordering moet worden geactiveerd, overigens zonder dat dit verder wordt onderbouwd. [33] Slot betoogt in zijn noot onder
BNB1988/232 dat waardering van de vordering moet geschieden per datum betaalbaarstelling, omdat de aandeelhouder niet meer en ook niet minder hoeft te vorderen dan de waarde die het dividend op dat tijdstip heeft. Dat argument overtuigt mijns inziens niet. De algemene vergadering van aandeelhouders besluit tot een dividenduitkering en besluit eveneens per welke datum het dividend betaalbaar is. Een vergelijking kan gemaakt worden met een (kortdurende) lening waarbij pas op aflossingsdatum een opeisbare vordering ontstaat. Bovendien zal in een deelnemingsverhouding de aandeelhouder zelf veelal in staat zijn de datum van betaalbaarstelling te bepalen.”
BNB1977/162 [39] besliste de Hoge Raad dat dit in beginsel een normaal aftrekbaar verlies (op een vordering) is, dat niet op de dividendopbrengst in mindering behoeft te worden gebracht. Ook besliste de Hoge Raad in
BNB1988/232 [40] dat een koerswinst op een dividendvordering niet onder de deelnemingsvrijstelling valt. Deze regel – zo interpreteer ik het arrest
BNB1977/162 – lijdt uitzondering (valutaresultaat wel onder de deelnemingsvrijstelling) indien sprake is van een omstandigheid waarbij het dividend na toekenning daarvan ten gevolge van een met de deelneming verband houdende oorzaak niet naar Nederland is overgemaakt.”
8.Het ontstaan van een dividendvordering volgens het burgerlijke recht
emissievan het aandeel dat in de toekomst (hopelijk) vrucht zal dragen:
De vordering tot uitkering van dividend. Met betrekking tot vorderingen tot uitkering van
dividendgeldt het volgende. Onderscheiden moet worden in de
vaststellingvan de winst en de
bestemmingvan de winst van de vennootschap. Wat betreft het eerste geldt dat met de vaststelling c.q. goedkeuring van de jaarrekening de gemaakte winst of het geleden verlies vaststaat. Wat betreft de winstbestemming bepaalt de wet, dat de winst van de vennootschap de aandeelhouders ten goede komt, voor zover bij de statuten niet anders is bepaald (art. 2:105 lid Pro 1, 216 lid 1 BW). In de praktijk bepalen de statuten meestal dat de winst “ter beschikking staat” van de algemene vergadering van aandeelhouders (ava). In dit geval dient te worden aangenomen dat de vordering ter zake van dividend ontstaat door het besluit tot dividenduitkering van de ava. [46]
omvangvan de winst is enkel van belang voor de omvang van de dividendvordering, maar niet voor het
ontstaanvan de vordering. Het recht op dividend betreft een bestaande vordering die afhankelijk is van onder meer de opschortende voorwaarde dat er een voor uitkering vatbare winst is. [49] ”
9.Beoordeling van de primaire klacht (het activeringsmoment)
auf eigene Faustvereenvoudigingsvoorschriften zult willen stellen zoals voorgestaan door Bruins Slot, die wetgeving inhouden.
BNB1988/232 niet op dat activering uitgesteld kan worden totdat een gedeclareerd dividend ook betaalbaar is gesteld. In die zaak vielen declaratie en betaalbaarstelling immers temporeel samen, zodat er geen kwestie was en u er dus ook niets over gezegd heeft.
BNB1988/232 (zie 6.2 hierboven) benoemde geval van betalingsbeletselen die onzeker maken of het dividend überhaupt betaald zal worden en die er kennelijk op neerkomen dat een voorzichtige koopman er redelijkerwijs vanuit kan gaan dat de vordering nauwelijks verkoop- of verpandbaar is.
debt payoff plansof andere documenten volgt dat bedoeld zou zijn om het dividend pas later dan op 1 juli 2011 betaalbaar te stellen.
Beoordeling van de subsidiaire klacht (corresponderende dividendschuld en motiveringsgebrek)
BNB1985/1 overwoog dat voor passivering van een schuld vereist is dat objectief een juridisch afdwingbare verplichting bestaat en dat het subjectieve inzicht van de ondernemer pas aan de orde kan komen bij de waardering van de verplichting.
debt payoff planen de wens om valutaresultaat te vermijden, dat niets uitgemaakt zou hebben als niet tevens daadwerkelijk de juridisch bindende stappen zouden zijn genomen om het valutarisico (feitelijk) te
hedgen, al dan niet door beide dividenddeclaraties op dezelfde dag te laten vallen.
BNB1998/409 (
Baksteen) [51] stelt daarvoor de volgende voorwaarden: