Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Voorgeschiedenis in deze zaak; beschikkingen rechtbank en hof
Kort daarna heeft de vader de kinderen opnieuw zonder toestemming van de moeder meegenomen naar het buitenland. Ook hiervoor is de vader later strafrechtelijk veroordeeld. Daarbij is aan hem ook een contactverbod met de moeder opgelegd. Na terugkeer uit het buitenland heeft [de oudste zoon] eind september 2017 met een mes op zijn moeder ingestoken, waarbij de moeder ernstig verwond is geraakt. Het Stelsel Bewaken en Beveiligen vanuit het OM Brabant heeft op basis van twee rapportages van het LEC [Het Landelijk Expertise Centrum (LEC) Eergerelateerd Geweld; toev. A-G] het risico op eergerelateerd geweld als hoog ingeschat (“Code Rood”). Om die reden heeft de moeder samen met [de jongste zoon] een aantal maanden op verschillende onderduikadressen doorgebracht en beiden zijn met het oog op hun veiligheid opgenomen in een beschermingsprogramma van de politie, waarbij zij een nieuwe identiteit hebben aangenomen. De verblijfplaats van de moeder en [de jongste zoon] mag niet bekend gemaakt worden.
Nadat de raad onderzoek heeft gedaan naar het gezag, de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling heeft een nieuwe mondelinge behandeling bij de rechtbank plaatsgevonden. De moeder is tijdens die behandeling bijgestaan door een eerwraakspecialist van de politie en is onder politiebegeleiding naar de locatie gebracht van waaruit een videoverbinding met de rechtbank tot stand is gebracht. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling op de rechtbank aangegeven dat hij de scheiding niet accepteert, dat de moeder hem belachelijk heeft gemaakt en dat partijen volgens het Islamitisch recht getrouwd zullen blijven. De rechtbank heeft de verzoeken van de moeder over het gezag en het hoofdverblijf toegewezen en daarbij overwogen dat het vanwege veiligheidsrisico’s niet mogelijk was om het hoofdverblijf van [de oudste zoon] bij de moeder te bepalen. Zijn hoofdverblijf is daarom bij de vader bepaald. De moeder heeft haar verzoek voor een zorgregeling tussen haar en [de oudste zoon] tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken. Het hof ’s-Hertogenbosch heeft de beschikking, voor zover ter beoordeling aan het hof voorgelegd, bekrachtigd.
is enige tijd met een machtiging van de kinderrechter in de gesloten instelling voor jeugdzorg van de OGH stichting in Zetten geplaatst. Ook is hem een jeugdreclasseringsmaatregel opgelegd. De vader heeft op enig moment geprobeerd om met messen bij OGH naar binnen te gaan. Aan de vader is later een geldboete opgelegd voor het bij zich hebben van messen.
De vader is vanwege de strafrechtelijke veroordelingen voor het onttrekken van de kinderen aan het gezag in december 2017 onder toezicht gesteld van de reclassering en hem is als bijzondere voorwaarde een behandelverplichting bij Kairos opgelegd.
Het Veiligheidshuis Arnhem heeft in 2019 opdracht gegeven aan het Adviesbureau Nuance door Training (NTA) om aan de hand van gesprekken met de vader een duiding te maken van het risico op eergerelateerd geweld.
De reclassering heeft in een brief van 11 oktober 2019 samen met Jeugdbescherming Gelderland en Kairos het volgende aangegeven. De vader mist zijn jongste zoon erg. De vader is inmiddels hertrouwd. De vader voelt zich onterecht behandeld en heeft het gevoel dat hij als een gevaarlijke rancuneuze onverantwoordelijke man wordt afgeschilderd. Hij ervaart dit als krenkend naar familieleden, buurtbewoners, opdrachtgevers etc., aldus de reclassering. De vader wil hierover met de moeder in gesprek maar zij zit op een geheime locatie en er is verder geen contact mogelijk. Het zou, zo geeft de reclassering aan, voor de vader belangrijk zijn dat hij weer contact kan hebben met zijn jongste zoon en dat het contact tussen de broers weer wordt hersteld. Dat kan in eerste instantie onder toezicht en meerdere instanties hebben aangegeven hierin te willen bemiddelen.
Op 10 december 2019 is het rapport van het NTA besproken met diverse instanties waaronder de reclassering, Kairos, het Veiligheidshuis Arnhem, Jeugdbescherming Arnhem en de politie namens de hoofdofficier van justitie.
Kairos heeft in een brief van 11 mei 2020 de behandeldoelen en behandelinstrumenten in het kader van het reclasseringstraject van de vader benoemd. Daarbij is aangegeven dat Kairos pogingen heeft gedaan om informatie uit te wisselen met het OM en de politie met als doel om in te zetten op normalisatie van de betrekkingen tussen de vader en [de jongste zoon] (en daartoe de ex-partner). Er kan, aldus Kairos, vanuit politie en justitie nauwelijks informatie worden verstrekt over de reden van het telkens verlengen van de veiligheidsmaatregelen. Door dit gebrek aan inzicht in de argumentatie voor het voortzetten van de veiligheidsmaatregelen kan Kairos zich als behandelend instelling alleen richten op het delictgedrag waarvoor de vader naar Kairos is verwezen (de onttrekking aan het gezag en het voorkomen van recidive). De doelen op dit gebied zijn behaald en de grenzen van wat Kairos als behandelin[]stelling kan bieden is daarmee bereikt, aldus nog steeds Kaïros.
Jeugdbescherming Gelderland (betrokken vanwege [de oudste zoon]) heeft in een brief van 8 juni 2020 aan de reclassering aangegeven dat het haar opdracht is om kwetsbare kinderen perspectief te bieden op een positieve emotionele ontwikkeling en dat daarvoor nodig is dat [de oudste zoon] weer contact krijgt met zijn moeder en broertje.
In een “advies aan opdrachtgever” van 15 juni 2020 van de reclassering is vermeld dat het OM Brabant geen aanvullende informatie kan verstrekken over het dreigingsrisico en dat het Veiligheidshuis geen inzage heeft in de rapportage van het NTA.
De hoofdofficier van justitie heeft op 24 juli 2020 aangegeven dat nog steeds sprake is van “Code Rood”.
De vader stelt dat er geen concrete feiten en omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat hij geen contact met zijn jongste [de jongste zoon] kan hebben. Hij is bereid de omgang gefaseerd en onder begeleiding te starten. Hij geeft verder aan dat onder meer het Veiligheidshuis Arnhem de omgang wil begeleiden. De vader stelt verder dat hij geen informatie krijgt van de politie en de hoofdofficier van justitie. Hij wijst er op dat de bevindingen van de reclassering, Jeugdzorg en Kairos lijnrecht tegenover het standpunt van de politie en de hoofdofficier staan. Om die reden heeft - na lang aandringen - in opdracht van het Veiligheidshuis Arnhem een onderzoek plaatsgevonden door een onafhankelijk onderzoeks- en adviesbureau dat gespecialiseerd is in onder meer mogelijke eerwraakrisico’s. De uitkomst van dat onderzoek is opgenomen in het NTA-rapport en de vader geeft aan dat hij geen inzage in dit rapport heeft gekregen.”
Hoewel de rechtbank de wens van de vader om zijn zoon te zien en zijn wens om de beide broers contact te laten hebben met elkaar begrijpt, acht de rechtbank dit nu niet in het belang van [de jongste zoon] en daarnaast ook praktisch niet uitvoerbaar. De overige door de vader aangevoerde argumenten leiden niet tot een andere conclusie.
De rechtbank zal dan ook het verzoek van de vader afwijzen.”
De rechtbank heeft niet voldaan aan haar zware inspanningsverplichting om het wederzijdse uit artikel 8 EVRM Pro voortvloeiende recht op omgang tussen de vader en [de jongste zoon] tot stand te laten komen. De vader betwist met klem dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan fysiek geweld en eerwraak jegens de moeder. De rapportages van het LEC uit 2017 en 2018 zijn louter opgesteld vanuit een algemeen cultureel perspectief, zijn gedateerd en bieden geen grondslag voor deze beschuldigingen. Sinds de uitkomst van die rapporten is er bovendien veel veranderd in deze casus. Desondanks handhaaft de officier van justitie zonder motivering de risico-inschatting.
De vader is het niet eens met de overweging van de rechtbank dat hij niet (voldoende) heeft weersproken dat de moeder en [de jongste zoon] zich in een justitieel beschermingsprogramma bevinden. De vader heeft diverse malen bij het openbaar ministerie geïnformeerd naar de grondslag van het van kracht laten van het justitieel beschermingsprogramma, maar aan hem wordt geen openheid van zaken gegeven. De vader betwist dat er reden is om het justitieel beschermingsprogramma te handhaven. De rechtbank had bij het CCB [(Portefeuillehouder) Conflict en Crisisbeheersing van de regionale politie eenheid [11] ; toev. A-G] dan wel bij de hoofdofficier van justitie nadere informatie moeten inwinnen over de huidige situatie dan wel een raads- of deskundigenonderzoek moeten gelasten naar de mogelijkheden voor omgang tussen de vader en [de jongste zoon].
De vader heeft de echtscheiding tussen partijen geaccepteerd. Code “rood” geldt niet langer.
De ketenpartners Jeugdbescherming Gelderland, de reclassering en Kairos, bij wie de vader trajecten heeft doorlopen, geven aan dat zich geen gevaarsituatie meer voordoet en zij zijn bereid om te bemiddelen bij het herstel van de omgang tussen de vader en [de jongste zoon].
Het is ook van belang dat er weer contact komt tussen [de jongste zoon] en zijn broer.
De vader betwist dat hij contact opneemt met de familie van de moeder.
3.6. De moeder voert - samengevat - het volgende aan.
De moeder en [de jongste zoon] bevinden zich in een justitieel beschermingsprogramma. Zij hebben een nieuwe identiteit aangenomen. Sinds januari 2021 geldt de moeder als onvindbaar voor de vader. Om deze reden, en dus niet omdat er geen dreiging meer is, is er niet langer sprake van de zogenoemde “code rood”. Onder deze omstandigheden is omgang tussen de vader en [de jongste zoon] niet uitvoerbaar.
Er zijn weliswaar nu geen directe bedreigingen vanuit de vader richting de moeder omdat zij onvindbaar is, maar de vader belt nog steeds met de moeder van de moeder en hij vertoont ongewenst gedrag richting de familie van de moeder.
De door de vader genoemde ketenpartners zijn niet op de hoogte van de werkelijke situatie van de moeder en [de jongste zoon] vanwege de daarmee gepaard gaande veiligheidsrisico's. [de jongste zoon] ontwikkelt zich goed in de thuissituatie bij de moeder.
3.7. De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling het hof geadviseerd de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen. De moeder en [de jongste zoon] mogen niet in een onveilige situatie worden gebracht.
Uit het rapport van Kairos blijkt dat de vader zorgelijke uitspraken doet. Hij stelt zijn eigen belang voorop. Er zit veel boosheid en frustratie bij de vader.
Ook los van het beschermingsprogramma is omgang met de vader in de huidige omstandigheden niet in het belang van [de jongste zoon]. [de jongste zoon] is niet veilig tussen de ouders, die zo verschillend naar de huidige situatie kijken.”
4.Bespreking van het cassatiemiddel
3.7.2. Het hof zal het verzoek van de vader om een omgangsregeling tussen hem en [de jongste zoon] vast te stellen afwijzen.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vader niet weersproken dat de moeder en [de jongste zoon] zich in een justitieel beschermingsprogramma bevinden. De advocaat van de moeder heeft onweersproken verklaard dat de moeder en [de jongste zoon] een nieuwe identiteit hebben aangenomen, dat zij sinds januari 2021 onvindbaar zijn voor de vader en dat alleen om die reden “code rood" niet langer geldt. Zelfs voor de advocaat van de moeder zijn de nieuwe identiteit en woonplaats van de moeder en [de jongste zoon] onbekend.
Gelet op deze omstandigheden is naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan dat er nog steeds sprake is van hoge veiligheidsrisico's voor de moeder. Het hof volgt de vader dus niet in zijn standpunt dat de zorgen over de veiligheid van de moeder ongefundeerd zijn. Ook de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie geen nadere informatie over de toepassing van het beschermingsprogramma in dit concrete geval heeft gegeven aan de advocaat van de vader, maakt dit niet anders. Het staat immers vast dat de moeder en [de jongste zoon] nog steeds in dit beschermingsprogramma zitten.
Onder deze nog steeds zorgelijke en risicovolle omstandigheden is omgang tussen de vader en [de jongste zoon] in strijd met de zwaarwegende belangen van [de jongste zoon]. Omdat de moeder en [de jongste zoon] zich in dit beschermingsprogramma bevinden, is omgang met de vader voor [de jongste zoon] een te grote belasting. Vragen van de vader aan [de jongste zoon] over bijvoorbeeld de school of andere persoonlijke omstandigheden kunnen door hem niet beantwoord worden zonder de geheime verblijfplaats van hem en de moeder in gevaar te brengen. Van [de jongste zoon], die pas acht jaar oud is, kan in redelijkheid, gelet op de druk die dat met zich brengt, niet worden verwacht dat hij in staat is om elk aspect van de nieuwe identiteit en de nieuwe verblijfplaats van hem en de moeder geheim te houden. Dat de door de vader genoemde ketenpartners het in het belang van vader en de oudste zoon vinden dat er omgang met [de jongste zoon] is en dat zij bereid zijn de omgang tussen de vader en [de jongste zoon] te begeleiden, maakt dit niet anders.
Het hof ziet dan ook geen aanleiding voor een raadsonderzoek of een deskundigenonderzoek zoals de vader heeft verzocht. Het hof is voldoende voorgelicht.”
NJ1982/558-562 stelde, worden grondrechten in familierechtelijke verhoudingen vaak veeleer ten koste van andere individuele personen dan ten koste van gemeenschap of overheid gerealiseerd.
Pascal/Roemenië) en EHRM 11 juni 2013, nr. 20255/12 (
Prizzia tegen Hongarije) formuleert het EHRM een aantal algemene uitgangspunten inzake de positieve verplichtingen die op de nationale autoriteiten rusten om omgangsregelingen te effectueren, die door Wortmann en Van Duijvendijk-Brand in het
Compendium van het personen- en familierechtals volgt zijn samengevat: [50]
Pascal/Roemenië) – benadrukt dat de rechter gehouden is passende maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder te bewegen mee te werken aan een omgangsregeling. In genoemde beschikking van 17 januari 2014 overwoog de Hoge Raad in dit verband onder meer het volgende:
Het staat vast dat de vader de biologische vader van de zoon is. Hij heeft op grond van art. 8 EVRM Pro recht op omgang met zijn zoon. Ontzegging van omgang is een inbreuk op zijn door art. 8 EVRM Pro gewaarborgde privé-, familie- en gezinsleven. Dat is op grond van lid 2 van art. 8 EVRM Pro alleen toegestaan indien dat noodzakelijk is in het belang van o.a. de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit brengt met zich mee dat het hof niet mocht volstaan met de overweging dat vaststaat dat (nog steeds) sprake is van een justitieel beschermingsprogramma, althans er niet (blindelings) vanuit mocht gaan dat de rechtmatigheid daarvan vaststond omdat het nu eenmaal (nog) van kracht is. Het hof had in het kader van de art. 8 EVRM Pro-toets de rechtmatigheid van het beschermingsprogramma aan de hand van de huidige omstandigheden inhoudelijk behoren te toetsen om te oordelen of de inbreuk (nog steeds) gerechtvaardigd is. Nu de vader dit heeft gesteld [55] en de beantwoording van deze "voorvraag" essentieel is voor de vraag of het ontzeggen van de omgang is toegestaan op grond van art. 8 EVRM Pro had het hof hier volgens het onderdeel gemotiveerd op in behoren te gaan.
onderdeel 2wordt geklaagd dat het hof in rov. 3.7.2 tevens in strijd heeft gehandeld met art. 6 EVRM Pro, althans art. 6 jo Pro. 8 EVRM, door geen nader onderzoek te (doen) verrichten naar de rechtmatigheid van het beschermingsprogramma of de voortzetting daarvan.
In het onderdeel wordt de volgende toelichting gegeven.
Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat een ouder op procedureel vlak voldoende in de gelegenheid moet worden gesteld alle argumenten ten gunste van de omgang naar voren tebrengen. Verder heeft de rechter een zware inspanningsverplichting om het recht op omgang tussen ouder en kind mogelijk te maken. Het hof heeft een en ander volgens het onderdeel miskend door de rechtmatigheid van het justitieel beschermingsprogramma of de voortzetting daarvan aan te nemen zonder kennis te nemen van de grondslag van de achterliggende beslissingen of zonder dat de vader daarvan kennis heeft kunnen nemen en daarop heeft kunnen reageren. Dat geldt temeer, aldus het onderdeel, nu het hof in rov. 3.7.2 overweegt dat het OM geen openheid van zaken heeft willen geven en de vader dus geen (redelijke) mogelijkheid tot inzage heeft gehad. Hierdoor is sprake van strijd met het in art. 6 EVRM Pro neergelegde beginsel van "equality of arms". De vader heeft immers geen redelijke kans of gelegenheid gekregen om de rechtmatigheid van het justitieel beschermingsprogramma of de voortzetting daarvan te weerspreken zodat sprake is van een substantieel nadelige positie ten opzichte van de tegenpartij. Het hof had deze informatie kunnen en moeten opvragen.