ECLI:NL:PHR:2000:AA8894
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over recht op omgang en ontzegging in het belang van het kind
Uit het huwelijk van partijen is een kind geboren dat sinds april 1996 alleen door de moeder wordt opgevoed. Na echtscheiding is het gezag aan de moeder toegekend en is een omgangsregeling vastgesteld. De vader verzocht wijziging van deze regeling, maar de omgang werd ontzegd wegens gevaar voor de geestelijke ontwikkeling van het kind, mede vanwege de detentie van de vader en diens strafrechtelijke verleden.
De vader stelde hoger beroep en later cassatie in tegen deze ontzegging. De moeder gaf geen verweer in cassatie. De Hoge Raad benadrukt dat het uitgangspunt is dat het kind en de niet-gezagsouder recht hebben op omgang, en dat ontzegging slechts mogelijk is bij limitatief opgesomde zwaarwegende belangen van het kind. De bewijslast hiervoor ligt bij degene die het verzoek tot omgang betwist.
In deze zaak was de verblijfplaats van de moeder en het kind onbekend, waardoor nader onderzoek en het vaststellen van een omgangsregeling niet mogelijk waren. Het hof had daarom de ontzegging van het recht op omgang moeten opheffen en de zaak aanhouden totdat de moeder en het kind gevonden zijn. De Hoge Raad vernietigt het hofvonnis en verwijst de zaak terug. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige motivering bij ontzegging van omgang en het behoud van het recht op omgang zolang ontzegging niet gerechtvaardigd is.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak terug, waarbij het recht op omgang wordt bevestigd en ontzegging wordt opgeheven totdat nader onderzoek mogelijk is.