ECLI:NL:PHR:2022:25

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 januari 2022
Publicatiedatum
12 januari 2022
Zaaknummer
20/04193
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 107 lid 1 Wegenverkeerswet 1994Art. 279 SvArt. 410 SvArt. 416 lid 2 SvArt. 450 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens ontbreken schriftuur houdende grieven

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter wegens overtreding van de Wegenverkeerswet 1994. De verdachte had geen schriftuur houdende grieven ingediend, maar een stelbrief van zijn raadsman, die niet voldeed aan de wettelijke vereisten voor een schriftuur. De raadsman was niet verschenen bij de terechtzitting en kon daardoor niet bevestigen dat hij bepaaldelijk was gevolmachtigd.

De Hoge Raad overweegt dat aan de formulering van grieven geen hoge eisen worden gesteld, maar dat de schriftuur wel een verklaring moet bevatten dat de raadsman bepaaldelijk is gevolmachtigd. Het ontbreken daarvan kan onder omstandigheden worden hersteld, maar alleen indien de raadsman ter terechtzitting verschijnt, wat hier niet het geval was. De brief van de raadsman voldeed niet aan deze eisen en kon daarom niet als schriftuur houdende grieven worden aangemerkt.

Het hof heeft daarom terecht de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. De Hoge Raad vindt de beslissing begrijpelijk en voldoende gemotiveerd en verwerpt het cassatieberoep. Hiermee blijft de niet-ontvankelijkverklaring in stand.

Uitkomst: De verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van een schriftuur houdende grieven met bepaalde volmacht.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/04193
Zitting11 januari 2022

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 11 februari 2020 door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 27 september 2019. In dat vonnis is de verdachte wegens “overtreding van het bepaalde in artikel 107 lid 1 Wegenverkeerswet Pro 1994” veroordeeld tot hechtenis voor de duur van vier weken. Verder is de tenuitvoerlegging gelast van twee eerder voorwaardelijk opgelegde straffen, als nader in het vonnis omschreven.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. M.T. de Vaal, advocaat te 's-Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
Het middel klaagt dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat die beslissing niet begrijpelijk is, niet naar de eis van de wet voldoende met redenen is omkleed en niet toereikend is gemotiveerd.
4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 februari 2020 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“De verdachte, gedagvaard als:
[verdachte] ,
[…]
is niet ter terechtzitting verschenen.
De voorzitter stelt vast dat ook de raadsman van de verdachte, mr. M.T. de Vaal, advocaat te Den Haag, niet is verschenen.
Voorts neemt hij kennis van het gegeven dat de niet verschenen raadsman telefonisch heeft meegedeeld dat hij niet beschikt over een machtiging als bedoeld in artikel 279 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
[…]
Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.
De advocaat-generaal draagt de zaak voor en vordert, nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch heden ter terechtzitting is verschenen, dat de verdachte op grond van artikel 416, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep.
[…]
Na sluiting van het onderzoek door de voorzitter doet het gerechtshof terstond uitspraak.
Aantekening mondeling arrest
[…]
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte heeft niet een schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. De stelbrief d.d. 2 januari 2020 is niet aan te merken als een met bepaaldelijke volmacht daartoe namens de verdachte ingediende schriftuur. Evenmin heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.
Beslissing
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
5. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een brief van 2 januari 2020 van mr. M.T. de Vaal aan het gerechtshof Den Haag, sector straf. Deze brief houdt het volgende in:
“Geachte heer of mevrouw,
Hierbij stel ik me als raadsman in genoemde zaak. Client is het niet eens met de strafmaat gezien zijn persoonlijke omstandigheden.
Met vriendelijke groet,
M.T. de Vaal”
6. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat de stelbrief per definitie (en juridisch) is aan te merken als een bepaaldelijke volmacht, aangezien een advocaat zich zonder volmacht niet kan stellen. Verder wordt aangevoerd dat de zinsnede dat 'cliënt het niet eens is met de strafmaat gezien zijn persoonlijke belangen' niet anders kan worden opgevat dan als een (strafmaat) bezwaar tegen het vonnis. De stelbrief is daarom volgens de steller van het middel evident aan te merken als volmacht inclusief grieven, zodat het hof de verdachte niet niet-ontvankelijk had mogen en kunnen verklaren.
7. Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
  • art. 410, eerste lid, Sv:
  • art. 416, tweede lid, Sv:
  • art. 450, eerste lid, Sv:
  • art. 452, eerste lid, Sv:
8. Voor zover aan het middel ten grondslag is gelegd dat de inhoud van de stelbrief niet anders kan worden opgevat dan als een (strafmaat) bezwaar tegen het vonnis, kan ik kort zijn. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt namelijk dat aan de formulering van grieven geen hoge eisen worden gesteld. [1] Daarbij speelt een rol dat in art. 410 Sv Pro geen nadere eisen van materiële aard aan de schriftuur houdende grieven worden gesteld, terwijl deze ook door de verdachte zelf kan worden ingediend, aldus toenmalig AG Bleichrodt. [2] De opmerking dat de verdachte het niet eens is met de strafmaat gezien zijn persoonlijke omstandigheden kan dan ook bezwaarlijk anders worden aangemerkt dan als een grief tegen de opgelegde straf.
9. Verder kan buiten bespreking blijven dat de stelbrief van de raadsman is verzonden naar het hof en niet is ingediend bij de griffie van de rechtbank Den Haag en eveneens dat de brief niet binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep is ingediend. Het in art. 416, tweede lid, Sv bedoelde geval dat de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend, doet zich namelijk niet voor indien de schriftuur buiten de in artikel 410, eerste lid, Sv genoemde termijn van veertien dagen na de instelling van het hoger beroep, maar wel voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep is ingediend. Hetzelfde geldt indien een dergelijke schriftuur kennelijk met het oog op de naderende terechtzitting in hoger beroep niet op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen, maar op de griffie van het gerechtshof waar de zaak in hoger beroep dient, is ingediend. [3]
10. Desondanks is de vraag of de brief van de raadsman kan gelden als een schriftuur houdende grieven als bedoeld in art. 416, tweede lid, Sv. Het hof heeft geoordeeld dat de stelbrief d.d. 2 januari 2020 niet is aan te merken als een met bepaaldelijke volmacht daartoe namens de verdachte ingediende schriftuur.
11. In dat kader stel ik voorop dat art. 452, eerste lid, in verbinding met art. 450, eerste lid, aanhef en onder a, Sv vereist dat de raadsman bij indiening van een schriftuur verklaart daartoe door de verdachte bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd. Aan het verzuim van een raadsman bij de indiening van een schriftuur te vermelden dat hij daartoe bepaaldelijk door de verdachte is gevolmachtigd, worden onder omstandigheden echter geen gevolgen verbonden. Zo kan het verzuim van een advocaat in een appelschriftuur te vermelden dat hij tot het indienen daarvan bepaaldelijk door de verdachte is gevolmachtigd, worden hersteld door de mededeling van de advocaat ter terechtzitting dat hij tot het indienen van de appelschriftuur bepaaldelijk was gevolmachtigd. [4] De Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 22 februari 2011 namelijk het volgende:
“De onderhavige zaak kenmerkt zich door het volgende. De door mr. Baumgarten ingediende appelschriftuur houdt niet in dat hij daartoe door de verdachte bepaaldelijk was gevolmachtigd. Ter terechtzitting in hoger beroep was mr. Baumgarten verschenen, die verklaarde niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.
In een geval als het onderhavige, waarin de advocaat die de appelschriftuur heeft ingediend, als raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen, brengen beginselen van een goede procesorde mee dat de rechter de raadsman — ook indien deze niet is gemachtigd op de voet van art. 279 Sv Pro — de gelegenheid biedt om zich uit te laten omtrent de vraag of hij tot het indienen van de appelschriftuur bepaaldelijk was gevolmachtigd en zal bij bevestigende beantwoording van die vraag toepassing van art. 416, tweede lid, Sv achterwege dienen te blijven.
Nu niet blijkt dat het Hof de raadsman die gelegenheid heeft geboden, lijden het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak aan nietigheid.” [5]
12. Daarnaast zijn aan het verzuim geen gevolgen verbonden in gevallen waarin de appelschriftuur een door een rechtbank verstrekt standaardformulier betrof. Zo overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 30 maart 2010 het volgende:
“2.4. Het Hof heeft de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in haar beroep mede doen steunen op de vaststelling dat de schriftuur van 17 juni 2008 niet inhoudt de op grond van art. 452, eerste lid, in verbinding met art. 450, eerste lid aanhef en onder a, Sv vereiste verklaring van de raadsman dat hij tot indiening van die schriftuur door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd.
2.5. Deze schriftuur bevindt zich bij de stukken. Het betreft een formulier "Hoger beroep" van de Rechtbank te 's-Gravenhage dat is voorzien van de volgende aanhef:
"Dit betreft een standaardformulier waarop u grieven tegen het vonnis en/of redenen voor het instellen van hoger beroep kunt weergegeven (art. 410 lid 1 en Pro lid 4 Wetboek van Strafvordering."
Dit formulier wordt klaarblijkelijk door de griffie van de Rechtbank ter invulling en ondertekening voorgelegd aan degene die hoger beroep wenst in te stellen tegen een vonnis. Dit formulier bevat niet de verklaring als bedoeld in art. 450, eerste aanhef en sub a, Sv. Aangezien het formulier wordt gebezigd en ter ondertekening wordt aangeboden door een justitiële autoriteit mag de ondertekenaar - ook wanneer deze advocaat is - erop vertrouwen dat het geen later fataal blijkende fouten of leemten bevat en dat door de ondertekening en inlevering ook het in art. 410, vierde lid, Sv beoogde doel wordt bereikt (vgl. HR 22 maart 1988, NJ 1988, 849).” [6]
13. In de onderhavige zaak bevat de brief van de raadsman, zoals het hof heeft geconstateerd, niet een verklaring van de raadsman dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot de indiening van de appelschriftuur. De hiervoor genoemde situaties waarin aan een dergelijk verzuim geen gevolgen worden verbonden, doen zich in deze zaak echter niet voor. Meer in het bijzonder kon de raadsman niet de gelegenheid worden geboden om zich uit te laten omtrent de vraag of hij tot het indienen van de appelschriftuur bepaaldelijk was gevolmachtigd, aangezien hij ter terechtzitting in hoger beroep niet was verschenen. Aldus blijft staan dat de brief van de raadsman niet voldoet aan het bepaalde in art. 452, eerste lid, in samenhang met art. 450, eerste lid, aanhef en onder a, Sv. Dat het hier een stelbrief betreft en dat een advocaat zich niet kan stellen zonder volmacht, zoals aan het middel ten grondslag is gelegd, maakt dat niet anders. Het gaat er immers om dat de advocaat tot de indiening van de schriftuur bepaaldelijk gevolmachtigd dient te zijn en daarvan in de schriftuur blijk dient te geven.
14. Strikt formeel beschouwd, voldoet de stelbrief van de raadsman aldus niet aan de eisen die de wet stelt aan schrifturen, zodat het hof kon oordelen dat deze brief niet kon gelden als een schriftuur houdende grieven als bedoeld in art. 416, tweede lid, Sv. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
15. Het voorgaande brengt met zich dat het hof, bij gebreke van een schriftuur houdende grieven alsmede mondelinge bezwaren tegen het vonnis, gebruik kon maken van zijn discretionaire bevoegdheid overeenkomstig art. 416, tweede lid, Sv om het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk te verklaren. Alvorens daartoe over te gaan, heeft het hof vastgesteld dat het ambtshalve geen redenen ziet voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Gelet hierop geeft de beslissing van het hof tot niet-ontvankelijkverklaring geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl deze beslissing evenmin onbegrijpelijk is of ontoereikend is gemotiveerd.
16. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
Conclusie
17. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1702,
2.Zie de conclusie van toenmalig AG Bleichrodt (ECLI:NL:PHR:2019:1188, onder 8) voorafgaand aan HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:761.
3.HR 15 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1415, rov. 2.3, onder verwijzing naar HR 3 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:585, en HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1480.
4.Zie over de mogelijkheid tot herstel van dit verzuim in een cassatieschriftuur A.J.A. van Dorst,
5.HR 22 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN9223.
6.HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3194. Zie ook HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1941.