ECLI:NL:HR:2020:1415

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 september 2020
Publicatiedatum
10 september 2020
Zaaknummer
19/05404
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 lid 2 SvArt. 410 lid 1 SvArt. 8 lid 5 WVW 1994Art. 9 lid 7 WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep rijden onder invloed en rijden zonder rijbewijs

De verdachte werd bij verstek veroordeeld voor rijden onder invloed en rijden terwijl het rijbewijs was gevorderd. Tegen dit vonnis stelde hij hoger beroep in. Het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep omdat geen schriftuur houdende grieven was ingediend.

Echter, de Hoge Raad stelde vast dat namens de verdachte een faxbericht was ingediend vóór de terechtzitting, waarin stond dat het hoger beroep gericht was tegen de bewezenverklaring en strafmaat. Dit faxbericht moest worden aangemerkt als schriftuur houdende grieven, ook al was het buiten de termijn van veertien dagen na het hoger beroep ingediend.

De Hoge Raad oordeelde dat het andersluidende oordeel van het hof onbegrijpelijk was en vernietigde het arrest. De zaak werd terugverwezen naar het hof Amsterdam voor hernieuwde berechting en beslissing.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling in hoger beroep.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/05404
Datum15 september 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 november 2019, nummer 23/000891-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. van Viegen, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het hof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel keert zich tegen de beslissing van het hof tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep.
2.2.1
De verdachte is in eerste aanleg bij verstek veroordeeld ter zake van 1. “overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994” tot een geldboete van € 850, subsidiair zeventien dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden en ter zake van 2. “overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994” tot een gevangenisstraf van twee weken. Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
2.2.2
Het hof heeft de verdachte - bij verstek - niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en heeft daartoe het volgende overwogen:
“Door of namens de verdachte is geen schriftuur houdende grieven ingediend. Evenmin zijn mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Ook overigens is niet gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak. Om die reden wordt de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.”
2.2.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 november 2019 houdt onder meer het volgende in:
“De voorzitter merkt op dat in deze zaak geen schriftuur houdende grieven is ingediend.”
2.2.4
Bij de door het hof aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een kopie van een faxbericht dat namens de verdachte op 9 oktober 2019 aan het hof is gezonden. Dit faxbericht houdt onder meer het volgende in:
“Het hoger beroep is gericht tegen de bewezenverklaring en de strafmaat.”
2.3
Het in artikel 416 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bedoelde geval dat de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend doet zich niet voor indien de schriftuur buiten de in artikel 410 lid 1 Sv Pro genoemde termijn van veertien dagen na de instelling van het hoger beroep, maar wel voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep is ingediend (vgl. HR 3 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:585). Hetzelfde geldt indien een dergelijke schriftuur kennelijk met het oog op de naderende terechtzitting in hoger beroep niet op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen, maar op de griffie van het gerechtshof waar de zaak in hoger beroep dient, is ingediend (vgl. HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1480).
2.4
Het hof heeft mede op de grond dat door de verdachte geen schriftuur houdende grieven is ingediend, de verdachte op de voet van artikel 416 lid 2 Sv Pro niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep. Uit hetgeen onder 2.2.4 is vermeld moet echter worden afgeleid dat namens de verdachte een schriftuur houdende grieven is ingediend. Het andersluidende oordeel van het hof is daardoor onbegrijpelijk.
2.5
Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
15 september 2020.