Conclusie
Nummer21/00828
Inleiding
Het eerste middel
getuige [betrokkene 1]alsnog te horen:
(ii) The right to cross-examine prosecution witnesses
getuige [betrokkene 1]alsnog te horen: [betrokkene 1] heeft ooit in een interview gezegd dat hij [betrokkene 2] zou hebben herkend ter terechtzitting in Arnhem terwijl hij zich over cliënt niet al zodanig heeft uitgelaten, hetgeen opmerkelijk is. [betrokkene 1] is door het Hof Arnhem ten laste van cliënt gebruikt, cliënt meent op basis van het arrest Keskin de ruimte moet worden geboden om hem als getuige te horen- zeker nu [betrokkene 1] de enige getuige is geweest (voorzover de verdediging weet) die iemand op de grond heeft zien liggen en daar personen bij in de buurt heeft gezien.”
Keskin [2] en de
Post-Keskin-jurisprudentie van de Hoge Raad. [3] In de toelichting op het middel wordt – kort gezegd – aangevoerd dat het hof verklaringen van de getuige [betrokkene 1] voor de bewijsvoering heeft gebezigd, waardoor het belang van de verdediging bij het horen van de getuige [betrokkene 1] moest worden voorondersteld, terwijl volgens de steller van het middel:
Post-)Keskin-rechtspraak, de inhoud van het verzoek maatgevend is. Slechts als het verzoek strekt tot het uitoefenen van het ondervragingsrecht in verband met een door de getuige afgelegde belastende verklaring die voor het bewijs kan worden gebruikt of al is gebruikt, is dat het geval.
Post-Keskin-rechtspraak wordt geklaagd over de beslissing van het hof tot afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1] .
Murtazaliyevavan de Grote Kamer van het EHRM uit 2018, welk arrest gaat over verzoeken tot het oproepen van ontlastende getuigen. In dat arrest is onder meer overwogen:
Pernatest the issue of whether an accused substantiated his or her request to call a witness on his or her behalf is decided by reference to the relevance of that individual’s testimony for “the establishment of the truth”. While certain post-
Pernacases examined whether a witness’ testimony was relevant for the “establishment of the truth”, others relied on its ability to influence the outcome of a trial […], reasonably establish an accused’s alibi […], arguably lead to an acquittal […] or arguably strengthen the position of the defence or even lead to the applicant’s acquittal […]. What appears to unite all of the above standards is the relevance of a witness’s testimony to the subject matter of the accusation and its ability to influence the outcome of the proceedings. In the light of the evolution of its case-law under Article 6 of the Convention the Court considers it necessary to clarify the standard by bringing within its scope not only motions of the defence to call witnesses capable of influencing the outcome of a trial, but also other witnesses who can reasonably be expected to strengthen the position of the defence.
Het tweede middel
Ook heeft verdachte niet kunnen uitleggen waarom hij en medeverdachte niet eerst hebben geprobeerd de auto van slachtoffer op een andere manier te stelen en heeft hij geen duidelijk antwoord kunnen geven op de vraag waarom zij helemaal vanuit Brabant naar de Posbank zijn gereden om een auto te stelen om vervolgens weer terug naar Brabant te gaan om daar op dit dag een meubelwagen te overvallen. Dit alles nog daargelaten het feit dat het inmiddels te laat op de dag was geworden om een dergelijke overval nog te kunnen uitvoeren gelet op de tijdstippen waartussen die overval zou moeten plaatsvinden en verdachte ter zitting van het hof niet kon aangeven of hij daadwerkelijk wist of er in de auto’s van [naam meubelzaak] contant geld aanwezig was. Verder dan dat hij dat had gehoord, ging zijn wetenschap niet.’
[bijschrijving griffier: “bijlage I”, D.P.]van iemand waaruit ook blijkt dat de politie in 2003 geïnteresseerd was in juist deze informatie.
behoorlijk psychisch in de war warenin die tijd. Dit laatste is niet door de verbalisanten in het verhoor opgenomen. [betrokkene 6] beweert dat [betrokkene 2] na zijn aanhouding betrokkenheid bij dit feit ontkend zou hebben en dat ze hem ervoor aanziet om zich aan te geven om veilig binnen te zitten en om rust in zijn hoofd te hebben. Ze geeft dan nog aan dat
'Frank psychisch zo kapot is'Ook deze laatste opmerking is niet door de verhoorders in het verhoor opgenomen.
hij gehoord heeft dat [betrokkene 2] zich aangegeven heeft. Dat hij geschrokken is en er nooit iets van geweten heeft’. Dit is niet in het verhoor gerelateerd en qua inhoud zeer onaannemelijk.
[betrokkene 4] en [betrokkene 5]welke ontlastend zijn voor cliënt. Client ontkent namelijk de auto van [slachtoffer] naar Erp te hebben gereden en deze getuigen hebben zeer waarschijnlijk de auto van [slachtoffer] voor hun snackbar gezien in combinatie met een onbekende man.”
Horen getuige [betrokkene 3]
Het derde middel
[betrokkene 2]
Toen we mijn auto uitstapten om het latere slachtoffer aan te spreken en zijn auto af te pakken, hadden we een mutsje op’. Dit staat haaks op wat [betrokkene 1] hierover heeft gezegd. [betrokkene 1] heeft het helemaal niet gehad over twee personen met mutsen op. Als hij belt met de meldkamer zegt hij een man met een kaal hoofd te hebben gezien, met een gezet postuur, van buitenlandse afkomst (begin melding: gezet postuur/Turks of Marokkaanse afkomst).
jullie waarschijnlijk een mutsje gevonden hebben’. [betrokkene 2] reageerde indertijd dat hij niets van een muts afweet en ontkent dat hij er een gehad zou hebben op de Posbank of Erp. Ook voegt hij er in dat verhoor aan toe dat hij niet weet of cliënt muts zou hebben gehad. De oudste raadsheer heeft [betrokkene 2] hier nota bene nog terechtzitting geconfronteerd met het gegeven dat [betrokkene 2] tegen getuige [betrokkene 22] zou hebben gezegd dat hij het mutsje dat in RTL Boulevard zou zijn getoond nog nooit had gezien.
ln de periode 19-3-2003 t/m 7-5-2003 is het nummer [telefoonnummer 1] getapt onder code G16, dit nummer was destijds in gebruik bij [betrokkene 2] , geboren [geboortedatum] -1960. Uit de historische verkeersgegevens van het nummer [telefoonnummer 1] blijkt dat het nummer in de periode24-1-2003t/m 16-3-2003 gekoppeld was aan IMEI-nummer [001]
de gebruiker van het IMEInummer [001] belt op 20-1-2003 18:28:19 naar de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] .’
er niet zo lang gelegen heeft en te relateren is aan de strafbare feiten’.
Het is moeilijk de precieze manier van aantreffen uit deze bewoordingen af te leiden. Op basis van algemene kennis kan echter gezegd worden dat acryl, materiaal waaruit de muts is gemaakt, een relatief lage waterabsorptie heeft. Acryl kledingstukken drogen daarom snel. Ik zie in de aanwezigheid van druppels op de muts vooralsnog geen duidelijk bewijs dat de muts nog maar korte tijd in een vochtige omgeving aanwezig is.
’
er zijn geen beschadigingen aangetroffen die wijzen op de inwerking van hitte’.
Hierbij kan nog worden opgemerkt dat het in het DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering van de muts [AJH703] #1 nog enkele DNA-kenmerken zichtbaar zijn van een tweede persoon.Evenmin is duidelijk of het om zulke hoeveelheden speeksel het gaat dat cliënt hier uitleg over zou moeten geven. Voor hetzelfde geldt heeft hij ooit een gesprek gevoerd met degene die het ding ophad en is er door verbale communicatie speeksel op de muts terechtgekomen. Client heeft verklaard dat hij regelmatig om zich heen spuugt ook als hij gedronken heeft en bij mensen in de auto zit. Het is ondoenlijk daar een reconstructie van te maken, te meer nu niet duidelijk is om hoeveel materiaal het eigenlijk gaat: een hele klodder of slechts een spatje.
(het hof begrijpt: 20 januari 2003)heeft verteld wat er op de Posbank op 20 januari 2003 is gebeurd, wat de aanleiding is geweest, dat zowel hij als de verdachte had geschoten en dat de auto in brand is gestoken. Ook [betrokkene 2] heeft verklaard dat kort nadat het op de Posbank was gebeurd hij het aan [betrokkene 12] heeft verteld.