Conclusie
3.Het eerste middel
eerste middelbehelst de klacht dat het hof de verzoeken van de verdediging tot het horen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.
mededeling van voornoemde verbalisanten:
mededeling van voornoemde verbalisanten:
mededeling van voornoemde verbalisant:
NJ2021/173, m.nt. Reijntjes nader ingegaan op de beoordeling van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen door de feitenrechter in de situatie dat een dergelijk verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of reeds is gebruikt.
prosecution witnesses(“persons whose deposition may serve to a material degree as the basis for a conviction and which thus constitutes evidence for the prosecution”) en
defence witnesses(“witnesses whose statements are in favour of the defendant”). Bij de vaststelling welke personen als getuigen in de zin van art. 6 lid 3 sub d EVRM Pro moeten worden aangemerkt, gaat het EHRM uit van een autonome interpretatie. Dit brengt mee dat niet doorslaggevend is de juridische of taalkundige betekenis, maar de betekenis die het EHRM hieraan toekent. [1] Het lijkt bij de vraag wanneer iemand kan worden aangemerkt als ‘getuige’ te gaan om de daadwerkelijke verklaring die iemand heeft afgelegd, hetgeen op verschillende momenten in de strafprocedure kan plaatsvinden.
when a conviction is based solely or to a decisive degree on depositions that have been made by a person whom the accused has had no opportunity to examine or to have examined, whether during the investigation or at the trial, the rights of the defence may be restricted to an extent that is incompatible with the guarantees provided by Article 6 (the so-called “sole of decisive rule”)”. [2] Ook bij de beoordeling of een persoon dient te worden aangemerkt als getuige, wordt de term ‘verklaring’ door het EHRM gebruikt, bijvoorbeeld door te overwegen dat “
the national courts took account of his statements”. [3]
NJ2005/383, m.nt. Buruma lijkt de Hoge Raad het daadwerkelijk afleggen van een verklaring doorslaggevend te vinden. In deze zaak had een getuige verklaard over hetgeen hij had gehoord van iemand die hij aanduidde als Th. De verdediging wenst deze Th. te horen, ook al had hij zelf geen verklaring afgelegd. Th. werd zowel door het hof als de Hoge Raad echter niet als ‘getuige’ aangemerkt, waarschijnlijk omdat hij niet degene was die de verklaring had afgelegd. Om deze reden meent Dubelaar in haar proefschrift dan ook dat dagboekaantekeningen en brieven niet zullen worden aangemerkt als getuigenverklaringen. [4]
Vidgen tegen Nederland. [6] De rechtbank oordeelde dat de verdediging eraan voorbij was gegaan dat het bij het door haar gedane verzoek tot het horen van de medeverdachte niet gaat om een door hem bij de politie afgelegde verklaring die belastend is voor de verdachte, maar om afgeluisterde gesprekken waaraan onder meer de medeverdachte en verdachte hebben deelgenomen.
Mirilashvili tegen Ruslanddat er “duidelijke aanwijzingen” zijn dat art. 6 lid 3 sub d EVRM Pro mogelijk ook zou kunnen worden toegepast op ander bewijs dan “getuigen”. [7] Het EHRM verwijst hieromtrent naar een tweetal zaken van het hof waarin het heeft onderzocht of de toegang tot zogeheten
documentary evidenceen originele documenten en computerbestanden binnen het toepassingsgebied van art. 6 lid 3 sub d EVRM Pro kan vallen. [8] Veel meer dan zoals het hof het zelf stelt, ‘aanwijzingen’ voor de toepasselijkheid van art. 6 lid 3 sub d EVRM Pro leveren die verwijzingen naar de eigen rechtspraak echter niet op, zo meen ik. Het blijft zo dunkt mij bij aanwijzingen dat onder omstandigheden het recht om een getuige te horen verband kan houden met schriftelijk materiaal dat door de betrokken personen is verschaft. Hoewle niet met zoveel woorden wordt uitgesproken door het EHRM lijkt mij dat dit een reflectie is van de eis van een fair hearing, waarvan art. 6 lid 3 EVRM Pro immers een uitwerking is.
Perna tegen Italië, waarin de verzoeker onder meer had verzocht om de heren Vertone en Ferrara – die belastende artikelen in de pers over de verzoeker hadden geschreven – als getuigen te ondervragen. [9] Het EHRM oordeelt in deze zaak dat het verzoek om personen te horen die niet daadwerkelijk een (mondelinge) verklaring hebben afgelegd onder het toepassingsgebied van art. 6 lid 3 sub d EVRM Pro valt. In een dergelijk geval, is het verzoek om deze personen te horen van ontlastende aard, zo begrijp ik het arrest van het EHRM. [10]
Chap Ltd. tegen Armeniëhad de persoon die de verdediging wenste te horen, geen verklaring afgelegd. [11] Deze persoon, Gr.A., het hoofd van de Nationale Televisie en Radio Commissie (de “NTRC”) had op verzoek van de Armeense Staatsbelastingdienst (de “SRS”) verschillende documenten overlegd. In deze zaak overwoog het EHRM onder meer het volgende:
Vidal v. Belgium, 22 April 1992, § 33, Series A no. 235B). The guarantees provided by Article 6 §§ 1 and 3 (d) of the Convention apply to a deposition which may serve to a material degree as the basis for a conviction (see
Lucà v. Italy, no. 33354/96, § 41, ECHR 2001II).
Chap Ltd. de documenten waaromtrent de verdediging Gr.A wilde horen op verzoek van de SRS – de Armeense belastingdienst – waren overgelegd. In de onderhavige zaak is van enige bemoeienis van de kant van de (vervolgende) overheid met het tot stand komen van de WhatsApp-gesprekken geen sprake. De authenticiteit van de (weergave van) de gesprekken is in feitelijke aanleg ook niet ter discussie gesteld door de verdediging.
Perna tegen Italië, de verzoeken om [betrokkene 1] en [betrokkene 2] als getuigen te horen een ontlastende strekking hebben. Daarbij merk ik nog op dat de verdachte zelf deelnemer is geweest aan de WhatsApp-gesprekken en hij het bijvoorbeeld zelf is een WhatsApp-bericht stuurt met een voor de bewezenverklaring relevante strekking door aan [betrokkene 1] te vragen wanneer hij aan de beurt is. Het hof leidt mede hieruit af dat het onwaarschijnlijk is dat, zoals door de verdediging is aangevoerd, hij een vliegticket naar Brazilië cadeau heeft gekregen van zijn neef en dat dit pas drie dagen voor zijn vertrek was geregeld. Daaraan kan het eventuele horen van de gespreksdeelnemer naar ik meen niets af doen.
NJ2021/173, m.nt. Reijntjes. Het verlangen dat een verzoek van de verdediging tot het horen van een getuige wordt gemotiveerd stuit dus niet af op art. 6 lid 3 sub d EVRM Pro, zoals dat door het EHRM is ingevuld. [12]
4.Het tweede middel
tweede middelbehelst de klacht dat het hof aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achttien maanden heeft opgelegd, terwijl deze strafoplegging onbegrijpelijk, althans ontoereikend is gemotiveerd.