Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Bespreking van het eerste middel
NJ2021/169, m.nt. N. Jörg, heeft de Hoge Raad over toepassing van art. 359a Sv het volgende overwogen:
3.Bespreking van het tweede middel
haarvrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij, verdachte, wist of ernstige reden had te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, door vanuit de Penitentiaire Inrichting (Rijnmond) meermalen telefonisch contact met die [slachtoffer] te leggen en onder andere het volgende op een dreigende en dwingende toon tegen die [slachtoffer] te zeggen:
14.De verklaring van de verdachte
4.Bespreking van het derde middel
NJ2019/116, m.nt. P.A.M. Mevis heeft de Hoge Raad – onder verwijzing naar zijn eerdere arresten van 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111 tot en met ECLI:NL:HR:2017:1115 over de samenloopbepalingen – overwogen dat art. 56 Sr Pro in zijn recente rechtspraak zelden aan de orde komt. Reden hiervoor is dat hierop betrekking hebbende klachten doorgaans van onvoldoende belang zijn om cassatie te rechtvaardigen omdat de opgelegde straf ver onder het strafmaximum ligt dat zou gelden als met de steller van het middel van voortgezette handeling zou worden uitgegaan. [20]