ECLI:NL:PHR:2022:1055

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juli 2022
Publicatiedatum
14 november 2022
Zaaknummer
20/02942
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420ter SrArt. 10.1 Wet milieubeheerArt. 62 SrArt. 6 lid 1 EVRMArt. 1 WED
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over medeplegen gewoontewitwassen en opzettelijke overtreding asbestregels

In deze zaak stond verdachte terecht voor medeplegen van gewoontewitwassen en een overtreding van de Wet milieubeheer met betrekking tot asbestverwijdering. Het hof had verdachte veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf. De verdediging voerde onder meer aan dat de panden niet uit enig misdrijf afkomstig waren en dat er geen sprake was van verhullen van rechthebbenden.

De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht had geoordeeld dat verdachte feitelijke zeggenschap had over de panden, ondanks het ontbreken van juridische levering, en dat de verklaring van verdachte over de herkomst van de gelden hoogst onwaarschijnlijk was. Ook oordeelde de Hoge Raad dat het hof terecht had vastgesteld dat verdachte had verhuld wie de rechthebbende was van een BMW X5.

Ten aanzien van de overtreding van de milieuregels stelde de Hoge Raad vast dat het hof kennelijk een misslag had gemaakt door het opzettelijke karakter van het handelen niet in de kwalificatie tot uitdrukking te brengen. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest voor zover het de kwalificatie en strafoplegging betreft en verbeterde de kwalificatie tot een opzettelijke overtreding van artikel 10.1 Wet milieubeheer. Daarnaast werd de straf verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest deels, verbetert de kwalificatie van het milieudelict en vermindert de straf wegens termijnoverschrijding.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/02942

Zitting5 juli 2022
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 17 september 2020 de verdachte in de zaak met parketnummer 04/800128-11 wegens 1 primair "
Medeplegen van gewoontewitwassen" en in de zaak met parketnummer 04/850429-12 wegens 3 “
Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1 van de Wet milieubeheer”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden met aftrek van voorarrest.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 20/02943 en 20/03014. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

4. Het eerste middel klaagt over het in de zaak met parketnummer 04/800128-11 onder 1 primair bewezen verklaarde medeplegen van gewoontewitwassen en het valt uiteen in verschillende deelklachten.
5. Voordat ik tot een bespreking van de deelklachten overga, zal ik eerst de bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen van het hof weergeven. Het hof heeft in de bewijsoverwegingen het door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer samengevat weergegeven.
Het bestreden arrest
6. Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 04/800128-11 onder 1 primair bewezen verklaard dat hij:
“in de periode van 1 december 2005 tot en met 5 maart 2012, in de gemeente [plaats] en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers
hebben verdachte en zijn mededaders van een voorwerp, te weten
- een personenauto (merk BMW, type X5),
verhuld wie de rechthebbende op dat voorwerp was
en
hebben verdachte en zijn mededaders voorwerpen, te weten:
- een pand gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] en
- een pand gelegen aan de [b-straat 1] te [plaats] en
- een pand gelegen aan de [c-straat 1] te [plaats]
verworven en voorhanden gehad,
terwijl hij en zijn mededaders wisten dat die panden en die personenauto – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.”
7. De bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 04/800128-11 onder 1 primair ten laste gelegde steunt op de bewijsmiddelen die zijn opgesomd in de aanvulling op het bestreden arrest (p. 3-21). [1] Gezien de omvang van de aanvulling volsta ik hier met een verwijzing daarnaar.
8. In het bestreden arrest heeft het hof daarnaast het volgende overwogen:
Parketnummer 04-800128-11, feit 1
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het witwassen van:
- het pand gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] ; en
- het pand gelegen aan de [b-straat 1] te [plaats] ; en
- het pand gelegen aan de [c-straat 1] te [plaats] ,
moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat deze panden niet uit enig misdrijf afkomstig zijn maar afkomstig zijn uit een drietal – hierna te noemen – legale bronnen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit het procesdossier blijkt onder meer – zakelijk weergegeven – omtrent de verwerving van genoemde panden van het volgende.
Door verdachte werden na te melden panden niet in privé aangekocht maar op naam van de Turkse Limited, [A] Ltd., waarvan verdachte bestuurder was.
[a-straat 1] te [plaats]
Het pand aan de [a-straat 1] te [plaats] is op 2 december 2008 aangekocht voor een bedrag van € 115.000,-. Op dit pand is geen hypotheek gevestigd. Het aankoopbedrag van € 123.226,22 voor de betaling van dit pand werd via een bankrekening bij de ING gestort op de derdengeldrekening van de notaris. Kort daarvoor op 27 november 2008 werd een bedrag van € 124.925,- vanuit Turkije bijgeschreven op de bankrekening van [A] Ltd.
[b-straat 1] te [plaats]
In maart 2009 is door verdachte, namens [A] Ltd., een koopovereenkomst getekend voor de koop van het pand aan de [b-straat 1] te [plaats] . In een later stadium heeft [betrokkene 1] als vertegenwoordiger van [A] Ltd. een koopovereenkomst getekend voor de aankoop van dit pand.
Dit pand is aangekocht voor een bedrag van € 250.000,-. Aangetroffen is een koopcontract waaruit blijkt dat [B] het pand voor genoemd bedrag heeft verkocht aan [A] Ltd., vertegenwoordigd door verdachte. Levering van dit onroerend goed heeft niet plaatsgevonden.
Voor dit pand kon geen hypotheek bij de bank worden verkregen omdat verdachte een BKR-registratie had en er door de bank geen hypotheek verstrekt werd [A] Ltd., omdat dit een buitenlandse besloten vennootschap betrof.
Op 25 mei 2010 vond er via de bankrekening van [A] Ltd. een eerste betaling plaats voor de aankoop van deze woning. Het betrof een bedrag van € 50.000,-. Via dezelfde rekening volgden daarna meerdere betalingen aan [B] BV ter afbetaling van dit pand.
De eerste betaling van de betreffende rekening was mogelijk omdat er nog voldoende saldo aanwezig was. Dit saldo was mede te danken aan eerdere overboekingen vanuit Turkije.
Vervolgens werd het saldo van de bankrekening van [A] Ltd. op peil gehouden doordat hierop diverse betalingen/overboekingen vanaf andere rekeningen plaatsvonden. In totaal is er in ongeveer 1,5 jaar tijd een bedrag van € 205.000,- via de bankrekening van [A] Ltd. aan [B] betaald en op 24 januari 2012 was het pand nog steeds eigendom van [B] BV. Er heeft nog geen levering aan verdachte plaatsgevonden.
[c-straat 1] te [plaats]
Dit pand is aangekocht op 9 juli 2009 voor € 170.000,-. De betaling van de koopsom voor het pand vond plaats middels:
- overname van een schuld van € 26.000,- van verkoper door koper;
- betaling van een geldbedrag van € 80.000,- aan verkoper via de derdengeldrekening van de notaris;
- een schuld uit geldlening van € 64.000,-
Een deel van het aankoopbedrag van € 86.648,59 is via een bankrekening van de ING op 6 juli 2009 gestort op de derdengeldrekening van de notaris. Kort daarvoor, op 2 juli 2009, werd een bedrag van € 85.000,- vanuit Turkije bijgeschreven op de bankrekening van [A] Ltd. Op 8 juli 2009 werd er nogmaals een bedrag van € 39.686,- vanuit Turkije bijgeschreven op de rekening van [A] Ltd. De schuld uit geldlening van € 64.000,- heeft verkoper op enig moment contant in handen gekregen van verdachte.
Herkomst gestorte gelden op rekeningen van [A] Ltd.
De bedrijfsresultaten van [A] Ltd. waren in de jaren 2008 tot en met 2012 negatief, daarnaast is niet gebleken van bedrijfsactiviteiten van [A] Ltd. Zoals hiervoor aangegeven heeft de verdediging aangevoerd dat de gelden uit een drietal legale bronnen afkomstig zijn. Dit zijn:
- opbrengst van de verkoop van handelspanden van [betrokkene 2] na diens overlijden op [datum] 2007;
- de opbrengsten van voortgezette horecazaken van wijlen [betrokkene 2] waarbij verdachte is opgetreden als zaakwaarnemer namens de [familie van betrokkene 2] ;
- investeringen van de [familie van betrokkene 2] .
Omtrent deze bronnen zijn in eerste aanleg en in hoger beroep getuigen gehoord. In eerste aanleg zijn gehoord: [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] .
Naar aanleiding van die verhoren heeft de rechtbank (vonnis, p. 11) het navolgende overwogen:
‘Drie getuigen hebben verklaringen afgelegd over de herkomst van het geld van [A] .
Door [betrokkene 3] wordt weliswaar verklaard dat hij samen met [verdachte] in totaal 250.000,00 euro naar het Nederlandse rekeningnummer van [A] heeft overgemaakt in verband met aankopen van vastgoed, maar uit niets blijkt van enige betrokkenheid van [betrokkene 3] bij [A] . Daarbij komt, (...). Dat destijds [verdachte] de enige die beschikkingsbevoegde was ten aanzien van [A] en ook als enige de betreffende overboekingen kon verrichten. De verklaringen stroken ook niet met de verklaring van aandeelhouder [betrokkene 4] die verklaart geen weet te hebben van de Nederlandse rekening van [A] en in de veronderstelling te zijn dat de geldbedragen zijn overgeboekt naar [verdachte] . De andere aandeelhouder, [betrokkene 5] , verklaart dat niemand geld heeft ingelegd in [A] . En ook hij heeft geen weet van de rekening van [A] .’
Het hof neemt deze overweging van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne.
In hoger beroep zijn omtrent de genoemde bronnen nog als getuigen gehoord [betrokkene 6] , [betrokkene 5] en [betrokkene 7] .
[betrokkene 6] , weduwe van [betrokkene 2] , heeft verklaard dat haar echtgenoot werkzaam was in de horeca, dat na zijn overlijden in 2007 de ondernemingen in handen zijn gekomen van zijn broers en dat zij verdachte heeft gemachtigd voor die bedrijven, dat zij verder niets afweet van de werkzaamheden van verdachte en dat de naam [A] Ltd. haar niets zegt.
[betrokkene 5] heeft verklaard dat hij enkel mede-eigenaar is geweest van het bedrijf [A] Ltd., dat hij verder niets heeft meegekregen van de financiële gang van zaken en enkel mede-eigenaar is geworden omdat een bedrijf in die tijd niet met slechts één eigenaar opgericht kon worden. Over financiële banden tussen de Turkse onderneming [A] Ltd. en Nederland verklaart deze getuige niets te weten.
[betrokkene 7] heeft verklaard dat hij accountant van [betrokkene 2] is geweest tot diens overlijden. Hij heeft verklaard dat na het overlijden van [betrokkene 2] , verdachte was gemachtigd voor de ondernemingen van [betrokkene 2] en dat hij toen daar ook boekhouder van was.
Volgens [betrokkene 7] zou verdachte met de opbrengsten van de ondernemingen van [betrokkene 2] de kosten van de bedrijven hebben betaald. Gevraagd naar de onderneming [A] Ltd. heeft [betrokkene 7] verklaard dat deze onderneming door verdachte is opgericht en zich bezig zou gaan houden met import en export. [betrokkene 7] is ook accountant van [A] Ltd. geweest en was betrokken bij de oprichting ervan. [betrokkene 7] heeft verder verklaard dat wanneer er geld aan [A] Ltd. door een natuurlijk persoon of bedrijf zou zijn geleend bij de oprichting of erna, hij dit in de boekhouding van [A] Ltd. had moeten zien, maar dat dit niet het geval is geweest.
Het hof heeft in voornoemde getuigenverklaringen en vooral ook in de verklaring van de boekhouder [betrokkene 7] geen bevestiging gevonden voor herkomst uit de drie door de verdediging genoemde bronnen van de gelden die op de diverse rekeningen van [A] Ltd. zijn gestort in verband met de financiering van de hiervoor genoemde drie panden.
Het hof is van oordeel dat de verklaring van verdachte omtrent de herkomst van de gelden weliswaar concreet en verifieerbaar is maar op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zodat daar ook geen nader onderzoek door het openbaar ministerie meer hoefde plaats te vinden.
Het hof is van oordeel dat het niet anders kan zijn dat de gelden waarmee de panden zijn aangekocht uit enig misdrijf afkomstig zijn.
Verhullen rechthebbende van de panden
De verdediging heeft zich ten aanzien van voornoemde drie panden -subsidiair - op het standpunt gesteld dat verdachte niet heeft verhuld wie de rechthebbende op de panden is geweest. Daartoe is aangevoerd dat de panden weliswaar op naam zijn gesteld van [A] Ltd. maar dat verdachte gebruik heeft gemaakt van die panden en volgens het GBA ook stond ingeschreven op het adres [b-straat 1] te [plaats] . Evenmin was sprake van een “ondoorzichtigheid van opeenvolgende transacties”, zoals voor verhullen vereist. De geldstroom was telkens helder. In Turkije werd geld gestort op de bankrekeningen van [A] Ltd., dat geld werd vervolgens overgemaakt naar de Nederlandse bankrekening van [A] Ltd. waarmee de aankoop van de panden werd betaald. Verdachte was daarbij telkens de enig beschikkingsbevoegde. Van “verhullen of verbergen” is geen sprake en ook om die reden dient verdachte te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Uit de in het procesdossier aanwezige bewijsmiddelen blijkt onder meer – zakelijk weergegeven – omtrent de verwerving van genoemde panden van het volgende.
Verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] , [betrokkene 1] en [medeverdachte 2] konden beschikken over een of meerdere rechtspersonen. Deze rechtspersonen waren door hen opgericht of overgenomen dan wel waren ze hiervan volledig bevoegd bestuurder. Het betrof onder meer onderstaande rechtspersonen
- [A] Ltd.
- [C] B.V.
- [C] B.V.
- [D] B.V.
Onder de paraplu van bovenstaande BV’s waren weer andere bedrijven ondergebracht onder bijvoorbeeld de bedrijfsnamen:
- [E]
- [F]
- [G]
- [H]
- Café [I]
Het betrof veelal rechtspersonen waarbinnen geen of nauwelijks bedrijfsactiviteiten plaatsvonden, zoals dat in dit geval specifiek voor [A] Ltd. Op naam van de rechtspersonen werden bankrekeningen geopend/aangehouden waarop diverse contante stortingen werden gedaan. Binnen deze rechtspersonen werden gelden rondgepompt onder andere onder de noemer lening en overboeking, waarna een deel hiervan uiteindelijk terecht kwam op de bankrekening van [A] Ltd. Ook werden er facturen die betrekking hadden op [E] rechtstreeks betaald op een bankrekening van [A] Ltd. waardoor geldstromen door elkaar kwamen te lopen. Via deze laatste rekening werd vervolgens geld overgeboekt naar de verkoper van het pand.
Naast de ondoorzichtigheid van de geldstromen is het hof met de rechtbank van oordeel dat er gebruik werd gemaakt van schijnconstructies. Zo stond de koopovereenkomst voor het pand aan de [b-straat] aanvankelijk op naam van verdachte, maar werd deze een jaar later op naam van zijn dochter [betrokkene 1] gezet.
Gelet op het vorenstaande is het hof ten aanzien van de genoemde panden van oordeel dat verdachte voormelde panden niet alleen heeft verworven, maar ook heeft verborgen/verhuld wie de rechthebbende is met betrekking tot die panden.
Witwassen BMW X5
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat nu een criminele herkomst van de gelden op de Turkse bankrekening(hof: bedoeld zal zijn de Turkse bankrekening van [A] Ltd.)
niet vaststaat, dit impliceert dat verdachte tevens moet worden vrijgesproken van het witwassen van de BMW X5.
Het hof verwerpt dit verweer nu hiervoor is geoordeeld dat de verklaring omtrent de drie bronnen van herkomst op voorhand onwaarschijnlijk is en dat het niet anders kan zijn dan dat de voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn.
De eerste deelklacht van het eerste middel
9. De eerste deelklacht luidt dat het oordeel van het hof dat de verdachte het pand aan de [b-straat 1] te [plaats] heeft verworven en voorhanden heeft gehad in het licht van de vaststellingen van het hof dat het pand op 24 januari 2012 nog steeds eigendom was van de verkoper en nog geen levering aan de verdachte had plaatsgevonden, onbegrijpelijk is, althans onvoldoende met redenen is omkleed.
Het juridisch kader
10. De in de bewezenverklaring opgenomen begrippen ‘verwerven’ en ‘voorhanden hebben’ dragen dezelfde betekenis als in de helingsbepalingen. [2] Onder de herziene helingsbepalingen omvat het verwerven of overdragen van een goed alle handelingen die tot gevolg hebben dat iemand de feitelijke zeggenschap over een goed verkrijgt of overdraagt. [3] Daarbij kan worden gedacht aan kopen, ruilen, huren of ten geschenke aannemen. [4] De term verwerven impliceert een feitelijke overdracht van het goed. Het betekent dat de koper, of iemand die namens de koper optreedt, het goed daadwerkelijk in handen krijgt. [5]
11. Het voorhanden hebben strekt zich uit tot ieder feitelijk voorhanden hebben, met welk doel en krachtens welke titel dan ook. Onder voorhanden hebben van een goed is ook begrepen het gebruiken van een goed. [6] Voor verwerven en voorhanden hebben is niet vereist dat daaraan een privaatrechtelijke titel ten grondslag ligt. [7]
De beoordeling van de eerste deelklacht
12. Het hof heeft vastgesteld dat het pand aan de [b-straat 1] te [plaats] in maart 2009 is aangekocht door [A] Ltd., een Turkse rechtspersoon waarvan de verdachte de bestuurder was. Het pand is aangekocht voor een bedrag van € 250.000,-.Ter afbetaling van het pand hebben via de rekening van [A] Ltd. verschillende betalingen aan de verkoper plaatsgevonden. In ongeveer anderhalf jaar tijd is er een bedrag van € 205.000,- aan de verkoper betaald. Daarnaast blijkt uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen dat de verdachte vanaf 17 september 2009 staat ingeschreven op dit adres. Hij woont en verblijft daar vanaf die datum en hij gebruikt dit pand als zijn woning. Daaruit kan mijns inziens worden afgeleid dat de verdachte feitelijke zeggenschap had over het pand gelegen aan de [b-straat 1] te [plaats] . De enkele omstandigheid dat de juridische levering van het pand aan de verdachte nog niet had plaatsgevonden (vermoedelijk omdat het pand nog niet volledig door de verdachte was afbetaald), doet daaraan niet af. Dat het hof de handelingen van de verdachte heeft aangemerkt als het verwerven en voorhanden hebben van het pand, acht ik dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
13. De eerste deelklacht faalt.

De tweede deelklacht van het eerste middel

14. De tweede deelklacht klaagt over het oordeel van het hof dat de verklaring van de verdachte op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is, zodat daarnaar geen nader onderzoek door het Openbaar Ministerie meer hoefde plaats te vinden. In de toelichting betogen de stellers van het middel dat dat oordeel, gelet op hetgeen de verdediging met argumenten onderbouwd heeft aangevoerd, niet zonder meer begrijpelijk is, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
Het juridisch kader
15. Het gaat hier over het bewijs van witwassen van een groot geldbedrag dat onder de verdachte is aangetroffen. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband kan worden gelegd tussen een bepaald misdrijf en het aangetroffen voorwerp, kan witwassen niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. [8] In zijn arrest van 2 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:156, heeft de Hoge Raad ten aanzien van het bestanddeel ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ zoals dat voorkomt in de witwasbepalingen (waaronder artikel 420bis Sr) het volgende overwogen:
“2.3.2. Dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf”, kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
2.3.3. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs. (Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.)”
16. In mijn conclusie voorafgaand aan het hiervoor weergegeven arrest (ECLI:NL:PHR:2020:1048), ben ik reeds ingegaan op de jurisprudentie van de Hoge Raad over het bewijs van de criminele herkomst van een voorwerp ten aanzien waarvan de verdachte handelingen heeft begaan die kunnen worden aangemerkt als witwassen ingeval dit voorwerp inderdaad ‘uit enig misdrijf afkomstig’ is. Bij afwezigheid van rechtstreeks bewijs voor de vaststelling dat een voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, kan de rechter deze vaststelling afleiden uit een samenstel van omstandigheden die in voldoende mate in deze richting wijzen. Aan de jurisprudentie valt in dit verband een redeneerschema te ontlenen dat het ‘(drie)stappenplan’ wordt genoemd. Die stappen zijn:
(i). Rechtvaardigen de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden ‘het vermoeden’ dat het betreffende voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is?
(ii). Zo ja, heeft de verdachte omtrent de herkomst van het voorwerp ‘een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring’ gegeven met de strekking dat het voorwerp legaal verkregen is? In dit verband valt op te merken dat van de verdachte niet mag worden verlangd dat hij aannemelijk maakt, laat staan bewijst, dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
(iii). Zo ja, dan ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om naar die verklaring nader onderzoek te doen.
De rechter zal vervolgens op basis van de resultaten van dit onderzoek moeten beoordelen of de criminele herkomst van het voorwerp bewezen kan worden.
De beoordeling van de tweede deelklacht
17. In cassatie staat niet ter discussie dat de uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen kunnen rechtvaardigen (de eerste stap).
18. De vraag die voorligt is of de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het geld waarmee hij de voorwerpen heeft aangeschaft die in de tenlastelegging zijn opgenomen (de tweede stap).
19. De verdachte heeft verklaard dat de gelden die (contant) werden gestort op Turkse bankrekeningen van [A] Ltd. en vervolgens werden overgemaakt naar de Nederlandse rekening van [A] de opbrengsten betreffen van de verkoop van handelspanden van [betrokkene 2] na diens overlijden in 2007 alsmede de opbrengsten van voortgezette horecazaken van wijlen [betrokkene 2] . Deze gelden heeft de verdachte met instemming van de [familie van betrokkene 2] geïnvesteerd in onroerend goed in (onder meer) Nederland. Volgens de verdachte vindt zijn verklaring over de herkomst van het geld steun in verschillende getuigenverklaringen.
20. Het hof heeft geoordeeld dat de verklaring van de verdachte over de herkomst van de gelden weliswaar concreet en verifieerbaar, maar op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is, zodat geen nader onderzoek door het Openbaar Ministerie meer hoefde plaats te vinden. Daartoe heeft het hof overwogen dat het in de getuigenverklaringen, en vooral ook in de verklaring van de boekhouder [betrokkene 7] , (anders dan de verdediging heeft betoogd)
geenbevestiging heeft gevonden voor de verklaring van de verdachte over de herkomst van de gelden waarmee de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen zijn aangeschaft. Bovendien heeft het hof per getuige niet onbegrijpelijk uiteengezet waarom het van oordeel is dat de verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld in die verklaring geen steun vindt. In het licht van de overige feiten en omstandigheden zoals die blijken uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, acht ik het oordeel van het hof dat de verklaring van de verdachte hoogst onwaarschijnlijk is dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
21. De tweede deelklacht faalt.

De derde deelklacht van het eerste middel

22. De derde deelklacht keert zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte met betrekking tot de BMW X5 heeft verhuld wie de rechthebbende op het voorwerp is. In de toelichting betogen de stellers van het middel dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het voertuig in Duitsland geregistreerd staat op naam van de verdachte, doch gebruikt en betaald wordt de [medeverdachte 1] . Die omstandigheden leveren niet zonder meer het verhullen van de rechthebbende op, aldus de stellers van het middel.
De relevante bewijsmiddelen
23. De bewezenverklaring van het witwassen van de BMW X5 steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen (p. 18 en 20 van de aanvulling bewijsmiddelen):
“Witwassen BMW X5
6. Relaasproces-verbaal, map 1, p. 23, voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Tijdens het onderzoek werd bij [medeverdachte 1] een BMW type X5 aangetroffen en nadien in beslag genomen. Het betrof een in 2008 in Duitsland (nieuw) gekochte, BMW X5, voorzien van alle mogelijke opties en accessoires.
Het voertuig staat in Duitsland geregistreerd op naam van zijn vader [verdachte] .
Uit de aangetroffen factuur kan worden afgeleid dat dit voertuig bij aanschaf in Duitsland € 81.400,52 heeft gekost.
Een kopie van de desbetreffende factuur is als bijlage 13 hierbij gevoegd.
Het vermoeden bestaat dat deze auto slechts op naam van [verdachte] werd gefinancierd maar dat de auto feitelijk in gebruik is bij zijn zoon [medeverdachte 1] . Op een, bij [medeverdachte 1] in beslag genomen computer werden diverse foto's/afbeeldingen aangetroffen van deze auto, waarbij telkenmale de verdachte [medeverdachte 1] met dit voertuig was gefotografeerd.
Bij de bestelling van deze auto werd op 7 mei 2008 een contante aanbetaling gedaan van € 20.000,- en bij aflevering van het voertuig op 02 oktober 2008, werd nogmaals een contant geldbedrag van € 4.970,02 betaald.
Kopieën van bescheiden die betrekking hebben op deze contante betalingen zijn als bijlage 14 hierbij gevoegd.
Bankafschriften van de Kreissparkasse Heinsberg.
Bij de doorzoeking van de woning van [verdachte] werden 2 mapjes met daarin diverse bankafschriften aangetroffen van een bankrekening met het nummer [rekeningnummer] op naam van [verdachte] bij de Kreissparkasse te Heinsberg (D).
Aangetroffen werden de bankafschriften tot 15-09-2009.
Via deze bankrekening werden de maandelijkse aflossingen voor de genoemde BMW X5 aan de BMW bank GmbH betaald.
Opvallend is echter dat er bijna elke maand, op dezelfde bankrekening van [verdachte] , kort voor de betaling van de aflossingstermijnen, een contante storting werd gedaan ter grootte van ongeveer het verschuldigde maandbedrag.
Kopieën van deze aangetroffen bankafschriften waaruit bovenstaande kan worden afgeleid zijn als bijlage 17 hierbij gevoegd.
[verdachte] beschikte zelf over, én gebruikte andere personenauto's;
Van 06-10-2009 t/m 05-12-2009, een BMW, type 7 serie, 730D Automaat voorzien van het kenteken [kenteken 1] .
Van 14-12-2009 t/m 04-03-2011, een Mercedes-Benz, type CLS 320 Cdi Coupe, voorzien van het kenteken [kenteken 2] .
[verdachte] werd ook nimmer gesignaleerd als bestuurder/gebruiker van de BMW X5.
[medeverdachte 1] daarentegen werd wel diverse keren als bestuurder/gebruiker van dit voertuig gesignaleerd.
Uit de aangetroffen administratie kan worden afgeleid dat er op enig moment in 2011 (vermoedelijk vanaf mei 2011) niet meer werd voldaan aan de betaling van de maandelijkse aflossingstermijnen.
Hierover werd vervolgens tussen de financieringsmaatschappij en [verdachte] overleg en correspondentie gevoerd waarbij de leenovereenkomst door de financieringsmaatschappij werd beëindigd en [verdachte] werd gesommeerd om het nog resterende leningbedrag van € 21.121,36 terstond te betalen of het voertuig direct terug te geven aan de eigenaar, de BMW Bank GmbH. Er werden afschriften van deze correspondentie aangetroffen. Het betreffen onderstaande documenten:
• Brief Accumio Finance Services - Sofortige Herausgabe des Fahrzeuges.
• Sicherstellungsauftrag.
Kennelijk werd er naar aanleiding hiervan een schikking getroffen tussen [medeverdachte 1] enerzijds en de BMW bank GmbH anderzijds. Uit een schrijven dat hierop betrekking heeft kan worden afgeleid dat [medeverdachte 1] toen een bedrag van € 5.500,-- heeft betaald aan de leverancier van de BMW, de firma [J] GmbH te Heinsberg en dat hij vóór 15 januari 2012 het resterende bedrag van € 21.363,85 zou betalen.
De aangetroffen documenten zijn onder bijlage 18 hierbij gevoegd.
(…)
7. Een los proces-verbaal opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , proces-verbaalnummer PL236F-2011105816-237, inhoudende een verhoor van 27 november 2013 te 10:04 uur van [medeverdachte 2] en voorzover inhoudende als zijn verklaring, zakelijk weergegeven:
V: En de X5. Die is in beslag genomen bij [medeverdachte 1] .
A: En verkocht op de veiling.
V: Uit de papieren blijkt dat die auto is geregistreerd in Duitsland.
A: Klopt, de auto stond op Duits kenteken.
V: Maar wij kunnen niet zomaar op Duits kenteken rijden.
A: Nee dan moetje ingeschreven staan.
V: Op wiens naam stond die X5?
A: Op naam van [verdachte]
V: En wie maakte gebruik van de auto?
A: [medeverdachte 1] .
V: Wie betaalde de maandelijkse kosten van deze auto?
A: [medeverdachte 1] , via de bank of via de BMW garage in Heinsberg in contanten. Via de bank waren het altijd kasstortingen van 1.500 euro. [medeverdachte 1] stortte dit geld op de rekening van zijn vader in Heinsberg, de Sparkasse. Daar werd het automatisch geïncasseerd door de leasemaatschappij.
V: Hoe weet jij dit?
A: Ik ben een paar keer met [medeverdachte 1] meegegaan naar Heinsberg, geld brengen, ook bij de BMW-garage. Het bedrag was iets van 6.000 euro toen. dat waren achterstallige leasekosten.
V: Hoe verdiende [medeverdachte 1] zijn geld?
A: Met criminele activiteiten. Hoe ik dat weet? Omdat ik er zelf bij betrokken ben geweest.”
Het juridisch kader
24. De termen ‘verbergen’ en ‘verhullen’ als bedoeld in artikel 420bis, lid 1, sub a Sr hebben betrekking op gedragingen die erop zijn gericht het zicht op de herkomst van een bepaald voorwerp of het zicht op wie de rechthebbende op een voorwerp is, te bemoeilijken. Die gedragingen moeten tevens geschikt zijn om dat doel te bereiken. [9] Bij het verbergen of verhullen wie de rechthebbende op een voorwerp is, gaat het om handelingen waarmee de werkelijke zeggenschap over het voorwerp wordt verdoezeld. [10]
De beoordeling van de derde deelklacht
25. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de BMW X5 in Duitsland op naam van de verdachte geregistreerd stond, terwijl zijn zoon zich feitelijk als eigenaar van het voertuig gedroeg. Hij maakte immers gebruik van het voertuig en heeft ook meer keren contante stortingen gedaan ten behoeve van de financiering van de auto. Ook was de zoon van de verdachte betrokken bij een schikking met de BMW bank GmbH ter zake de (finale) aflossing van de BMW X5. Door deze constructie werd verdoezeld wie nu de rechthebbende op het voertuig was. Het oordeel van het hof dat de verdachte heeft verhuld wie de rechthebbende op het voertuig is, acht ik dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ook de derde deelklacht is tevergeefs voorgesteld.
26. Het eerste middel faalt in al zijn onderdelen.

Het tweede middel

27. Het tweede middel klaagt over het in de zaak met parketnummer 04/850429-12 onder 3 bewezen verklaarde.
Het bestreden arrest
28. Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 04/850429-12 onder 3 bewezen verklaard dat hij:
“In de periode van 10 december 2011 tot en met 12 december 2011 in de gemeente [plaats] , opzettelijk handelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft nagelaten, terwijl hij wist dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan, en toen aldaar niet heeft voldaan aan de verplichting alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem konden worden gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, immers heeft verdachte de asbesthoudende golfplaten en brokstukken daarvan, ontstaan door de sloop van het (asbesthoudende) dak van een loods aan de [a-straat] niet (voldoende) opgeruimd.”
29. Het bewezen verklaarde is door het hof gekwalificeerd als:
“Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1 van de Wet milieubeheer”.
30. De bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 04/850429-12 onder 3 ten laste gelegde steunt op de volgende bewijsmiddelen (p. 21-26 van de aanvulling bewijsmiddelen):
“1. Proces-verbaal van bevindingen, (aangetroffen situatie d.d. 8 november 2011), map 14, p. 6205, voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op dinsdag 8 november 2011, omstreeks 08.30 uur, was in het kader van het strafrechtelijk onderzoek van de Regionale Recherche van de Politie Limburg Noord, 65 AUDI genaamd, een doorzoeking gepland, in pand [a-straat 1] aan de [a-straat] te [plaats] .
Voor de aanvang van de doorzoeking zag ik, [verbalisant 3] , dat er stukken golfplaten, op en naast de gezamenlijke oprit van de genoemde bedrijven lagen. Tevens zag ik, [verbalisant 3] dat naast de oprit een aantal golfplaten lagen opgestapeld op een houten pallet. Ik zag voorts dat een aantal golfplaten rechtop tegen de voorgevel van de loods stonden geplaatst.
Ik, [verbalisant 3] , zag dat de stukken golfplaat op de gezamenlijke oprit lagen verspreid. Gezien de aard van aantreffen van deze stukken, waren de platen vermoedelijk door een val of andere krachtinwerking verbroken/gebroken. De stukken en de hele platen, die mogelijk uit asbesthoudend materiaal bestonden, waren niet voorzien van enige bescherming of afdekking.
Ik, [verbalisant 3] , kon van buiten uit zien, dat de achterzijde van het dak van deze loods bestond uit ander materiaal, dan het voorste gedeelte van het dak. Het achterste gedeelde oogde veel ouder. Dit gedeelte van het dak bestond uit golfplaten.
Mij, verbalisant [verbalisant 3] , is ambtshalve bekend dat dergelijke golfplaten, zeer waarschijnlijk asbesthoudend zijn. Gezien de aangetroffen situatie - i.c. de oude golfplaten op de achterzijde van het dak, de nieuwe dakbedekking aan de voorzijde van het dak en de "verse” stukken golfplaat op de bodem bij de loods - achtte ik het niet uitgesloten dat het oude dak van de loods vrij recent was gesloopt en dat het nieuwe gedeelte van het dak vrij recent was aangebracht.
Hierdoor - en het aanwezige stof op de goederen in de ruimte - achtte ik het zeker niet uitgesloten dat de loods en de directe omgeving van de loods met asbesthoudende stoffen/fragmenten was besmet.
Inmiddels was ingeseind personeel van de gemeente [plaats] t.p. gekomen i.v.m. de vermoedelijk illegale verwijdering van de dak-golfplaten. Dit betroffen de heren: [betrokkene 8] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] .
2. Proces-verbaal van bevindingen, map 14, p. 6257, voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op dinsdag 8 november 2011, omstreeks 12.20 uur, bevonden wij ons, [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , toezichthouder tevens buitengewoon opsporingsambtenaar Openbare Ruimte, afdeling Veiligheid, Toezicht en Handhaving, Eenheid Dienstverlening, standplaats [plaats] , in dienst van de gemeente [plaats] , in herkenbare uniform gekleed, op adres [a-straat] perceelnummer [a-straat 2] en [a-straat 1] , kerndorp [plaats] van de gemeente [plaats] , beiden perceelnummers kadastraal bekend bij de gemeente [plaats] als sectie […] , perceelnummer [001] .
De openbare weg [a-straat] is gelegen buiten de bebouwde kom van kerndorp [plaats] van de gemeente [plaats] .
Ter controle op de naleving van de voorschriften, welke zijn opgenomen in de verleende Wabo omgevingsvergunning die betrekking hebben op de werkzaamheden bij het slopen en verwijderen van asbesthoudende materialen, het asbestverwijderingsbesluit 2005 en de bepalingen genoemd in de Wet milieubeheer betraden wij, [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , verder het perceel om aan een nader onderzoek te onderwerpen.
Daar zagen wij, [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , tijdens een vluchtige inspectie rondom dit gebouw, behoorlijke hoeveelheden mogelijk asbestverdachte materialen liggen.
Wij, [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , zagen namelijk dat buiten dit gebouw op de aanwezige bestrating en op diverse plaatsen op de onbeschermde bodem grote hoeveelheden zowel grotere evenals kleinere beschadigde en gebroken dakdelen lagen. Wij, [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , zagen dat aan de voorzijde op dit bouwwerk nieuwe dakdelen waren bevestigd. Om niet verder blootgesteld te worden aan deze vermoedelijke asbestverdachte situatie hebben wij ons onderzoek per direct gestaakt.
Wij allen hebben de werkzaamheden afgelast in afwachting op de komst van het door de gemeente [plaats] ingeschakelde en erkende asbestsaneringsbedrijf "Het Zuiden".
[verbalisant 5] heeft assistentie ingeroepen van het Analyse Bureau Safety inventarisatie BV om een inventarisatie type A volgens de SC540 op voornoemde perceel uit te voeren. Dit voor het in kaart brengen van de aard- en omvang van een mogelijke asbest besmette locatie.
Een kopie van het asbestinventarisatie rapport Type A volgens de SC540 uitgevoerd op 8 november 2011 door Analyse Bureau Safety inventarisatie B.V. te Merkelbeek in opdracht van Asbestsanering het Zuiden B.V.. heb ik als extra bijlage toegevoegd aan dit dossier.
3. Een schriftelijk bescheid betreffende een asbestinventarisatierapport Type A volgens de SC540 uitgevoerd op 8 november 2011 door Analyse Bureau Safety Inventarisatie BV te Merkelbeek, map 14, p. 6223 e.v. voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Asbestinventarisatierapport
Inventarisatiedatum: 8 november 2011
Monsteromschrijving: golfplaat reststuk (buiten)
Monsterplaats: [a-straat 1]
Analyseresultaat: bevat Asbest
Monsteromschrijving: golfplaat reststuk (binnen).
Monsterplaats: [a-straat 1]
Analyseresultaat: bevat Asbest
De volgende asbesthoudende materialen zijn aangetroffen:
Growshop aan de [a-straat 1] te [plaats]
Ca. 200 m2 asbesthoudende golfplaten geschroefd op het dak (achterzijde) aangetroffen. Materiaalanalyse (MA 115251 ) heeft aangetoond dat de golfplaten 10-15% chrysotiel (witte asbest) bevatten en hechtgebonden zijn.
Reststukken asbesthoudende golfplaat losliggend op het dak (achterzijde) aangetroffen. Materiaalanalyse (MA 115251 ) heeft aangetoond dat de golfplaten 10-15% chrysotiel (witte asbest) bevatten en hechtgebonden zijn.
3 stapels asbesthoudende golfplaten aan de voorzijde van het pand aangetroffen.
Materiaalanalyse (MA 115251) heeft aangetoond dat de golfplaten 10-15% chrysotiel (witte asbest) bevatten en hechtgebonden zijn.
Ca. 15 asbesthoudende golfplaten losstaand tegen de voorgevel aangetroffen.
Materiaalanalyse (MA 115251) heeft aangetoond dat de golfplaten 10-15% chrysotiel (witte asbest) bevatten en hechtgebonden zijn.
Rondom het gehele pand zijn asbesthoudende reststukken golfplaat aangetroffen.
Materiaalanalyse (MA 115251) heeft aangetoond dat de golfplaten 10-15% chrysotiel (witte asbest) bevatten en hechtgebonden zijn.
Reststukken asbesthoudende golfplaat losliggend op de begane grond en zolder aangetroffen. Materiaalanalyse (MA 115252) heeft aangetoond dat de golfplaten 10-15% chrysotiel (witte asbest) bevatten en hechtgebonden zijn.
4. Een schriftelijk bescheid, betreffende een brief Van de Gemeente [plaats] dd 24 november 2011 gericht aan de [A] (hof: [A] Ltd), map 14, p. 6398, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 8 november 2011 heeft een medewerker van het team Veiligheid, Toezicht en Handhaving geconstateerd, dat op het, uw onderneming in eigendom toebehorende perceel, kadastraal bekend, gemeente [plaats] , sectie […] nummer [001] , plaatselijk bekend [a-straat] , (delen van) golfplaten verspreid lagen, waarvan op dat moment het vermoeden bestond, dat het om asbest ging. Naar alle waarschijnlijkheid zijn deze vrijgekomen bij sloopwerkzaamheden, die in afwijking van een verleende "WABO-sloopvergunning" zijn uitgevoerd.
Wij maken u er op attent, dat wij voornemens zijn, door toepassing van bestuursdwang, een einde te maken aan de overtreding. Wij zullen dan gebruik maken van onze wettelijke bevoegdheid om de gebroken asbesthoudende materialen, door een gecertificeerd bedrijf van het perceel en uit het bouwwerk te laten verwijderen.
Voordat wij hiertoe overgaan, heeft u uiteraard de mogelijkheid om zelf alsnog orde op zaken te stellen, door uiterlijk 10 december 2011 de op het perceel alsook in het bouwwerk aangetroffen asbesthoudende reststukken volledig te laten verwijderen door een bedrijf, dat gecertificeerd is volgens de norm SC-530. Voor de goede orde hebben wij een overzicht van een aantal bedrijven, als bijlage 3, hierbij gevoegd. Het verwijderen dient plaats te vinden volgens de norm SC 530 "Asbestverwijdering", waarbij "het Asbestinventarisatierapport Type A" met als projectnummer 111109.1, en uiteraard de bijlage 1 en 2 van deze brief, als basis genomen dient te worden.
5. Een schriftelijk bescheid, betreffende een brief van de Gemeente [plaats] dd 2 december 2011 gericht aan de [A] , map 14, p. 6405, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Bij brief van 24 november 2011 hebben wij u bericht, dat op 8 november 2011 geconstateerd is, dat op het, uw onderneming in eigendom toebehorende perceel, kadastraal bekend, gemeente [plaats] , sectie […] nummer [001] , plaatselijk bekend [a-straat] , (delen van) golfplaten verspreid liggen, waarvan op dat moment het vermoeden bestond, dat het om asbest ging. Naar alle waarschijnlijkheid zijn deze vrijgekomen bij sloopwerkzaamheden, die in afwijking van een verleende "WABO-sloopvergunning" zijn uitgevoerd
Voornemen opleggen last onder bestuursdwang
Wij hebben u er op gewezen, dat wij voornemens zijn, door toepassing van bestuursdwang, een einde te maken aan de overtreding, door gebruik te maken van onze wettelijke bevoegdheid om de gebroken asbesthoudende materialen, door een gecertificeerd bedrijf van het perceel en uit het bouwwerk te laten verwijderen.
Ook hebben wij u er op gewezen dat wij dan de hiermee gepaard gaande kosten, inclusief de voorbereidingskosten, op u en/of uw onderneming zullen verhalen.
Alvorens wij daartoe overgaan, heeft u de mogelijkheid gekregen om zelf alsnog orde op zaken te stellen, door uiterlijk 10 december 2011 de op het perceel alsook in het bouwwerk aangetroffen asbesthoudende reststukken volledig te laten verwijderen door een bedrijf, dat gecertificeerd is volgens de norm SC-530. Wij hebben u een overzicht van een aantal gecertificeerde bedrijven als ook de eisen, die bij de werkzaamheden in acht genomen moeten worden, eveneens bij brief van 24 november 2011 laten toekomen.
6. Een proces-verbaal van bevindingen, map 14, p. 6221, voorzover inhoudelijk, zakelijk weergegeven:
Op maandag 12 december 2011, omstreeks 14.30 uur, bevonden wij ons. [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , beiden in herkenbare uniform gekleed, op adres [a-straat] 1b en 1c te [plaats] van de gemeente [plaats] . Dit naar aanleiding van een intern verzoek om het voornoemd perceel als toezichthouder aan een controle te onderwerpen.
Ter plaatse hebben wij, [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , gesproken met een voor ons onbekende manspersoon, welke wij alvorens begroette en ons legitimeerden en hij zich hierna aan ons voorstelde als zijnde [verdachte] .
Ik, [verbalisant 4] , deelde [verdachte] mede dat op dit perceel recentelijk een asbestsloop had plaatsgevonden en dat hier een asbestbesmetting aanwezig was.
[verdachte] reageerde hierop en wij, [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , hoorden dat hij zei dat hij dit wist.
Ik, [verbalisant 4] , vroeg [verdachte] wat hij dan op het perceel aan het doen was.
[verdachte] deelde ons mede dat men geen erkend bedrijf had ingeschakeld om het perceel te saneren, hij had namelijk zelf geruimd, zowel binnen in als buiten het bouwwerk en voornamelijk alle zichtbare grote en kleinere reststukken asbestdelen.
Hij vertelde ons dat hij een speciale container had besteld op woensdag 7 december 2011 van bedrijf [K] uit [plaats] en deze aldaar had laten plaatsen en dat [K] op vrijdag 9 december ook weer deze container had opgehaald en afgevoerd.
[verdachte] zei dat hij een eigen bouwbedrijfje had en vaak genoeg asbest zelf te verwijderen.
[verdachte] zei dat hij in het bezit was van een speciale luchtmasker en kleding en was goed bekend en zich zeer goed bewust van de gevaren en blootstelling aan, met en door asbest. Tijdens een perceelcontrole op resten van asbestdelen zagen wij, [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , nog op diverse plaatsen onder andere op het dak aan de achterzijde van het bouwwerk en op bodem gebroken reststukken asbestdelen liggen.
Aan de andere zijde, op het terrasgedeelte zagen wij, [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , nog resten van de lichtstraat/golfplaten en daartussen nog reststukken gebroken asbest en een plastic zak met daarin eveneens gebroken reststukken van asbesthoudende materialen liggen.
Wij, [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , zagen dat op deze enkele aangetroffen reststukken alle andere aangetroffen asbestdelen op 8 november 2011 waren geruimd.
'Adres [a-straat] perceelnummers [a-straat 2] en [a-straat 1] te [plaats] is niet geruimd conform asbestwet en regelgeving. Locatie is namelijk nog steeds besmet.
7. Proces-verbaal van verhoor, map 14, p. 6635, voorzover inhoudende als verklaring van [verdachte] , zakelijk weergegeven:
V: Wanneer heeft u de loods gekocht ?
A: Door [A] Itld is de loods (hof: bedoeld is de loods gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] ) omstreeks 2008 of 2009 gekocht. Ik was toen de algemeen directeur en ik heb namens [A] Ltd. de loods gekocht.
V: Wat is er toen voor betaald?
A: Zover ik kan herinneren was dit ongeveer 115.000 euro.
V: Uit welk materiaal bestonden de dakplaten toen ?
A: Het dak bestond toen al uit golfplaten.
V: Waar bestond het dak uit.
A: Dit waren golfplaten. Ik ken wel 3 soorten golfplaten. Het waren oude golfplaten.
V: Is het dak vernieuwd nadat de Ltd. eigenaar was geworden.
A: Nee. Er lag wel een oude sloopvergunning. Deze was aangevraagd bij de gemeente [plaats] .
Ik heb zelf geen vergunning gezien van de gemeente [plaats] . Ik weet ook niet wie die aangevraagd heeft. Ik weet dus wel dat er een sloopvergunning is. Dit is aan [betrokkene 1] doorgegeven door de gemeente [plaats] .
V: Wat kunt u ons vertellen over de door de gemeente [plaats] afgegeven wabo(sloop)vergunning ten aanzien van het dak ?
A: Na 8 november 2011 is er een brief gekomen van de gemeente [plaats] . Deze brief was geadresseerd aan mijn dochter [betrokkene 1] . In die brief stond o.a. dat er asbest of platen van de plaats moesten worden verwijderd. Omdat de brief was blijven liggen werd het kort dag. Ik heb samen met mijn dochter verschillende bedrijven gebeld om dit te laten doen. Maar dat lukte niet.
Opmerking verbalisanten:
De verdachte [verdachte] werd het volgende medegedeeld:
Na de inval van de politie, op 8 november 2011, werd door de gemeente [plaats] , het besmette terrein afgezet en werd de eigenaar door de gemeente schriftelijk op de hoogte gesteld welke stappen in deze genomen dienden te worden.
Op 12 december 2011 werd door ambtenaren van de gemeente [plaats] gezien dat u op het afgezette bedrijfsterrein, gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] , opruimwerkzaamheden uitvoerde. U was de grote en kleine stukken asbesthoudende golf/dakplaten aan het opruimen. U werd vervolgens door de gemeenteambtenaren aangesproken."
V: Wat hebben de gemeenteambtenaren toen tegen u gezegd?
A: Ik werd daar toen aangesproken en ze moesten controleren of er nog asbest stukken lagen. Een man was in burger gekleed en de ander was gekleed in uniform. Ik kan wel zeggen dat ik voor 10 december 2012 enkele losliggende dakplaten, die dus al reeds van het dak waren, in een container heb opgeborgen.
Deze container heb ik laten komen door de firma [K] o.i.d. deze firma zit ergens in het zuiden. Ik weet niet waar exact. Dit was een speciale container om asbestplaten op te slaan.
V: Wanneer en op welke wijze heeft u voor de eerste keer kennis genomen van het feit dat door de gemeente [plaats] het bedrijfsterrein, gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] was afgezet?
A: Er is een brief van de gemeente [plaats] gekomen. Dat was ergens in de maand december 2012. Ik schat zelf ongeveer rond 6 december 2012. Mijn dochter [betrokkene 1] heeft mij die brief laten zien. Ze had in eerste instantie contact gehad met de gemeente maar er kon geen uitstel plaats vinden. Vervolgens hebben we veel bedrijven benaderd maar niemand kon meer voor het nieuwe jaar komen
V: Wat was daar aan de hand?
A: Ik kan me herinneren dat in de brief van de gemeente [plaats] werd gesteld dat voor 10 december 2012 - denk ik - het terrein moest zijn opgeruimd. Verder kan ik me niet veel herinneren over de inhoud van de brief.
V: Hoe was het bedrijfsterrein, gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] , na 8 november 2011 afgezet?
A: Ik heb daar enkel stukjes lint gezien. Ik heb daar geen groot lint gezien. Het spul moest daar weg. Ik bedoel daarmee de losliggende dakplaten.
V: Wist u dat op het terrein aan de [a-straat 1] te [plaats] asbesthoudende dakplaten lagen?
A: Ik heb in de brief van de gemeente [plaats] gelezen dat op het terrein platen en stukken golfplaten lagen die asbesthoudend waren.”
31. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich ten aanzien van dit feit gerefereerd aan het oordeel van het hof. Het hof heeft in het bestreden arrest geen nadere bewijsoverwegingen opgenomen ten aanzien van dit feit.
Een nadere omschrijving van het middel
32. In de toelichting betogen de stellers van het middel dat de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 04/850429-12 onder 3 ten laste gelegde feit onvoldoende met redenen is omkleed. Daartoe hebben de stellers van het middel aangevoerd dat het hof bewezen heeft verklaard dat de verdachte
opzettelijkhandelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft nagelaten, terwijl hij wist dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan, terwijl het hof het bewezen verklaarde heeft gekwalificeerd als “
Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1 van de Wet milieubeheer”. Volgens de stellers van het middel kan de kwalificatie niet worden beschouwd als een kennelijke of evidente misslag nu het hof ten aanzien van de strafoplegging slechts heeft aangegeven dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het handelen in strijd met de asbestregels. Ook uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan niet met voldoende mate van zekerheid volgen dat het hof heeft beoogd het opzettelijk handelen bewezen te verklaren. Tot slot hebben de stellers van het middel betoogd dat het hof bij de toepasselijke wettelijke voorschriften niet heeft aangegeven welke bepalingen uit de Wet op de economische delicten (hierna: WED) het hof toepasselijk heeft geacht.
Toepasselijke wettelijke bepalingen
33. Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:
Artikel 10 lid 1 Wet Pro Milieubeheer:
“Een ieder die handelingen met betrekking tot afvalstoffen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, is verplicht alle maatregelen te nemen of na te laten die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.”
Artikel 1 WED Pro:
“Economische delicten zijn:
1° overtredingen van voorschriften, gesteld bij of krachtens:
(…)
de Wet milieubeheer, artikel 1.2, eerste lid, — voor zover aangeduid als strafbare feiten —, en de artikelen (…) 10.1 (…)”
Artikel 2 lid 1 WED Pro:
“1. De economische delicten, bedoeld in artikel 1, onder 1° en 2°, en artikel 1a, onder 1° en 2°, zijn misdrijven, voor zover zij opzettelijk zijn begaan; voor zover deze economische delicten geen misdrijven zijn, zijn zij overtredingen.”
Artikel 6 lid 1 WED Pro:
“Hij, die een economisch delict begaat, wordt gestraft:
1° in geval van misdrijf, voor zover het betreft een economisch delict, bedoeld in artikel 1, onder 1°, of in artikel 1a, onder 1°, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, taakstraf of geldboete van de vijfde categorie;
(…)
4° in geval van een andere overtreding, met hechtenis van ten hoogste zes maanden, taakstraf of geldboete van de vierde categorie.”
De beoordeling van het tweede middel
34. Anders dan de stellers van het middel tot uitgangspunt lijken te nemen, is de kern van het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt niet dat de verdachte bij het opruimen van de asbest geen gebruik heeft gemaakt van een daartoe gekwalificeerd bedrijf. Blijkens de bewezenverklaring wordt de verdachte verweten dat hij (als bestuurder van [A] Ltd.) de asbesthoudende golfplaten en brokstukken daarvan, ontstaan door de sloop van het (asbesthoudende) dak van een loods aan de [a-straat] , niet (voldoende) heeft opgeruimd.
35. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verbalisanten op 8 november 2011 op het perceel [a-straat 1] te [plaats] behoorlijke hoeveelheden mogelijk asbesthoudende materialen zagen liggen. Tevens werd geconstateerd dat de voorzijde van het dak van de loods op dit perceel was voorzien van nieuwe dakdelen. Uit onderzoek is gebleken dat de aangetroffen golfplaten en stukken daarvan, asbest bevatten. Nadat de verdachte door de gemeente in de gelegenheid is gesteld orde op zaken te stellen door uiterlijk 10 december 2011 de op het perceel alsook in het bouwwerk aangetroffen asbesthoudende reststukken volledig te laten verwijderen, is op 12 december 2011 door verbalisanten tijdens een perceelcontrole geconstateerd dat nog op verschillende plaatsen, onder andere op het dak aan de achterzijde van het bouwwerk en op de bodem, gebroken reststukken asbestdelen lagen. Ook aan de achterzijde, op het terrasgedeelte, werden nog resten van golfplaten en daartussen nog reststukken gebroken asbest en een plastic zak met daarin eveneens gebroken reststukken van asbesthoudende materialen aangetroffen. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan dan ook worden afgeleid dat de verdachte de asbesthoudende golfplaten en brokstukken daarvan niet, althans niet voldoende, heeft opgeruimd.
36. Voorts kan uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat de verdachte ten overstaan van verbalisanten heeft verklaard dat hij geen erkend bedrijf had ingeschakeld om het perceel te saneren, dat hij zelf had geruimd, zowel binnen in als buiten het bouwwerk, en dat hij daarvoor een speciale container had besteld. Tevens heeft de verdachte verklaard dat hij een eigen bedrijfje had en vaak genoeg zelf asbest verwijderde, hij in het bezit was van een speciaal luchtmasker en kleding alsmede dat hij goed bekend was en zich zeer goed bewust was van de gevaren van asbest.
37. De inhoud van de bewijsmiddelen laten er mijns inziens dan ook geen misverstand over bestaan dat het hof bewezen heeft geacht dat de verdachte
opzettelijkhandelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft nagelaten, terwijl hij wist dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan. Steun voor die opvatting vind ik bovendien in de omstandigheid dat het hof blijkens de strafmotivering geen toepassing heeft gegeven aan artikel 62 Sr Pro en slechts één straf heeft opgelegd.
38. Gelet op hetgeen het hof bewezen heeft verklaard, de bewijsvoering en de strafmotivering, ga ik ervan uit dat de wijze waarop het hof het feit heeft gekwalificeerd berust op een kennelijke misslag, in die zin dat het hof abusievelijk is vergeten in de kwalificatie tot uitdrukking te brengen dat sprake is van opzettelijk handelen van de verdachte. De Hoge Raad kan om doelmatigheidsredenen de bestreden uitspraak voor wat betreft de kwalificatie van het in de zaak met parketnummer 04/850429-12 onder 3 bewezen verklaarde feit vernietigen en vervolgens de kwalificatie verbeteren, [11] in die zin dat het feit wordt gekwalificeerd als “
overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan”.
39. Het tweede middel faalt.

Het derde middel

40. Het derde middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
41. Namens de verdachte is op 23 september 2020 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 27 oktober 2021 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Dit zal moeten leiden tot strafvermindering.
42. Het derde middel is terecht voorgesteld.

Slotsom

43. Het eerste en tweede middel falen en kunnen met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan. Het derde middel slaagt.
44. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
45. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, maar uitsluitend ten aanzien van de kwalificatie van het in de zaak met parketnummer 04/850429-12 onder 3 bewezenverklaarde feit en de strafoplegging, dat de Hoge Raad de kwalificatie van feit 3 in de zaak met parketnummer 04/850429-12 zal verbeteren en de duur van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf zal verminderen, met verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie de aanvulling bewijsmiddelen d.d. 15 oktober 2021 bij het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 17 september 2020.
2.Mul en Van Rijn-Tonino in:
4.Th. van Veen, ‘Heling Herzien’
5.Vgl. ook F. Diepenmaat,
8.Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0787,
9.HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:236,
10.F. Diepenmaat,
11.Vgl. onder meer HR 5 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8772; HR 9 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1029, en HR 19 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1562.