Conclusie
Nummer20/02942
Inleiding
Medeplegen van gewoontewitwassen" en in de zaak met parketnummer 04/850429-12 wegens 3 “
Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1 van de Wet milieubeheer”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden met aftrek van voorarrest.
Het eerste middel
niet vaststaat, dit impliceert dat verdachte tevens moet worden vrijgesproken van het witwassen van de BMW X5.
De tweede deelklacht van het eerste middel
geenbevestiging heeft gevonden voor de verklaring van de verdachte over de herkomst van de gelden waarmee de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen zijn aangeschaft. Bovendien heeft het hof per getuige niet onbegrijpelijk uiteengezet waarom het van oordeel is dat de verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld in die verklaring geen steun vindt. In het licht van de overige feiten en omstandigheden zoals die blijken uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, acht ik het oordeel van het hof dat de verklaring van de verdachte hoogst onwaarschijnlijk is dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
De derde deelklacht van het eerste middel
Het tweede middel
opzettelijkhandelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft nagelaten, terwijl hij wist dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan, terwijl het hof het bewezen verklaarde heeft gekwalificeerd als “
Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1 van de Wet milieubeheer”. Volgens de stellers van het middel kan de kwalificatie niet worden beschouwd als een kennelijke of evidente misslag nu het hof ten aanzien van de strafoplegging slechts heeft aangegeven dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het handelen in strijd met de asbestregels. Ook uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan niet met voldoende mate van zekerheid volgen dat het hof heeft beoogd het opzettelijk handelen bewezen te verklaren. Tot slot hebben de stellers van het middel betoogd dat het hof bij de toepasselijke wettelijke voorschriften niet heeft aangegeven welke bepalingen uit de Wet op de economische delicten (hierna: WED) het hof toepasselijk heeft geacht.
opzettelijkhandelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft nagelaten, terwijl hij wist dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan. Steun voor die opvatting vind ik bovendien in de omstandigheid dat het hof blijkens de strafmotivering geen toepassing heeft gegeven aan artikel 62 Sr Pro en slechts één straf heeft opgelegd.
overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan”.