ECLI:NL:PHR:2022:1035
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling klachtvereiste bij belaging en betekenis wens tot vervolging binnen klachttermijn
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens belaging, waarbij het hof oordeelde dat aan het klachtvereiste was voldaan. De verdediging stelde dat het hof onjuist had geoordeeld omdat volgens hen alleen feiten binnen de klachttermijn van drie maanden mee mochten wegen bij het vaststellen van de wens tot vervolging. De Hoge Raad onderzocht deze rechtsvraag en concludeerde dat hoewel de wens tot vervolging binnen de klachttermijn moet bestaan, feiten en omstandigheden die zich ná deze termijn voordoen wel mogen worden betrokken bij de beoordeling, omdat deze een bevestiging vormen van de eerdere wens.
De zaak betrof belaging gepleegd in de periode mei 2016 tot maart 2017 tegen drie aangevers die allen binnen drie maanden aangifte deden, maar zonder uitdrukkelijk verzoek tot vervolging. Het hof concludeerde op basis van diverse omstandigheden, waaronder het indienen en handhaven van vorderingen, het gebruik van spreekrecht en aanvullende verklaringen, dat de wens tot vervolging wel degelijk bestond ten tijde van de aangifte. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep.
De conclusie benadrukt dat het klachtvereiste ertoe dient het persoonlijk belang van het slachtoffer te beschermen en dat de klacht binnen drie maanden moet worden ingediend. Echter, de beoordeling van de wens tot vervolging kan ook latere feiten betrekken die bevestigen dat die wens reeds bestond. Dit sluit aan bij eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het beroep en bevestigt de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het oordeel dat aan het klachtvereiste is voldaan blijft gehandhaafd.