Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
medeplegen van opzettelijk mondeling zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd, meermalen gepleegd” en 2. en 3. “
telkens: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk en met aftrek van voorarrest. Aan het voorwaardelijke strafdeel heeft het hof een proeftijd van drie jaar verbonden, alsmede bijzondere voorwaarden, te weten een contact- en locatieverbod.
eerste middelbehelst de klacht dat de strafoplegging in strijd is met (de ratio van) artikel 9 lid 4 Sr Pro.
welvan toepassing zijn geweest. Door de drie zaken wel gelijktijdig maar niet gevoegd te behandelen en op dezelfde dag in alle drie de strafzaken in zijn totaliteit – naast de taakstraf voor de duur van 240 uren – twaalf maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, getuigt de strafoplegging (in alle strafzaken) van een onjuiste rechtsopvatting.
In geval van veroordeling tot gevangenisstraf of tot hechtenis, vervangende hechtenis daaronder niet begrepen, waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel ten hoogste zes maanden bedraagt, kan de rechter tevens een taakstraf opleggen.”
Stb1995, 32, met ingang van 27 januari 1995 de bevoegdheid om bij veroordeling tot gevangenisstraf of hechtenis een geldboete op te leggen. De Wet taakstraffen van 7 september 2000,
Stb2000, 365, heeft de rechter daarnaast de (beperkte) mogelijkheid gegeven een taakstraf naast een gevangenisstraf of hechtenis, waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen deel niet meer dan zes maanden bedraagt, op te leggen. De wetgever wilde de rechter hiermee vooral de mogelijkheid geven om reeds ondergane voorlopige hechtenis te verdisconteren in de strafoplegging. Hierdoor kon het voorarrest in mindering worden gebracht op het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf, zonder dat daarna de ruimte verloren ging voor de oplegging van een taakstraf. [4]
tweede middelbehelst de klacht dat het hof bij de strafoplegging ten onrechte niet-tenlastegelegde feiten heeft betrokken. Ter toelichting wijst de steller van het middel op de volgende overweging van het hof:
Daarbij hebben de verdachten het feit kracht bij gezet door de getuigen verbaal te intimideren en bedreigen. De dreigementen waren bovendien niet alleen gericht tegen de getuigen zelf, maar ook tegen hun kleindochter.”
derde middelbehelst de klacht dat het hof niet, althans onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij aan het voorwaardelijke strafdeel bijzondere voorwaarden heeft verbonden.
NJ2015/432, op dat in het geval dit wel zo zou zijn en de rechter gehouden is in zijn motivering steeds minutieus en gedetailleerd tot uitdrukking te brengen op welke gronden de opgelegde maatregel berust, een wanverhouding zou ontstaan tussen de motiveringseisen van de vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 38v Sr en de eisen die worden gesteld aan de motivering van de vrijheidsbeperking in het kader van de bijzondere voorwaarden. [13]