Conclusie
1.Feiten en procesverloop
de gefailleerde) is, via een Nederlandse dochter, enig aandeelhoudster van de vennootschap naar Spaans recht Swets Information Services S.L. (hierna:
de Spaanse dochter [2] ).
de curator).
de werknemers) waren in dienst van de Spaanse dochter. Op 19 november 2014 is de Spaanse dochter in staat van faillissement verklaard. Aan de werknemers is vervolgens collectief ontslag verleend. Hun arbeidsrelaties zijn per 4 december 2014 geëindigd.
het Spaanse vonnis) is geen hoger beroep ingesteld.
Met betrekking tot het werknemerschap (petitum a):De werknemers dienen te worden aangemerkt als (gewezen) werknemers van de gefailleerde, omdat moet worden uitgegaan van de Spaanse juridische fictie van een pathologische groep (‘
grupo patológico’). Hierop baseerde de Spaanse rechter de veroordeling van de gefailleerde tot betaling van achterstallig loon en schadevergoeding aan verweerders in cassatie onder 1 tot en met 10. De juridische positie van verweerder in cassatie onder 11 is gelijk aan die van de overige werknemers.
Met betrekking tot de loonvordering (petitum b):Ingevolge art. 40 lid 2 Fw Pro dient achterstallig loon van ná de faillissementsdatum te worden aangemerkt als boedelschuld.
Met betrekking tot de schadevergoedingsvordering (petitum d):Ook de toegekende ontbindingsvergoedingen dienen te worden aangemerkt als loon in de zin van art. 40 lid 2 Fw Pro. [13] Deze vergoedingen vallen onder de omschrijving in rov. 3.7.3 van het arrest
[...] /Tideman q.q. [14] ; er is immers sprake van een onbevoegde opzegging door de curator, die leidt tot schadeplichtigheid. [15]
IVO) het Nederlandse insolventierecht bepalend voor de faillissementsrechtelijke kwalificatie van de vorderingen van de werknemers (rov. 4.2). Op grond van het Spaanse vonnis kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen de werknemers en de gefailleerde (rov. 4.3). Ook naar Nederlands recht kunnen de werknemers niet als voormalige werknemers van de gefailleerde worden aangemerkt. Zij hebben dan ook geen aanspraak op loon of premieschulden jegens de boedel op grond van art. 40 Fw Pro, en dus evenmin op enige ontbindingsvergoeding. Hun vorderingen kunnen hoogstens als concurrente vorderingen in het faillissement worden aangemerkt (rov. 4.4).
cost plus’ kantoor: een verkoopkantoor zonder eigen omzet. Alle contracten met Spaanse klanten stonden op naam van de gefailleerde en de betalingen werden aan haar verricht. Van de gefailleerde ontving de Spaanse dochter een vergoeding voor de door haar gemaakte kosten. Op basis van dat feitencomplex is in het Spaanse vonnis geoordeeld dat sprake is van een ‘
grupo patológico’. Dat is, blijkens een door de werknemers overgelegde ‘
legal opinion’, [22] een rechtsfiguur uit het Spaanse arbeidsrecht, die meebrengt dat andere tot de groep behorende vennootschappen ook als werkgever worden aangemerkt. Op grond van het Spaanse vonnis is dus zowel de Spaanse dochter als de gefailleerde als werkgever van de werknemers aan te merken. [23]
cost plus’ vestigingen, laat onverlet dat de zeggenschap over verweerders in cassatie onder 1 tot en met 10 uitsluitend berustte bij het lokale management van de Spaanse dochter. Nu tussen de werknemers en de gefailleerde geen arbeidsbetrekking heeft bestaan in communautaire zin, mist art. 10 IVO Pro toepassing. Ingevolge de hoofregel van art. 4 IVO Pro worden de rechtsgevolgen van het faillissement beheerst door het Nederlandse recht. Art. 40 Fw Pro, dat uitgaat van het bestaan van een arbeidsbetrekking, is niet van toepassing, zodat de vorderingen van de werknemers niet als boedelschulden gelden, maar (slechts) als concurrente vorderingen.
Lawrie-Blumvolgt dat als de essentialia van een arbeidsverhouding naar communautair recht worden beschouwd (i) het verrichten van arbeid, (ii) de loonbetaling en (iii) de ondergeschiktheid (rov. 3.6).
cost plus’ kantoor geen eigen inkomsten genoot, maar maandelijks een bedrag van de gefailleerde ontving, waaruit de salarissen van de werknemers en de overige kosten werden betaald.
lex causae’. Insolventieaangelegenheden die losstaan van de gevolgen van de opening van de insolventieprocedure voor arbeidsovereenkomsten, zoals de vraag of de loonvorderingen van de werknemers door een voorrecht worden beschermd en de eventuele rangorde van het voorrecht, worden ingevolge art. 4 IVO Pro beheerst door het Nederlandse insolventierecht, de ‘
lex concursus’ (rov. 3.8).
[...] /Tideman q.q., te weten ‘dat de curator wel bevoegd is tot opzegging van een overeenkomst, maar alleen tegen betaling van een schadevergoeding of schadeloosstelling in verband met die beëindiging’. Die situatie is door de Hoge Raad op één lijn gesteld met het geval dat de curator onbevoegd de overeenkomst opzegt, in welk geval de verplichting tot vergoeding van de daaruit voortvloeiende schade een boedelschuld is.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 2(randnummers 2.5 tot en met 2.9) formuleert – uitgaande van het werknemerschap – zelfstandige klachten tegen ’s hofs toepassing van art. 40 lid 2 Fw Pro op de
loonvordering(rov. 3.9).
Onderdeel 3(randnummers 2.10 tot en met 2.11) bestrijdt de kwalificatie van de
schadevergoedingsvorderingals boedelschuld (rov. 3.11).
IVO) voorziet, ter bevordering van een efficiënte en doeltreffende afwikkeling van insolventieprocedures met grensoverschrijdende gevolgen, in voorschriften betreffende rechterlijke bevoegdheid, erkenning en toepasselijk recht. Door middel van voorschriften betreffende het toepasselijk recht houdt de verordening rekening met specifiek belangrijke rechten en rechtsverhoudingen (zoals zakelijke rechten en arbeidsverhoudingen) van de lidstaten. [28]
lex concursus’ genoemd. [29] Art. 4 lid 2 IVO Pro bevat een niet-limitatieve lijst van onderwerpen die ‘met name’ door de
lex concursusworden beheerst. Het gaat, voor zover hier van belang, onder meer om ‘regels betreffende de verdeling van de opbrengst’ en ‘de rangindeling van de vorderingen’ (onder i).
lex causae’ genoemd (ook wel ‘
lex contractus’ of ‘
lex laboris’). Blijkens de considerans strekt deze uitzondering ter ‘bescherming van de werknemers en de arbeidsverhoudingen’ en bestrijkt zij meer in het bijzonder ‘de gevolgen van de insolventieprocedure voor de voortzetting of de beëindiging van het dienstverband en de rechten en verplichtingen van elk van beide partijen uit hoofde van dat dienstverband’.
Anderevragen met betrekking tot insolventie in een arbeidsrechtelijke context, zoals ‘de vraag of de vorderingen van werknemers door een voorrecht beschermd zijn, en welke rang dit voorrecht eventueel moet krijgen’, worden – conform de hoofdregel van art. 4 lid 1 IVO Pro – beheerst door de
lex concursus, aldus nog steeds de considerans. [30]
lex causaedie ingevolge art. 10 IVO Pro de arbeidsrechtelijke gevolgen van de insolventieprocedure beheerst, ook het
insolventierechtvan de betrokken lidstaat is te begrijpen. [31] Voor het Nederlandse recht valt te denken aan art. 40 lid 1 Fw Pro, dat voorziet in de beëindiging van arbeidsovereenkomsten door de faillissementscurator. [32] Onder insolventiekwesties die ‘losstaan’ van de arbeidsrechtelijke gevolgen, en die daarom worden beheerst door de
lex concursus, verstaat het ontwerprapport onder meer ‘de vraag of loonvorderingen van werknemers door een voorrecht beschermd worden, de omvang van het beschermde bedrag, de eventuele rangorde van het voorrecht, enz.’ [33] In de vakliteratuur wordt een en ander aldus verwoord, dat ‘typisch arbeidsrechtelijke’ kwesties, zoals de opzeggingsbevoegdheid [34] en de opzegtermijn, door de
lex causaeworden beheerst, terwijl ‘typisch insolventierechtelijke’ kwesties, zoals voorrechten en de rangorde daarvan, onder de
lex concursusvallen. [35] Een en ander heeft het hof (terecht en onbestreden in cassatie) tot uitgangspunt genomen in rov. 3.8 van het bestreden arrest.
employment contracts and relationships’) moet worden verstaan. Ook de considerans en het al genoemde ontwerprapport bieden hierover geen uitsluitsel. Wel vermeldt het ontwerprapport dat de rechtsbegrippen uit de verordening, behalve waar de verordening uitdrukkelijk verwijst naar het recht van de lidstaten,
autonoom en uniformmoeten worden uitgelegd, rekening houdend met de doelstellingen en het systeem van de verordening, de specifieke functie van die rechtsbegrippen binnen dat systeem en de algemene beginselen die zijn af te leiden uit alle nationale rechtsstelsels van de lidstaten. [36] Een en ander is in lijn met de algemene beginselen van uitleg van Unierecht die het Hof van Justitie, ook in de context van de Insolventieverordening, hanteert. [37] Tegen deze achtergrond wordt in de literatuur betoogd dat, met het oog op de vaststelling van het toepasselijke recht op grond van art. 10 IVO Pro, een voorvraag (‘
preliminary question’) moet worden beantwoord, te weten of naar communautair recht sprake is van een arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking. [38] Ook dit heeft het hof met juistheid (en in zoverre onbestreden in cassatie) vooropgesteld (rov. 3.6).
andere, eveneens autonoom uit te leggen Europese regelgeving, die eveneens strekt ter bescherming van werknemers. [41] In deze ‘vaste rechtspraak’, die is begonnen met het meergenoemde arrest
Lawrie-Blum, is geoordeeld dat bij de uitleg van het begrip ‘werknemer’ [42] moet worden uitgegaan van ‘objectieve criteria’ die volgens het Hof van Justitie kenmerkend zijn voor de ‘arbeidsverhouding’ (
‘employment relationship’). Het hoofdkenmerk van dit laatste begrip – dat dus tevens bepalend is voor het aannemen van werknemerschap in communautaire zin [43] – is ‘dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een vergoeding ontvangt’. In verband met het al genoemde beginsel van autonome uitleg mag het rechtskarakter van een arbeidsverhouding naar
nationaalrecht volgens het Hof geen gevolgen hebben voor de hoedanigheid van werknemer in communautaire zin. [44]
gezagover de werknemer. Er moet, in de woorden van het Hof van Justitie, sprake zijn van een ‘ondergeschiktheidsband’. Hiervoor is met name van belang of de werkgever bevoegd is de werknemer instructies te geven, bijvoorbeeld met betrekking tot het tijdschema, de plaats en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden, en toe te zien op de naleving daarvan. Het bestaan van een ondergeschiktheidsband moet volgens het Hof van geval tot geval aan de hand van de feitelijke omstandigheden worden beoordeeld. [45] Het ontbreken van een formele arbeidsovereenkomst sluit niet uit dat sprake is van een arbeidsverhouding in communautaire zin. Anderzijds is de enkele mogelijkheid om in algemene zin invloed uit te oefenen op de werkzaamheden van een functionaris, zoals in de verhouding tussen aandeelhouders en bestuurders van een vennootschap, onvoldoende voor het aannemen van ondergeschiktheid. [46]
werknemer: om het werknemerschap te definiëren, is het begrip ‘arbeidsverhouding’ gebruikt. Nu het begrip ‘arbeidsverhouding’ een meerzijdig karakter heeft, is de definitie daarvan logischerwijze ook van belang voor de aanwijzing van de betrokken
werkgever. Inmiddels is ook daarover de nodige rechtspraak beschikbaar. In lijn met de zojuist besproken rechtspraak over de ondergeschiktheidsband geeft het Hof van Justitie een overwegend
feitelijke invullingaan het werkgeverschap. De communautaire werkgever kan (ook) een ander dan de contractuele werkgever zijn. [47] Het Hof zoekt hiervoor aansluiting bij de economische realiteit. [48] Illustratief is een recent arrest over de problematiek van internationale vrachtwagenchauffeurs die formeel in dienst waren van een Cypriotische werkgever, maar feitelijk werkten voor Nederlandse vervoersbedrijven. Het Hof achtte in dit verband het contractuele werkgeverschap (relevant maar) niet doorslaggevend. Volgens het Hof is beslissend wie ‘het feitelijke gezag over de werknemer uitoefent, feitelijk de overeenkomstige loonkosten draagt en feitelijk bevoegd is om die werknemer te ontslaan’. Als uit andere factoren dan de contractdocumenten blijkt dat de situatie van een werknemer ‘feitelijk verschilt’ van de in die documenten beschreven situatie, moet de arbeidsverhouding volgens het Hof worden gebaseerd op de ‘werkelijke situatie van de werknemer’. [49]
cost plus’ constructie. Het hof is – in navolging van de Spaanse rechter, naar wiens vonnis het hof in rov. 3.7 ten overvloede (‘daarnaast’) verwijst – van oordeel dat met deze constructie ‘in wezen’ het loon van de werknemers door de gefailleerde werd betaald en de aansturing van de werknemers door de gefailleerde plaatsvond.
ondergeschiktheidsrelatietussen de werknemers en de gefailleerde (
randnummer 2.3). In verband hiermee zou ook ’s hofs voortbouwende oordeel in rov. 3.9, dat het achterstallig loon vanaf de faillissementsdatum ingevolge art. 40 lid 2 Fw Pro als boedelschuld heeft te gelden, niet in stand kunnen blijven (
randnummer 2.4).
onderdeel 1tevergeefs voorgesteld. Volledigheidshalve merk ik nog op dat het hof in het dictum van zijn arrest – conform het petitum onder a – voor recht heeft verklaard dat de werknemers ‘als gevolg van het Spaanse vonnis’ zijn aan te merken als gewezen werknemers van de gefailleerde. Deze formulering moet mijns inziens worden begrepen in het licht van de daaraan ten grondslag liggende overwegingen in rov. 3.7. Daaruit blijkt dat niet zozeer het Spaanse vonnis, als wel de in dit geding vastgestelde
feiten(zoals ondersteund door de feitenvaststelling in het Spaanse vonnis) tot het oordeel leiden dat sprake is van een arbeidsverhouding naar communautair recht.
belangenafweging, namelijk een afweging van enerzijds het belang van de betrokken werknemers (bij doorbetaling van hun loon) en anderzijds dat van de betrokken faillissementscrediteuren (bij een zo hoog mogelijke faillissementsopbrengst). [54] Deze belangenafweging heeft de wetgever in abstracto gemaakt: voor een concrete beoordeling wiens belang onder de gegeven omstandigheden het zwaarst weegt, biedt de wettekst geen ruimte. [55] In de vakliteratuur is wel gepleit voor een meer genuanceerde regeling, die ruimte biedt om rekening te houden met de mate waarin de boedel daadwerkelijk profiteert van de diensten van de betrokken werknemers (mede nu naar huidig recht de loonvordering al wordt gedekt door een garantiefonds). [56] Naar geldend recht is dat geen relevant gezichtspunt.
exclusiefin die zin, dat werknemers voor zichzelf geen sterkere verhaalspositie kunnen bedingen dan art. 40 Fw Pro toelaat. Bedingen die een partij, in geval van een faillissement van haar wederpartij, aanspraak geven op schadevergoeding of een boete, kunnen volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad niet jegens de boedel worden ingeroepen, [57] indien daarmee een ‘onaanvaardbare inbreuk’ wordt gemaakt op de bepalingen of het stelsel van de Faillissementswet. [58] Illustratief is het arrest
Papierfabrieken Van Gelder, waarin de Hoge Raad oordeelde dat de aan art. 40 Fw Pro ten grondslag liggende belangenafweging niet kan worden doorbroken door een vóór de faillietverklaring met de gefailleerde gesloten overeenkomst (in dit geval een sociaal plan), die ertoe strekt om aan werknemers een bij voorbaat vastgestelde ontslagvergoeding toe te kennen in geval van beëindiging van hun arbeidsovereenkomsten wegens faillissement van de werkgever. [59]
uitputtendin die zin, dat een opzegging overeenkomstig deze regel als een ‘regelmatige wijze van beëindiging’ wordt beschouwd, die ‘geen schadeplichtigheid’ doet ontstaan. [60] Dit laat onverlet dat de gefailleerde op grond van een vóór het faillissement overeengekomen insolventieclausule, inhoudend dat de overeenkomst in geval van faillissement van rechtswege wordt
ontbonden, wel schadeplichtig kan zijn. De desbetreffende schadevordering kan ter verificatie worden ingediend. Volgens de Hoge Raad wordt dáármee de aan art. 39 en Pro 40 Fw ten grondslag liggende belangenafweging niet onaanvaardbaar doorkruist. [61] Ook een vordering die strekt tot vergoeding van schade ten gevolge van een
onbevoegdeopzegging door de curator (dus anders dan overeenkomstig het eerste lid) is niet in strijd met het gesloten stelsel van art. 39 en Pro 40 Fw. Een dergelijke vordering resulteert in een boedelschuld. [62]
lex causaeworden beheerst (alinea 2.4). De atypische situatie doet zich voor dat de verhaalsregeling van art. 40 lid 2 Fw Pro ‘geïsoleerd’ moet worden toegepast, los van de opzeggingsregeling van art. 40 lid 1 Fw Pro, waarmee zij inhoudelijk verweven is. Deze atypische situatie is inherent aan het stelsel van art. 4 en Pro 10 IVO. [65] Ook in de vakliteratuur is gesignaleerd dat dit stelsel ertoe kan leiden dat buitenlandse werknemers ‘van twee walletjes’ eten, bijvoorbeeld doordat zij enerzijds profiteren van een langere opzegtermijn op grond van de
lex causaeen anderzijds van een gunstiger verhaalspositie op grond van de
lex concursus. [66]
functionally interchangeable’) zijn met de door het nationale voorrecht beschermde vorderingen. [70] Volgens die benadering kan in dit geval art. 40 lid 2 Fw Pro analoog worden toegepast op de door het Spaanse recht beheerste vorderingen van de werknemers, ook al heeft de opzegging van hun arbeidsovereenkomsten niet plaatsgevonden op grond van art. 40 lid 1 Fw Pro. [71] Met deze benadering is ook de door art. 10 IVO Pro beoogde bescherming van werknemers gediend, en meer in het algemeen een gelijke behandeling van Unieburgers en hun vorderingen in grensoverschrijdende insolventies. [72]
randnummer 2.6). Aan deze voorwaarden zou in dit geval niet zijn voldaan, althans in elk geval niet voordat de Spaanse dochter op 19 november 2014 in staat van faillissement werd verklaard (
randnummer 2.7).
omvangvan de boedelschuld, namelijk tot het bedrag van de loonvordering over de periode vanaf de faillietverklaring van de Spaanse dochter. Het hof heeft dienaangaande in rov. 3.9 overwogen dat de hoogte van de werknemersvorderingen reeds door de Spaanse rechter is vastgesteld en niet ter beoordeling van de Nederlandse rechter is. De curator acht deze overweging onbegrijpelijk, nu zijn bezwaren geen betrekking hadden op de hoogte van de vorderingen (naar Spaans recht), maar op de omvang van het gedeelte van die vorderingen dat (naar Nederlands recht) als
boedelschuldkon worden aangemerkt (
randnummer 2.8). Over dat laatste is in het Spaanse vonnis niets vastgesteld (
randnummer 2.9).
lex causae), in dit geding niet ter discussie kan staan. De kwalificatie van die vorderingen als boedelschuld op grond van het Nederlandse insolventierecht (de toepasselijke
lex concursus) ligt wel ter beoordeling voor, evenals de omvang van het beschermde bedrag, [74] maar die kwalificatie vloeit voort uit art. 40 lid 2 Fw Pro. Weliswaar brengt die kwalificatie in dit geval mee dat de boedelschuld zich uitstrekt over een langere periode dan (bij toepassing van art. 40 lid 1 Fw Pro) gebruikelijk is (vgl. alinea 2.19), maar dat is inherent aan het stelsel van art. 10 IVO Pro (vgl. alinea 2.20). [75] De bestreden overwegingen van het hof zijn in dit licht niet onbegrijpelijk.
onderdeel 2faalt.
buitenwettelijke– heeft van oudsher discussie bestaan. In het arrest
[...] /Tideman q.q.uit 2013 heeft de Hoge Raad hiervoor een drieledige maatstaf geformuleerd, waarmee afstand werd genomen van het voordien in de rechtspraak gehanteerde ‘toedoencriterium’. Volgens deze maatstaf zijn boedelschulden slechts die schulden die een onmiddellijke aanspraak geven jegens de faillissementsboedel hetzij (i) ingevolge de wet, hetzij (ii) omdat zij door de curator in zijn hoedanigheid zijn aangegaan, hetzij (iii) omdat zij een gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting. [78]
[...] /Tideman q.q.twee voorbeelden gegeven. [79] Het eerste voorbeeld betrof de op de curator rustende
ontruimingsverplichtingna beëindiging van een huurovereenkomst op grond van art. 39 Fw Pro. Deze verplichting rust op de curator in zijn hoedanigheid en levert daarom volgens de Hoge Raad een boedelschuld op (rov. 3.8). Het tweede voorbeeld betrof een bredere categorie van gevallen, namelijk gevallen van
onbevoegde opzegging van overeenkomstendoor de curator. Dienaangaande overwoog de Hoge Raad in rov. 3.7.3 van het arrest
[...] /Tideman q.q.:
passief karakterheeft. [83] Afgezien daarvan zou een schadeplichtige opzegging ook aan de orde kunnen zijn als de curator bijvoorbeeld de in art. 40 lid 1 Fw Pro omschreven opzegtermijn niet in acht neemt. [84] Overigens is de kritiek op de geciteerde overweging, ook na deze verduidelijking, niet verstomd. [85]
[...] /Tideman q.q.geformuleerde regel onjuist zijn. Het middel bouwt hiermee voort op de daartegen gerichte kritiek die ik zojuist besprak. [86] Ten tweede zou het hof hebben miskend dat die regel slechts betrekking heeft op het geval dat de
curatorde overeenkomst opzegt. Althans zou zonder nadere motivering niet in te zien zijn dat de opzegging van de Spaanse arbeidsovereenkomsten, waaraan de curator naar eigen zeggen ‘part noch deel’ had, [87] op één lijn kan worden gesteld met een opzegging door de curator. Ten derde zou het bestreden oordeel strijdig zijn met de aan art. 40 Fw Pro ten grondslag liggende belangenafweging, die niet kan worden doorbroken door middel van een voor faillissement overeengekomen ontslagvergoeding, aldus het middel onder verwijzing naar het in alinea 2.17 besproken arrest
Papierfabrieken Van Gelder(
randnummer 2.11).
[...] /Tideman q.q.is – wat er verder zij van de daartegen gerichte kritiek – niet van belang voor de kwalificatie van
wettelijkeboedelschulden, zoals in dit geval een boedelschuld op grond van art. 40 lid 2 Fw Pro. [88] Het gevalstype van een onbevoegde opzegging door de curator kan niet worden aangegrepen als grondslag voor de aanvaarding van een op de curator in zijn hoedanigheid rustende schadeplichtigheid ter zake van een opzegging die op art. 40 lid 1 Fw Pro is gegrond (of een daarmee gelijk te stellen opzegging op grond van de toepasselijke
lex causae [89] ). Een dergelijke opzegging geldt immers volgens de Hoge Raad als een regelmatige beëindiging, die níet tot schadevergoeding verplicht (alinea 2.18). Het hof heeft zijn oordeel in rov. 3.11 dus ten onrechte gebaseerd op rov. 3.7.3 van het arrest
[...] /Tideman q.q., in plaats van op het gesloten stelsel van art. 40 Fw Pro. [90]
onderdeel 3gegrond. Na verwijzing zal alsnog moeten worden beoordeeld of (respectievelijk in hoeverre) de in het Spaanse vonnis toegekende schadevergoedingen onder het loonbegrip van art. 40 lid 2 Fw Pro vallen, [91] althans ‘functioneel uitwisselbaar’ zijn met dat loonbegrip. [92] Indien en voor zover dat het geval is, hebben zij als boedelschulden krachtens wetsduiding te gelden. Indien en voor zover dat niet het geval is, kunnen de schadevergoedingsvorderingen slechts ter verificatie worden ingediend. [93] Van een
onbevoegdeopzegging van de Spaanse arbeidsovereenkomsten (door of namens de curator) is immers niet gebleken. [94]