In deze zaak gaat het om het beklag van een vrouw tegen het conservatoir beslag op een geldbedrag en drie personenauto’s, gelegd onder haar echtgenoot in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar witwassen en fraude. De rechtbank Limburg verklaarde het klaagschrift ongegrond, omdat niet buiten redelijke twijfel was aangetoond dat de vrouw eigenaar was van de auto’s en het geld.
De vrouw stelde dat de kentekens van de auto’s op haar naam stonden, wat een bezitsvermoeden en indicatie voor eigendom zou vormen. De rechtbank oordeelde echter dat tenaamstelling in het kentekenregister niet doorslaggevend is en dat de vrouw onvoldoende had onderbouwd dat zij eigenaar was, mede omdat zij jarenlang niet eerder om teruggave had verzocht. Ook het geldbedrag in de gezamenlijke woning werd niet aan haar toegerekend.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat het oordeel van de rechtbank over de auto’s ontoereikend en niet begrijpelijk gemotiveerd was, omdat de tenaamstelling wel degelijk een indicatie voor eigendom vormt en geen andere omstandigheden dat tegenspreken. Daarom werd vernietiging en terugwijzing ten aanzien van de auto’s voorgesteld. Het oordeel over het geldbedrag bleef gehandhaafd vanwege onvoldoende bewijs van eigendom.
De Hoge Raad volgt deze conclusie en vernietigt het oordeel over de auto’s gedeeltelijk, wijst terug voor herbeoordeling, en verwerpt het cassatieberoep voor het overige.