Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
3.Het geding in cassatie
4.Wetgeving, parlementaire geschiedenis, jurisprudentie en literatuur
Wetgeving
V-N: [13]
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak staat centraal hoe de woondelenvrijstelling van artikel 220e van de Gemeentewet moet worden toegepast bij de vaststelling van de heffingsmaatstaf voor de onroerendezaakbelasting gebruiker niet-woning (OZBG).
Belanghebbende is mede-eigenaar en gebruiker van een intensieve varkenshouderij met een vrijstaande woning op hetzelfde perceel. De WOZ-waarde van de onroerende zaak is vastgesteld op €531.000, waarvan woningdelen en niet-woningdelen respectievelijk €309.000 en €222.000 waard zijn. De aanslag OZBG werd berekend op basis van een heffingsmaatstaf van €224.000.
In beroep en hoger beroep werd betwist of de waarde van de woondelen correct was vastgesteld. Het Hof stelde de waarde van de woondelen hoger vast (€324.000) op basis van een taxatierapport van de heffingsambtenaar en verlaagde de heffingsmaatstaf voor de OZBG dienovereenkomstig tot €207.000. Het bestuur kwam in cassatie tegen deze methode, stellende dat het Hof onterecht de waarde van de woondelen uit een taxatierapport gebruikte in plaats van de vastgestelde WOZ-waarde.
De Advocaat-Generaal concludeert dat de WOZ-waarde en de waardering van de woondelen los van elkaar staan en dat het Hof terecht de waarde van de woondelen heeft vastgesteld aan de hand van het taxatierapport. De cassatieklacht van het bestuur wordt verworpen omdat het Hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd. De heffingsmaatstaf voor de OZBG moet worden vastgesteld door de waarde van de woondelen in mindering te brengen op de vastgestelde WOZ-waarde, waarbij de waardering van de woondelen aan het Hof is voorbehouden.
Uitkomst: De beroepen in cassatie van het bestuur worden ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd.