ECLI:NL:PHR:2021:715
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling advocaat voor valsheid in geschrift ondanks onzorgvuldige omgang met geheimhouderstukken
De verdachte, een advocaat, werd door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven weken voor valsheid in geschrift. De zaak betrof valselijk opgemaakte documenten die in een fiscale procedure waren gebruikt. De verdediging voerde onder meer aan dat het Openbaar Ministerie onrechtmatig had gehandeld met betrekking tot geheimhouderstukken, waardoor het OM niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden of strafvermindering moest volgen.
De verdediging stelde dat het OM en de FIOD ernstig onzorgvuldig en onrechtmatig waren omgegaan met vertrouwelijke advocatendossiers, waaronder het onjuist teruggeven van stukken aan een medeverdachte. Dit zou het beroepsgeheim en het verschoningsrecht van advocaten schenden, wat volgens de verdediging het strafproces in de kern zou raken (Karman-criterium) en/of een ernstige inbreuk op de procesorde zou vormen (Zwolsman-criterium).
Het hof oordeelde echter dat hoewel de omgang met de geheimhouderstukken slordig was, er geen sprake was van opzettelijk of doelbewust handelen dat de belangen van de verdachte ernstig had geschaad. De wettelijke procedures waren in hoofdzaak gevolgd en de schendingen waren niet van dien aard dat niet-ontvankelijkheid gerechtvaardigd was. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp de klachten over onvoldoende motivering.
De bewezenverklaring betrof valselijk opgemaakte documenten over een vordering in een faillissement, waarbij het hof aannam dat de verdachte onwaarheden had verspreid. De Hoge Raad verwierp ook de klachten over de bewijsvoering en de strafoplegging. De straf werd gematigd tot zeven weken gevangenisstraf vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van de advocaat tot zeven weken gevangenisstraf.