ECLI:NL:HR:2004:AO5030
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt kwalificatie valsheid in geschrift bij vals opgemaakte verblijfsvergunningaanvraag
In deze zaak stond de vraag centraal of het onder bewijsmiddelen bewezenverklaarde feit van het 'doen opnemen' van onjuiste nationaliteitsgegevens in een aanvraag voor een verblijfsvergunning kwalificeert als het doen plegen van valsheid in geschrift. Het hof had vastgesteld dat verdachte op 14 mei 1996 te Rijsbergen valselijk had verklaard de Iraakse nationaliteit te bezitten in een aanvraag die bestemd was als bewijsstuk.
De verdediging stelde dat het bewezenverklaarde feit slechts een feitelijke handeling beschreef en niet het doen plegen van valsheid in geschrift inhield. De Hoge Raad oordeelde echter dat het hof de woorden 'doen opnemen' juist had geïnterpreteerd als een beschrijving van de wijze waarop de valsheid in geschrift was gepleegd, conform eerdere jurisprudentie.
Het hof had verdachte veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, inclusief verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer. De Hoge Raad vond geen reden om het arrest te vernietigen en verwierp het cassatieberoep. Hiermee bleef de veroordeling voor valsheid in geschrift in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bekrachtigde de veroordeling voor valsheid in geschrift.