Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
10 maart 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van een bestuurder van een failliete rechtspersoon die werd veroordeeld voor het niet voldoen aan administratieve verplichtingen ex art. 2:10 lid 1 BW Pro, feitelijke leiding geven aan bedrieglijke bankbreuk en valsheid in geschrift. Het hof Den Haag had de verdachte veroordeeld op basis van bewijs dat hij als bestuurder niet voldeed aan zijn administratieve verplichtingen en dat hij feitelijk leiding gaf aan de bedrieglijke bankbreuk.
De verdediging stelde cassatiemiddelen voor, waaronder bewijsvragen over de feitelijke leiding en de vraag of het bewezen verklaren van valsheid in geschrift ook het doen plegen daarvan inhoudt. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte niet leiden tot vernietiging van het arrest en dat het niet nodig was om de motivering te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen, waarmee het arrest van het hof werd bekrachtigd.
De uitspraak bevestigt de toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro en de strafrechtelijke beoordeling van feitelijke leiding aan bedrieglijke bankbreuk en valsheid in geschrift. De Hoge Raad sprak het arrest uit in aanwezigheid van de vice-president en raadsheren, en de waarnemend griffier.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.