ECLI:NL:HR:2020:399

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 maart 2020
Publicatiedatum
9 maart 2020
Zaaknummer
18/01398
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:10 BWArt. 342 Sr (oud)Art. 51 SrArt. 341.1 Sr (oud)Art. 225 Sr
Verwijzingen
8 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel hof over feitelijke leiding bedrieglijke bankbreuk en valsheid in geschrift

De zaak betreft het cassatieberoep van een bestuurder van een failliete rechtspersoon die werd veroordeeld voor het niet voldoen aan administratieve verplichtingen ex art. 2:10 lid 1 BW Pro, feitelijke leiding geven aan bedrieglijke bankbreuk en valsheid in geschrift. Het hof Den Haag had de verdachte veroordeeld op basis van bewijs dat hij als bestuurder niet voldeed aan zijn administratieve verplichtingen en dat hij feitelijk leiding gaf aan de bedrieglijke bankbreuk.

De verdediging stelde cassatiemiddelen voor, waaronder bewijsvragen over de feitelijke leiding en de vraag of het bewezen verklaren van valsheid in geschrift ook het doen plegen daarvan inhoudt. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte niet leiden tot vernietiging van het arrest en dat het niet nodig was om de motivering te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen, waarmee het arrest van het hof werd bekrachtigd.

De uitspraak bevestigt de toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro en de strafrechtelijke beoordeling van feitelijke leiding aan bedrieglijke bankbreuk en valsheid in geschrift. De Hoge Raad sprak het arrest uit in aanwezigheid van de vice-president en raadsheren, en de waarnemend griffier.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/01398
Datum10 maart 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 13 maart 2018, nummer 22/002093-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C. Grijsen, advocaat te Almere, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 maart 2020.