Conclusie
BFK: heeft) verworven en voorhanden gehad en van voornoemde geldbedragen de werkelijke aard en herkomst verhuld, terwijl zij en haar mededader telkens wisten, dat bovenomschreven geldbedragen — onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.
BFK: ik begrijp 2004) te Westzaan en/of Zaandijk en/of Assendelft en/of Krommenie, gemeente Zaanstad en/of Zaandam en/of Amersfoort en/of Amsterdam en/of Hoevelaken, althans in Nederland, meermalen, tezamen en in vereniging met één persoon telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse werkgeversverklaringen en loonstroken en hypotheekaanvraagformulieren en (getekende) acceptatieverklaringen, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die geschriften telkens echt en onvervalst,
en
en
Ten aanzien van feiten 1, 2 en 3
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
f. 6.720
[betrokkene 1] . Geboortedatum : [geboortedatum] 1963
mededeling van verbalisant:
[betrokkene 4]:
[betrokkene 2]:
1. Gegevens geldverstrekker
2. Gegevens bemiddelaar
3. Gegevens aanvrager4. Gegevens partner
6. Gegevensoverzicht
7. Gegevens onderpand
mededeling van verbalisant:
Op te vragen documenten)vertoont een overzicht/checklist van documenten die van belang zijn bij het tot stand komen van de hypotheekovereenkomst.
€ 3.360
[betrokkene 1]:
mededeling van verbalisant:
mededeling van verbalisant:
[betrokkene 11]:
[betrokkene 12]:
[betrokkene 12]:
mededeling van verbalisant:
€ 750,00kasstorting huur [betrokkene 18] [a-straat] 2005
€ 1.250,00uw kasstorting bij kantoor [q-straat 1] [plaats]
[s-straat 1] [plaats] .
[s-straat 1] [plaats] .
[s-straat 1] [plaats] .
[s-straat 1] [plaats] .
€ 1.800,00landhuur 103501274 tnv [betrokkene 17]
[s-straat 1] [plaats] .
[betrokkene 16]:
[betrokkene 20]:
Feiten 2 en 3 Valsheid in geschrift en oplichting
Bespreking van de middelen
eerstemiddel behelst de klacht dat ‘de bewijsvoering niet redengevend is voor de bewezenverklaring’ van het medeplegen van witwassen, het medeplegen van oplichting en/of het medeplegen van gebruik maken van een vals geschrift en/of dat die bewezenverklaring onvoldoende is gemotiveerd waarbij het hof heeft verzuimd de bijzondere redenen op te geven waarom het is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. De steller van het middel klaagt daarbij in de eerste plaats dat het hof ontoereikend heeft gerespondeerd op een (uitdrukkelijk onderbouwd) standpunt betreffende de afwezigheid van opzet bij de verdachte.
(…)
Cliënte was niet op de hoogte van de vermeende valsheid (die dus wordt betwist!) van de werkgeversverklaringen of inkomensspecificaties. Zij was bij alle tenlastegelegde feiten niet actief betrokken.
tweedemiddel bevat (eveneens) de klacht dat ‘de bewijsvoering onvoldoende redengevend is’ voor de bewezenverklaring van het medeplegen van oplichting en het medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift voor zover dit betrekking heeft op [c-straat 1] en daarmee ook voor het medeplegen van het witwassen van ‘die woning en de uit de verhuur daarvan verkregen huuropbrengsten’. De steller van het middel voert daarbij aan dat de bewijsmiddelen 7, 10 en 11 ‘bezwaarlijk als redengevend voor het niet bestaan hebben’ van het door de verdachte en medeverdachte [betrokkene 1] op de formulieren opgegeven dienstverband en inkomen kunnen gelden. Wat het opgegeven inkomen en/of vast dienstverband van de verdachte betreft zou het enkele feit dat in bewijsmiddel 7 geen melding wordt gemaakt van de storting van een salaris van de verdachte op de bij de doorzoeking aangetroffen bankafschriften daarvoor niet toereikend zijn. Daarbij vestigt de steller van het middel er de aandacht op ‘dat deze feiten kennelijk pas tien jaar nadat zij zouden zijn gepleegd worden onderzocht’.
derdemiddel bevat de klacht dat het bestreden arrest ten onrechte geen beslissing inhoudt inzake het beslag op de door de verdachte en medeverdachte [betrokkene 1] (destijds) bewoonde woning aan [g-straat 1] . De steller van het middel voert in de toelichting aan dat de verdachte en medeverdachte [betrokkene 1] van strafbare feiten die verband houden met de woning [g-straat 1] zijn vrijgesproken en dat het voor de hand zou hebben gelegen dat het hof had bepaald dat de woning c.q. het geld waarop thans nog beslag ligt aan de verdachte diende te worden teruggegeven. De steller van het middel signaleert voorts dat klachten over verzuimen een beslissing te nemen over inbeslaggenomen voorwerpen volgens Uw Raad met toepassing van art. 80a RO kunnen worden afgedaan, en dat daarbij een rol speelt dat binnen drie maanden na de dag waarop de vervolgde zaak tot een einde is gekomen schriftelijk beklag kan worden gedaan over het uitblijven van een last tot teruggave. In deze zaak zou de verdachte evenwel, zo begrijp ik de steller van het middel, belang bij cassatie hebben nu aan de verdachte tevens de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is opgelegd ter hoogte van € 107.626,78. De verdachte zou niet de financiële ruimte hebben om dat bedrag te betalen, meer in het bijzonder niet nu ook medeverdachte [betrokkene 1] tot betaling van datzelfde bedrag is veroordeeld. De steller van het middel verwacht dat een door de verdachte ingediend klaagschrift ex art. 552a Sv niet zal zijn behandeld en afgedaan binnen de termijn waarin de verdachte aan de verplichtingen ingevolge de haar opgelegde ontnemingsmaatregel moet hebben voldaan. Daardoor zou de verdachte het risico lopen dat zij gegijzeld wordt alvorens de behandeling van het klaagschrift is afgerond.
NJ2013/241 m.nt. Bleichrodt overwogen:
kennisgeving beslagopgenomen met als datum 28 juni 2010, gericht aan medeverdachte [betrokkene 1] . Daarin is vermeld: ‘Op de in bovengenoemde zaak ten laste van u op grond van artikel 94 Sv Pro. Inbeslaggenomen voorwerpen, heb ik, officier van justitie, op de in bijlage 1 genoemde voorwerpen, met ingang van 28 juni 2010 beslag gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro’. De bijlage bij deze kennisgeving, een
proces-verbaal opgemaakt door de gerechtsdeurwaarder, houdt in dat de gerechtsdeurwaarder op verzoek van de officier van justitie, uit kracht van een schriftelijk bevel tot inbeslagneming, houdende bevel ‘tot het leggen van het hieronder vermelde beslag als bedoeld in artikel 94 en Pro 94b Wetboek van Strafvordering’ ten laste van medeverdachte [betrokkene 1] , strafrechtelijk in beslag heeft genomen (kort gezegd) [g-straat 1] te [plaats] , met als ‘eigenaar/gerechtigde’ de verdachte. Vervolgens vermeldt het proces-verbaal: ‘Dit beslag wordt gelegd tot bewaring van het recht tot verhaal van een voor een misdrijf op te leggen geldboete en een naar aanleiding van dat misdrijf door de rechter op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van het door de verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel’. Dat spoort evenwel niet met het bijgevoegde
bevel tot inbeslagnemingvan 28 juni 2010. Daarin is vermeld dat de officier van justitie ‘met toepassing van de artikelen 94 en 94b’ Sv beslag wenst te doen leggen en derhalve bevel geeft aan de deurwaarder, ‘tot het onverwijld leggen van beslag als bedoeld in artikel 94 van Pro het Wetboek van Strafvordering’ op, kort gezegd, [g-straat 1] te [plaats] . Over art. 94a Sv wordt niet gerept.