Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
22 juni 2021.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor medeplegen van witwassen, meervoudige oplichting en meervoudige valsheid in geschrift. Het cassatieberoep richtte zich onder meer op bewijs- en motiveringsklachten en op het ontbreken van een beslissing over beslag op de woning van verdachte en medeverdachte.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden en dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten vanwege artikel 81 lid 1 RO Pro. Wel constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden doordat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Als gevolg daarvan vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafmaat en verminderde de opgelegde taakstraf van 240 uren naar 228 uren en de vervangende hechtenis van 120 dagen naar 114 dagen. Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen.
Uitkomst: De taakstraf wordt verminderd naar 228 uren en de vervangende hechtenis naar 114 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn; het cassatieberoep wordt verder verworpen.