Conclusie
Nummer19/03004
eerstemiddel is bij (per fax verzonden) brief van 25 oktober 2020 ingetrokken. Daarom blijft bespreking achterwege.
tweede,
derdeen
vierdemiddel zien op beslissingen inzake het onder 4 tenlastegelegde feit. Voorafgaand aan de bespreking van deze middelen geef ik de bewezenverklaring van feit 4, de bewijsmiddelen en ’s hofs bewijsoverweging weer. Het
vijfdeen
zesdemiddel zien op beslissingen inzake het onder 3 tenlastegelegde feit; het
zevendemiddel ziet op de bewijsvoering van de onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten. Voorafgaand aan de bespreking van deze middelen geef ik de bewezenverklaring van feit 3 en ‘s hofs op dit feit betrekking hebbende bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen weer. Het
achtsteen
negendemiddel zien op de straftoemeting.
Bewezenverklaring feit 4, bewijsmiddelen en bewijsoverweging
als relaas van verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3]:
64 contante geldstortingenin totaal 410.000 euro gestort op twee bankrekeningen van verdachte [C] BV en op een privébankrekening van medeverdachte [verdachte].
'we announce a payment of two seperate payments of 50.000 euro from a dutch company named [C] B.V.'.De fax is gedateerd 7 april 2008.
als verklaring van medeverdachte [verdachte]:
aankoop van een pand in Brazilië. Dat zei die kennis. Ik heb het geprobeerd, maar ik kreeg het geid terug. En inmiddels had ik ook gezien dat op de rekening van [A] contant geld werd gestort in tranches van 5000 euro. Ik geloof dat het in totaal om 3 ton ging. Ik heb dat geld onmiddellijk teruggeboekt naar een rekening die ik doorkreeg van diezelfde kennis. Ik heb ongeveer 4000 euro commissie in verband hiermee afgesproken en ontvangen en ik heb mijn boekhouder, [betrokkene 3] uit [plaats], opdracht gegeven om deze 4000 te verantwoorden bij de fiscus.
[betrokkene 1]. Die vroeg mij of ik dit geld wilde overmaken. Ik heb [betrokkene 1] hier na die tijd nog over gesproken en ik heb toen gezegd dat ik dit allemaal wat raar vond. Hij is er niet op ingegaan en we hebben het erbij gelaten.
Zwitserland. Dit ging toen om een bedrag van ik dacht 101.000 euro. Ik heb dit bedrag in twee keer overgeboekt. Het ging toen om 2 x 50.000 euro. De rest was provisie voor mij. U vraagt mij vanaf welke rekening dit geld is overgeboekt. Dit was een rekening van [A]. Ik weet niet hoe dit is verantwoord in de boekhouding van [A]. Ook dit geld kwam als contant geld op de rekening van [A] terecht.
(het hof leest ‘[E]’), een restaurant. Dat was op dezelfde dag dat ik het gestort heb op de rekening van [A]. Dat was 100.000 euro en dat heb ik in verschillende porties gestort op de bankrekeningen van [A] en van mijzelf denk ik. Ik stortte dit geld in kleine porties af omdat ik weleens had gehoord van ongebruikelijke transacties en ik wilde niet opvallen bij de bank. Dat andere geld, dat later gebruikt zou worden voor het overboeken naar Brazilië, heb ik niet gekregen van [betrokkene 1]. Hoe dat geld op mijn rekeningen is gestort weet ik niet, maar het moet van [betrokkene 1] zijn of in ieder geval uit zijn kring.
bijlage D-672, (…)) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven:
‘terugbetaling voorschot’.
‘terugbetaling voorschot’.
‘lening’.
‘lening’.
‘terugbetaling lening’.
‘terugstorting lening’.
‘terugstorting lening [verdachte]’
‘terugbetaling voorschot ’.
‘terugbetaling voorschot’.
‘terugstorten voorschot ’.
‘Lening [verdachte]’.
‘lening ’.
‘terugbetaling lening’.
‘terugbetaling lening’
‘terugstorting lening’.
‘terugstorting lening [verdachte]’.
‘terugstorting lening’.
als verklaring van medeverdachte [verdachte]:
‘Ik wil nu verklaren dat ik wel contant geld heb gekregen van [betrokkene 1]. Ik kreeg dit geld om op mijn bankrekening en de bankrekening van [A] te storten, om vervolgens dit geld over te boeken naar Zwitserland. Ik kreeg het eerste geld in Nijkerk, dat was in [E], een restaurant. Dat was op dezelfde dag dat ik het gestort heb op de rekening van [A]. Dat was 100.000 euro.’
D-672) en merken op dat de eerste contante storting is gedaan op 28 maart 2018 aan de Apollolaan 171 te Amsterdam bij een filiaal van de ABN AMRO bank. Het betrof vier keer een storting van 5000 euro onder vermelding van ‘
terugbetaling voorschot’.
D-698) van een bladzijde uit een in object A, de woning van [verdachte], aangetroffen agenda en merken op dat op de datum vrijdag 28 maart 2008 met blauwe pen de aantekening ‘[F]; A4’ is genoteerd.
D-672met een kruisje aangeven welke bedragen ik zelf heb gestort. Ik weet dat ik deze bedragen heb gestort, want het is wel logica dat ik de bedragen in [plaats] en Assen heb gestort, dat kan je ook deels zien aan het pasnummer [006]. Dat is het nummer van mijn bankpas.
coupures van 500 euro.
niet gevraagd waar dit geld vandaan kwam.
niet gevraagd waarom of waarvoor dit was.
D-696 en D-697). Beide facturen hebben als factuurdatum 17 März 2008 en de omschrijving:
“RECHNUNG für unsere Aufwendungen in Zusammenhang mit dem Projekt Immobilien-Beratungsauftrag, Honorarasumme gemäss Art. 4.1. des Beratungsvertrages, EURO 105.000,00".
D-696 en D-697) opgenomen in de financiële administratie van [A]?
bijlagen D-696 en D-697, (…)) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven:
Bespreking van de middelen 2, 3 en 4
tweedemiddel klaagt dat het hof ten onrechte de officier van justitie ontvankelijk heeft geacht in de vervolging van het onder 4 tenlastegelegde feit, althans dat het hof de verwerping van een tot niet-ontvankelijkverklaring strekkend verweer onvoldoende met redenen heeft omkleed.
facto heeft dat dan tot gevolg dat de redenering van de rechtbank er toe zou leiden dat het Openbaar Ministerie de (on)gelijkheid van gevallen zelf zou kunnen bepalen. Tegen een dergelijke invulling van het gelijkheidsbeginsel verzet de verdediging zich. Daarenboven is van een ongelijkwaardige bewijspositie geen sprake. Alle bewijzen die de rechtbank heeft gebruikt ter ondersteuning van haar oordeel, kunnen gelden jegens [betrokkene 1]. Ten onrechte is niet aangegeven op welke wijze de bewijspositie afwijkt in die mate dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel zou moeten stranden.”’
3.0 Witwassen - strijd met het gelijkheidsbeginsel
NJ1988/1021 m.nt. ’t Hart. De verdachte was in die zaak vervolgd wegens het uitdelen van pamfletten van de Centrumpartij, terwijl een lid van de Tweede Kamer voor die partij dat - zo had het hof vastgesteld – nauw betrokken was geweest bij de opstelling van het pamflet en bij de voorbereiding van de verspreiding, en dat ook aan die verspreiding had meegewerkt, niet was vervolgd. Het hof verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging: het zou ‘onaanvaardbaar’ zijn dat tot vervolging van een deel van de verspreiders was besloten terwijl daarvan bij de ‘eerstverantwoordelijke’ was afgezien. Als het streven had voorgezeten te voorkomen dat strafvervolging van het Kamerlid een ‘martelaar’ zou maken, was dat volgens het hof geen toereikende grond voor deze beslissing. Uw Raad casseerde: ‘Wat er zij van de door het hof veronderstellenderwijze genoemde redenen’ waarom de OvJ had afgezien van vervolging van het betreffende Kamerlid, ‘nu het hof niets heeft vastgesteld omtrent de gronden waarop de OvJ niettemin is overgegaan tot de vervolging van de verdachte is ’s hofs oordeel dat hij aldus heeft gehandeld naar willekeur’ niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
derdemiddel klaagt dat het hof ten onrechte het verzoek om de stukken in de zaak tegen [betrokkene 1] te voegen in de zaak tegen verdachte heeft afgewezen, althans dat de afwijzing van dat verzoek onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.
vierdemiddel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen niet zonder meer kan volgen dat de verdachte het onder 4 bewezenverklaarde ‘van het plegen van witwassen een gewoonte maken’ heeft begaan. Het middel valt in drie deelklachten uiteen.
eerstedeelklacht (onder A) houdt in dat uit de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen niet zonder meer kan worden afgeleid dat het geld ‘afkomstig is uit enig misdrijf’. De steller van het middel bestrijdt niet dat, vanwege de diverse stortingen en overboekingen en de omstandigheden waaronder deze zijn gedaan, door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het geld uit enig misdrijf afkomstig zou kunnen zijn. De verdachte zou evenwel een ‘duidelijke verklaring’ hebben afgelegd, waarin hij het openbaar ministerie voldoende informatie heeft verschaft om nader onderzoek te doen naar de herkomst van het geld. Dat dit onderzoek vanwege capaciteitsproblemen niet is uitgevoerd, zou de verdachte niet kunnen worden tegengeworpen. De steller van het middel attendeert er daarbij op dat het verzoek om [betrokkene 1] als getuige te horen is afgewezen.
Indien de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
tweededeelklacht (onder B) betreft de bewijsvoering van het opzet van de verdachte op de criminele herkomst van het geld. Uit de bewijsmiddelen zou niet meer blijken dan dat [betrokkene 1] aan de verdachte heeft gevraagd om geldbedragen te ontvangen en over te boeken, en dat de verdachte heeft verzuimd navraag te doen naar de herkomst van het geld. Op basis van de verklaringen van verdachte zou wellicht kunnen worden vastgesteld dat de verdachte zodanig is tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht dat sprake is van schuldwitwassen, maar voorwaardelijk opzet is volgens de steller van het middel niet zonder meer uit de bewijsmiddelen af te leiden.
derdedeelklacht (onder C) bestrijdt dat uit de bewijsvoering kan volgen dat sprake is van een gewoonte. Herhaling van het plegen van een delict is volgens de steller van het middel op zichzelf nog geen gewoonte; naast de duur van de periode en de frequentie van de handelingen zou ook de intentie van de verdachte van belang zijn. Het hof zou een en ander hebben miskend door het medeplegen van gewoontewitwassen af te leiden uit de omstandigheid dat ‘verdachte in een korte periode meerdere bedragen op zijn rekening gestort heeft gekregen en heeft afgestort en in diezelfde periode meerdere overboekingen heeft gedaan’. En uit de bewijsmiddelen zou niet blijken dat de verdachte ‘de neiging had om telkens weer een dergelijk feit te begaan’.
NbSr2006/447’. [6]
Bewezenverklaring feit 3, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen
Ter zake van het onder 1 (primair) en 3 (primair) bewezenverklaarde
als verklaring van getuige [betrokkene 5]:
als verklaring van getuige [betrokkene 5]:
als verklaring van getuige [betrokkene 6]:
als verklaring van getuige [betrokkene 6]:
als verklaring van getuige [betrokkene 7]:
als verklaring van getuige [betrokkene 11]:
als verklaring van getuige [betrokkene 12]:
als verklaring van getuige [betrokkene 14]:
als verklaring van getuige [betrokkene 14]:
BFK: blijkens bewijsmiddel 5 ten aanzien van feit 3 in vonnis: ‘gehamerd’). .
als verklaring van getuige [betrokkene 15]:
als verklaring van getuige [betrokkene 15]:
als verklaring van getuige [betrokkene 16]:
als verklaring van verdachte:
als verklaring van verdachte:
“De vergoeding is destijds vastgesteld door [betrokkene 18]. Met mijn dochter had ik geen vergoeding per uur afgesproken. Die [betrokkene 18] maakte ons duidelijk dat wij voor zo 'n vergoeding in aanmerking zouden komen. Hij bepaalde het tarief.”
BFK: niet opgenomen; vgl. bewijsmiddel 53)
BFK: niet opgenomen; vgl. bewijsmiddel 53)
op papiermoet ontvangen)
Relevante wetgeving
Bespreking van het vijfde, zesde en zevende middel
vijfdemiddel klaagt dat het gerechtshof is afgeweken van een ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde feit uitdrukkelijk onderbouwd standpunt zonder in het bijzonder de redenen te vermelden die daartoe hebben geleid. Daarbij doelt het middel, aldus de steller, op het verweer dat geen sprake is geweest van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling en dat sprake is geweest van verontschuldigbare rechtsdwaling. Voorts zou uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer kunnen worden afgeleid dat de verdachte heeft gehandeld met het ‘oogmerk tot wederrechtelijke bevoordeling’.
NJ1991/531 niet tot kwalificatieproblemen leidde.
NJ2015/299 m.nt. Rozemond heeft Uw Raad onder meer overwogen:
Oogmerk. De verdediging heeft onder punt 1.62 van de pleitnota opgemerkt dat cliënt slechts het oogmerk op een wederrechtelijke bevoordeling kan hebben gehad als hij de WKO onjuist heeft uitgelegd en deze misslag althans de gevolgen daarvan heeft nagestreefd. Client kon en mocht redelijkerwijs menen dat de KOT aanvraag met terugwerkende kracht kon worden gedaan.
belastingdienst zet daarmee in op voorkomen in plaats van genezen.’ Zulks na zoveel jaar van reparatiegevoelige WKO.
zesdemiddel behelst de klacht dat het hof is afgeweken van een ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde feit uitdrukkelijk onderbouwd standpunt zonder de redenen te vermelden die tot deze afwijking hebben geleid. Het gaat de steller van het middel om het verweer ‘dat de term wederrechtelijk niet nader is omschreven in de tenlastelegging’.
zevendemiddel klaagt dat het gerechtshof de beslissing dat de feiten zoals onder 1, 3 en 4 tenlastegelegd door de verdachte zijn begaan, niet volledig heeft doen steunen op de in het arrest opgenomen bewijsmiddelen.
Bespreking van het achtste en negende middel; afronding
achtstemiddel klaagt over de strafmotivering, in het bijzonder voor zover het hof uit het dossier en het verhandelde ter zitting afleidt ‘dat de in de bewezenverklaring beschreven werkwijze breed werd toegepast en niet beperkt was tot de in de bewezenverklaring genoemde gevallen’. Het hof zou aldus in de strafmotivering rekening hebben gehouden met niet aan de verdachte tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten.
noot: Met onder meer: “Ik ga het het probleem met buitenschoolse opvang in Nederland oplossen en daar stinkend rijk mee worden’’. “Kinderplan geïntroduceerd, is een Winterthur polis voor de kinderen gefinancierd door de fiscus uit de kinderopvangtoeslag.”]. Daar komt bij dat verdachte zowel in eerste aanleg als in hoger beroep geen enkel inzicht heeft getoond in het laakbare van zijn handelen.
NJ2010/586, waarin uw Raad oordeelde dat de erkenning van de verdachte dat hij zich al eerder met de handel in verdovende middelen heeft beziggehouden redelijkerwijs niet kon worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde was begaan. De steller van het middel wijst voorts op de conclusie van A-G Knigge voor HR 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:896. Knigge was van mening dat de 23 niet tenlastegelegde misdrijven bezwaarlijk konden worden aangemerkt als omstandigheden waaronder de 9 bewezenverklaarde gevallen van onjuiste belastingaangifte waren begaan. Het had ‘misschien wel door de beugel gekund als het hof de andere onjuiste belastingaangiften enkel bij de straftoemeting had laten meewegen als nadere onderbouwing van de vaststelling dat de bewezenverklaarde gevallen van belastingfraude een structureel karakter droegen’ (randnummer 4.7.1). [19]
negendemiddel bevat de klacht dat de redelijke termijn, in het bijzonder de inzendingstermijn, in cassatie is overschreden.