Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Met het oog op de effectiviteit van de bescherming die art. 7:264 lid 1 tegen Pro dergelijke situaties biedt, moet als uitgangspunt worden genomen dat van ‘een niet redelijk voordeel’ sprake is indien tegenover het bedongen voordeel geen of een verwaarloosbare tegenprestatie staat.”
Onderdeel 2.2 faalt omdat het hof geen rechtsregel heeft geschonden door bij de beoordeling van de redelijkheid van de op grond van het onderhavige beding aan de huurder in rekening gebrachte kosten, de werkzaamheden die aan corporaties/toegelaten instellingen in art. 11 BBSH Pro zijn opgedragen en de specifieke taak die deze instellingen op het terrein van de volkshuisvesting vervullen, als gezichtspunt in aanmerking te nemen.”
2.Inleidende beschouwingen
stichting Ymere / bewonersvereniging Nellesteinstond de vraag centraal wanneer sprake is van een ‘niet redelijk voordeel’ in de zin van art. 7:264 lid 1 BW Pro. De discussie over de precedentwerking van dat arrest hangt voor een belangrijk deel samen met de vraag of − en, zo ja, in welke mate − de uitkomst van die zaak werd ingegeven door procesrechtelijke beperkingen, met name een vernauwing van de rechtsstrijd in hoger beroep en in cassatie. Om deze reden ga ik eerst wat dieper in op de beslissingen van de feitenrechter, de conclusie van de advocaat-generaal Huydecoper en het arrest van de Hoge Raad in de zaak
Ymere/Nellestein.
schemagezet, zie dit ‘baatcriterium’ eruit als volgt: is de huurder gebaat door de prestatie waarvoor de desbetreffende vergoeding in rekening wordt gebracht? Zo niet, dan gaat het om een ‘niet redelijk voordeel’. Zo ja, dan
kan– naar gelang van de aard van de kosten en de omstandigheden van het geval – het aan de huurder in rekening brengen van die kosten een ‘niet redelijk voordeel’ voor de verhuurder opleveren.
schemagezet, hield het door het hof gebezigde criterium het volgende in:
nietis gebaat door de prestatie waarvoor de desbetreffende vergoeding in rekening wordt gebracht. Daaronder begrijpt het hof mede het geval waarin de verhuurder zelf
in overwegende mateis gebaat bij die prestatie.
welis gebaat, worden niet zonder meer beschouwd als ‘redelijk’; naar de gelang de aard van de kosten en de omstandigheden van het geval kunnen ook dergelijke kosten worden aangemerkt als een ‘niet redelijk voordeel’ voor de verhuurder.
Ymere/Nellesteinhebben gevolgd komt zijns inziens in grote lijnen overeen met deze tweede stroming. [14]
Ymere/Nellestein. Het hof had in rov. 3.5 vastgesteld dat de grieven de door de kantonrechter geformuleerde uitgangspunten niet ter discussie stelden (zie het citaat in alinea
2.7hiervoor). Daarover werd in cassatie niet geklaagd (zie par. 24 van zijn conclusie, nader uitgewerkt onder 25 - 35).
Kamerstukken II1976/77, 14 175, nr. 3, p. 31). Daarbij moet met name gedacht worden aan de situatie waarin bij het aangaan van de huurovereenkomst de ene partij – veelal de aspirant-huurder – ten opzichte van de andere partij niet in een voldoende gelijkwaardige positie verkeert om te voorkomen dat een dergelijk door die wederpartij voorgesteld beding in de huurovereenkomst wordt opgenomen. Met het oog op de effectiviteit van de bescherming die art. 7:264 lid 1 tegen Pro dergelijke situaties biedt, moet als uitgangspunt worden genomen dat van ‘een niet redelijk voordeel’ sprake is indien tegenover het bedongen voordeel geen of een verwaarloosbare tegenprestatie staat.
Ymere/Nellesteinaangelegde criterium precies moet worden geduid en in hoeverre daaraan precedentwerking toekomt. [15] In dit verband is – met name door grote verhuurders in latere procedures − meermalen gewezen op een (in de conclusie van A-G Huydecoper gesignaleerde) procedurele belemmering voor het slagen van de klachten in cassatie, namelijk dat het gerechtshof in die zaak – in cassatie onbestreden – had vastgesteld dat geen grief was gericht tegen het door de kantonrechter gehanteerde ‘baatcriterium’. Goudriaan schreef in zijn annotatie:
Ymere/Nellesteinde juiste uitkomst was, “omdat verhuurder en huurders zichzelf het beperkende baatcriterium hadden opgelegd”. [17]
Ymere/Nellesteinhet ‘prestatiecriterium’. Dit criterium laat volgens de auteur méér ruimte om verhuur- en administratiekosten aan een nieuwe huurder door te berekenen dan enkel het ‘baatcriterium’ dat de kantonrechter en het hof in die zaak hadden aanvaard als uitgangspunt voor de uitleg van art. 7:264 lid 1 BW Pro. De auteur vervolgde:
Ymere/Nellesteintot hetzelfde oordeel zou zijn gekomen indien in hoger beroep wél een grief zou zijn aangevoerd tegen het toen door de kantonrechter gehanteerde ‘baatprincipe’. [20] De uitkomst van de zaak
Ymere/Nellesteinzou het gevolg zijn geweest van een procedurele omissie. Rochdale geeft aan, de onderhavige procedure te beschouwen als een ‘proefprocedure’ waarin zij ingang wil doen vinden voor een, liefst forfaitair bepaalde, vergoeding voor de kosten die voor een verhuurder zijn gemoeid met huurdersmutaties. [21]
Ymere/Nellesteindat ten aanzien van de toe te passen maatstaf in appel niet was gegriefd: dit had in cassatie een rol kunnen spelen, maar volgens hem is daarover niets terug te vinden in het oordeel van de Hoge Raad. [24] Een materiële toetsing – aan de hand van het door de Hoge Raad gegeven criterium – vergt volgens hem een beoordeling van vooral feitelijke aard. Hij noemt het voor de hand liggend dat de Hoge Raad daarop niet verder is ingegaan, anders dan zijn overweging (in rov. 3.6) dat de rechter de werkzaamheden en specifieke taken van corporaties/toegelaten instellingen als gezichtspunt in aanmerking mocht nemen. Tot zover de discussie in de vakliteratuur.
Ymere/Nellesteinhebben kantonrechters in het algemeen de lijn van dat arrest aangehouden. Het vonnis van de kantonrechter Amsterdam van 9 augustus 2018 kwam zo-even al aan de orde.
Ymere/Nellesteinen vervolgde:
tegenprestatie staat.’ Het gebruik van het woord ‘
tegenprestatie’ (in plaats van slechts ‘prestatie’) duidt op een prestatie die tegenover de prestatie van de huurder staat. Gegeven de context waarin de Hoge Raad deze woorden plaatst – de noodzaak tot effectiviteit van een regel gericht op het voorkomen van misbruik door een wederpartij in een machtspositie – is niet goed voorstelbaar dat de Hoge Raad daarbij mede het oog kan hebben gehad op een prestatie waarbij de huurder niet is gebaat. Als onder ‘tegenprestatie’ in dit verband ook zou worden verstaan verrichtingen die slechts het belang van de verhuurder dienen zou dat immers de deur openzetten voor het misbruik dat de wetgever juist heeft beoogd tegen te gaan.”
Ymere/Nellesteinnoem ik in chronologische volgorde nog:
Ymere/Nellesteinop een en dezelfde lijn: zie de schema’s in de alinea’s 2.5 en 2.8 hiervoor.
Ymere/Nellestein. Weliswaar spreekt de Hoge Raad niet met zoveel woorden van een ‘baatcriterium’, maar ook de Hoge Raad neemt tot uitgangspunt dat tegenover het bedongen voordeel een (niet verwaarloosbare)
tegenprestatiemoet staan. Dan hebben we het over een
extraprestatie, dat wil zeggen: bovenop de ‘normale’ verplichtingen van de verhuurder waarvoor de ‘kale’ huurprijs wordt betaald.
Ymere/Nellesteinpast niet bij eerste, door Huydecoper beschreven stroming, die – kort gezegd – het in rekening brengen van zulke kosten (rond het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst) altijd in strijd acht met art. 7:264 lid 1 BW Pro, omdat zij inherent zijn aan het exploiteren van woningen door een verhuurder en daarom uit de ‘kale huurprijs’ moeten worden gefinancierd.
Ymere/Nellesteinis er geen sprake van, dat de verhuurder een (al dan niet forfaitair berekende) vergoeding mag bedingen zodra ook maar enige werkelijke prestatie door de verhuurder wordt verricht, ongeacht of die prestatie nu wel of niet binnen de normale verplichtingen van de verhuurder of de normale woningexploitatie valt en ongeacht of de huurder hiermee gebaat is of niet.
Ymere/Nellesteinslechts te verklaren is door een procedurele beperking van in de rechtsstrijd in eerste aanleg en in hoger beroep, lijkt mij om de bovengenoemde redenen onhoudbaar.
überhauptgeen prestatie of slechts een verwaarloosbare prestatie verricht, zoals het geval kan zijn bij ‘sleutelgeld’ of bij het vragen van een buitensporig hoog bedrag voor een wél geleverde prestatie. Rochdale voert aan dat uit de wetgeschiedenis niet volgt dat art. 7:264 lid 1 BW Pro óók van toepassing is indien de verhuurder wel een wezenlijke prestatie levert (in dit geval: het administratief en feitelijk faciliteren van een huurdersmutatie). Rochdale wijst erop dat bij andersoortige duurovereenkomsten het normaal gevonden wordt dat, naast de maandelijkse contributie of gebruiksvergoeding, van een nieuwe contractspartner een eenmalige bijdrage in de kosten van diens inschrijving wordt gevraagd. [42]
Ymere/Nellestein.
Ymere/Nellesteinhet aangevallen oordeel van het hof in stand liet. Het cassatiemiddel van de verhuurder onder 2.1, gericht tegen de door het hof aangenomen uitgangspunten, steunde op een andere uitleg van art. 7:264 lid 1 BW Pro dan de uitleg die de Hoge Raad daaraan heeft gegeven. Indien de Hoge Raad in de zaak
Ymere/Nellesteineen maatstaf zou hebben aangelegd die tot een (wezenlijk) andere wijze van toetsing had behoren te leiden dan de toetsing die de feitenrechter met behulp van het ‘baatcriterium’ had verricht, zou de uitkomst in cassatie niet de verwerping van het beroep zijn geweest. In dat veronderstelde geval zou de Hoge Raad hebben besloten tot vernietiging en tot verwijzing van de zaak teneinde aan de hand van de juiste maatstaf opnieuw een beoordeling door de verwijzingsrechter mogelijk te maken.
Ymere/Nellestein. De omstandigheden zijn sinds dat arrest niet wezenlijk gewijzigd; in elk geval heeft Rochdale geen beroep gedaan op een relevante verandering van omstandigheden sinds dat arrest. Ik meen daarom dat het criterium van het arrest
Ymere/Nellesteinnog steeds het geldend recht weergeeft (‘geen of een verwaarloosbare tegenprestatie’). Het standpunt van Rochdale berust op een eigen keuze, zo blijkt haar schriftelijke opmerkingen onder 4.13, waaruit ik het volgende citeer:
per saldode maximale huurprijsgrens zou overschrijden.
Ymere/Nellesteinde volgende situatie voor ogen heeft gestaan: een aspirant-huurder enerzijds en een woningcorporatie als Rochdale anderzijds, die met elkaar in onderhandeling zijn over het sluiten van een huurovereenkomst. Ook degene die zich kan vinden in het zakelijke beleid van Rochdale zal moeten erkennen dat (de schaarste aan betaalbare woonruimte in het werkgebied van Rochdale meebrengt dat) een aspirant-huurder een zwakke onderhandelingspositie heeft tegenover de verhuurder en, om maar ergens in deze regio woonruimte te vinden, zich genoodzaakt kan voelen om eieren voor zijn geld te kiezen en het betreffende beding in de huurovereenkomst toch maar te aanvaarden, ook als het maken en doorberekenen van de kosten, of de hoogte daarvan, in zijn ogen onredelijk is.
3.Bespreking van de prejudiciële vragen
Ymere/Nellestein, waarin de Hoge Raad overwoog:
vragen 1 en 2hangen nauw met elkaar samen:
individueleaspirant-huurder ten tijde van het aangaan van de huuroverkomst. In die fase immers is de vraag aan de orde of de aspirant-huurder van woonruimte moet worden beschermd ten opzichte van de verhuurder (indien de aspirant-huurder zou willen voorkómen dat een dergelijk door de verhuurder voorgesteld beding in de huurovereenkomst wordt opgenomen). Voor zover de nieuwe huurder wordt geconfronteerd met een prestatie die slechts voor hemzelf van nut is, maar niet of nauwelijks voor de verhuurder of voor de andere huurders (het naamplaatje is inmiddels een bekend voorbeeld geworden), kan gevoeglijk worden aangenomen dat een gelijkwaardige onderhandelingspositie niet wordt verstoord indien de verhuurder de kosten daarvan doorberekent aan de nieuwe huurder.
tegen-prestatie (extra inspanning) waarvoor hij een extra bedrag moet betalen. Ook vraag 2 kan daarom bevestigend worden beantwoord.
per tegenprestatie afzonderlijkte worden beoordeeld.
per kostenposteen forfaitaire berekening plaatsvindt; ik denk dan bijvoorbeeld aan een vast tarief voor “nazien hang- en sluitwerk ramen en deuren”. De beschermingsgedachte die aan het arrest
Ymere/Nellesteinten grondslag ligt, sluit wél uit dat de verhuurder een totaalbedrag in rekening brengt (onder een noemer als ‘administratiekosten’), waarmee voor een aspirant-huurder die met de verhuurder in onderhandeling treedt over het aangaan van de huurovereenkomst niet inzichtelijk maakt of er sprake is van een ‘niet verwaarloosbare’ tegenprestatie voor de extra betaling bovenop de ‘kale’ huurprijs. Het van de nieuwe huurder gevraagde bedrag moet voor hem te relateren zijn aan de door de verhuurder geleverde tegenprestatie(s).
per kostenpost.
op zichzelfwel voor doorberekening aan de aspirant-huurder in aanmerking komen, maar slechts
voor zover dat nog redelijk is. [48] In dat laatste geval volgt nog een toets op de redelijkheid van de omvang van het bedongen voordeel.
Ymere/Nellesteinhad het gerechtshof twee vraagpunten onderscheiden; zie alinea 2.8 hiervoor. Het hof overwoog dat kosten voor verrichtingen waardoor de huurder
welis gebaat, niet zonder meer worden beschouwd als ‘redelijk’. Naar gelang de aard van de kosten en de omstandigheden van het geval kunnen dergelijke kosten worden aangemerkt als een ‘niet redelijk voordeel’ voor de verhuurder in de zin van art. 7:264 BW Pro. Het gerechtshof had daarbij ook gelet op de werkzaamheden die aan toegelaten instellingen zijn opgedragen in artikel 11 van Pro het Besluit Beheer Sociale Huursector (BBSH) en op de specifieke taak die deze instellingen vervullen op het terrein van de volkshuisvesting. De Hoge Raad constateerde (in rov. 3.6 van het arrest
Ymere/Nellestein) dat middelonderdeel 2.2 tegen dat oordeel was gericht. Vervolgens overwoog de Hoge Raad:
Vraag 5luidt:
Ymere/Nellesteinis, als gezegd, gebaseerd op de beschermingsgedachte die aan art. 7:264 BW Pro ten grondslag ligt. Daarbij moet volgens de Hoge Raad met name worden gedacht aan de situatie waarin bij het aangaan van de huurovereenkomst de partij − veelal de aspirant huurder – ten opzichte van de andere partij niet in een voldoende gelijkwaardige positie verkeert om te voorkomen dat een door die wederpartij voorgestelde bepaling waarin deze een voordeel voor zichzelf bedingt zonder dat daar een prestatie tegenover staat, in de huurovereenkomst wordt opgenomen. Dergelijke situaties zijn naar hun aard niet beperkt tot de niet-geliberaliseerde sector (sociale huur). De omstandigheid dat voor de niet-geliberaliseerde sector extra wettelijke beschermingsbepalingen gelden op het vlak van bijvoorbeeld huurprijs(verhogingen), die niet van toepassing zijn op de geliberaliseerde huur, maakt evenmin dat deze ratio van de bepaling niet zou opgaan bij geliberaliseerde huur. [49]
Ymere/Nellestein– in de vraagstelling onder B geciteerd – en op rov. 3.5 van het toen bestreden arrest in hoger beroep (geciteerd in alinea 2.7 hiervoor). Op die overweging liet het hof in rov. 3.8 en 3.9 toen volgen dat voor een groot deel van de werkzaamheden waarvoor Ymere kosten bij de huurders in rekening bracht, vooral de eigen belangen van Ymere werden gediend omdat Ymere deze kosten maakte in het kader van haar taken met betrekking tot het verdelen van woonruimte en het verrichten van een inkomenstoets (ter voorkoming van betalingsproblemen bij kandidaat-huurders); het hof verwees naar bepalingen uit het toen geldende BBSH. Het zou meebrengen dat zulke kosten geacht moeten worden inherent te zijn aan de normale woningexploitatie, zodat zij niet afzonderlijk aan individuele huurders in rekening kunnen worden gebracht door de woningcorporatie.
Ymere/Nellesteindat door de Hoge Raad in stand werd gelaten. De omstandigheden van het geval – waaronder ook de hoedanigheid, positie en (wettelijke) verplichtingen van partijen zijn te begrijpen – zullen ook hier van belang kunnen zijn. Het feit dat de verhuurder een ‘toegelaten instelling’ is, kan dus bijdragen tot het oordeel dat bepaalde werkzaamheden reeds tot haar eigen verplichtingen behoren of in haar eigen belang worden verricht, en om die reden niet ten laste van huurders mogen worden gebracht. [51] Overigens lijkt mij niet uitgesloten, dat de vrijheid om deze omstandigheid in de beoordeling te betrekken ook in de tegengestelde richting kan werken. [52]
nietoptreedt als ‘toegelaten instelling’, het vereiste van een ‘niet verwaarloosbare tegenprestatie’ helemaal niet geldt, althans minder zware eisen worden gesteld aan de mogelijkheid voor de verhuurder om een voordeel te bedingen. Dat betoog lijkt mij niet juist. Hetzelfde criterium is steeds van toepassing; de precieze invulling daarvan vindt plaats aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij kunnen ook de werkzaamheden die in de relevante regelgeving aan ‘toegelaten instellingen’ zijn opgedragen en de specifieke taak die deze instellingen op het terrein van de volkshuisvesting vervullen, in aanmerking worden genomen als gezichtspunt.
4.Conclusie
per kostenpostplaats te vinden (zie alinea 3.12 hiervoor);