Conclusie
1.Feiten en procesverloop
bis)
. [5]
2.Bespreking van het cassatiemiddel
klacht onder ais gericht tegen de op 30 oktober 2020 genomen beslissing dat een zorgmachtiging wordt verleend voor het ‘toedienen van medicatie ter behandeling van een psychische stoornis’. De klacht houdt in dat het oordeel van de rechtbank dat zij deze machtiging kon verlenen rechtens onjuist is, althans onvoldoende begrijpelijk. Volgens de toelichting op deze klacht is de medische verklaring één van de essentiële stukken die nodig zijn om een zorgmachtiging te kunnen geven (zie art. 5:17 lid Pro 3, onder a, Wvggz in verbinding met art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM). Indien aan de door de officier van justitie overgelegde medische verklaring gebreken kleven, kan deze verklaring niet worden gebruikt als basis voor een zorgmachtiging met als verplichte zorg ‘het toedienen van medicatie’. Volgens het middelonderdeel is onbegrijpelijk waarom de rechtbank voor de overige door de officier van justitie verzochte vormen van verplichte zorg wel een nieuwe medische verklaring heeft verlangd, alvorens hierover te beslissen, maar niet voor een zorgmachtiging voor verplichte zorg in de vorm van het toedienen van medicatie.
medeondertekend door een psychiater. Ter zitting had de arts-assistent medegedeeld dat hij de verklaring onder supervisie van de psychiater had opgemaakt, dat de psychiater betrokkene een week voordat de verklaring is opgemaakt had gezien en dat de psychiater betrokkene niet heeft gesproken maar wel had geobserveerd. Volgens de rechtbank was daarmee sprake van een verklaring ‘van een psychiater die de betrokkene met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht maar niet bij diens behandeling betrokken was’. In cassatie stond ter discussie of de geneeskundige verklaring daarmee voldeed aan de wettelijke eisen. De Hoge Raad overwoog onder meer dat het de psychiater vrijstaat, een arts-assistent in te schakelen bij zijn onderzoek. Maar juist ook dan, zo vervolgde de Hoge Raad, dient uit de door de psychiater te ondertekenen verklaring te blijken op grond waarvan kan worden gezegd dat betrokkene door hem is onderzocht in de zin van art. 5 lid Pro 1 (oud) Wet Bopz (rov. 3.6).
en de ondertekeningdienen te geschieden door een psychiater die onafhankelijk is ten aanzien van de behandeling die betrokkene krijgt. Dit alles duidt erop dat de (BIG-geregistreerde) onafhankelijke psychiater die het onderzoek heeft verricht ook degene is die de af te geven verklaring moet ondertekenen.
klacht onder bkomt op tegen de verwerping van het verweer dat de officier van justitie in zijn verzoek niet-ontvankelijk is omdat sprake is van een termijnoverschrijding. De klacht houdt in dat de rechtbank heeft miskend dat de vastgestelde overschrijding van de termijn in art. 5:16 Wvggz Pro (in samenhang met art. 5:17 in Pro verbinding met art. 5:4 lid Pro 2, onder a, Wvggz) had moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in zijn verzoek, althans dat de redengeving van de rechtbank onbegrijpelijk is althans onvoldoende gemotiveerd. De klacht wordt in het cassatierekest nader toegelicht
onder 1.3(“Termijnen in de wet”) en
onder 1.4(“Overwegingen ten aanzien van belang van verzoekster”).