Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelbevat de klacht dat de verwerping van een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging dan wel bewijsuitsluiting op de voet van art. 359a Sv blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd.
mededeling van verbalisant:
mededeling van verbalisant:
mededeling van verbalisant:
mededeling van verbalisant:
NJ2013/413); een arrest van Uw Raad (HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:638), een dissertatie (van Kuiper) en de voorgestelde regeling in Modernisering Strafvordering. En zij betogen dat deze vijf factoren steun bieden aan de klacht dat de verwerping van het verweer op de grond dat het vormverzuim niet is begaan in het voorbereidend onderzoek naar de feiten waarover de rechter op basis van de tenlastelegging heeft te oordelen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans ontoereikend is gemotiveerd.
NJ2004/376 m.nt. Buruma. Uw Raad overwoog in dat arrest onder meer:
NJ2013/413 m.nt. Borgers onder meer overwogen dat het ontbreken van een verdenking in de zin van art. 27 Sv Pro niet meebrengt dat kortstondige en beperkte observaties naar aanleiding van omstandigheden waaruit redelijkerwijs een verhoogde kans op strafbare feiten kan worden afgeleid, ‘onrechtmatig zijn aangevangen. Niettemin zullen zij, als berustend op wettelijke bepalingen waarin de opsporing van strafbare feiten aan de betrokken functionarissen is opgedragen, tot het voorbereidend onderzoek gerekend moeten worden ingeval (mede) door de observaties een verdenking als bedoeld in art. 27 Sv Pro ontstaat en verdergaande opsporingsbevoegdheden worden toegepast. Overschrijding van de grenzen waarbinnen zulke, niet krachtens het in art. 126g Sv bedoelde bevel uitgevoerde, observaties toelaatbaar zijn, moet in zo een geval worden aangemerkt als een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv’ (rov. 2.6.3). Borgers stelde in zijn noot onder dit arrest: ‘Het voorbereidend onderzoek vangt aan met opsporing en daarvan kan, zoals zojuist besproken, ook sprake zijn indien (nog) geen verdenking bestaat. Het feit dat op het moment van het handelen nog niet duidelijk is of de geobserveerde persoon daadwerkelijk een strafbaar feit zal plegen, maakt dat niet anders. Waar het om gaat, is dat wanneer eenmaal een dergelijk feit in beeld is gekomen en de betrokkene daarvoor wordt vervolgd, al het handelen dat tot ontdekking van het feit heeft geleid, voor zover dat binnen de reikwijdte van artikel 132a Sv valt, overeenkomstig artikel 359a Sv ter discussie kan worden gesteld’ (randnummer 3).
Artikel 4.3.14[359a; nieuw]