Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelkeert zich tegen de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde en valt in twee klachten uiteen. De eerste klacht houdt in dat de bewezenverklaring voor witwassen (in welke variant dan ook), en dan met name dat het mapje met pasjes uit enig misdrijf afkomstig is, niet uit de bewijsmiddelen kan volgen, althans dat het oordeel daaromtrent ontoereikend dan wel onbegrijpelijk is gemotiveerd. Volgens de tweede klacht heeft het hof met de bewezenverklaarde bewoordingen “wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden” geen keuze gemaakt tussen gewoon (opzet)witwassen (art. 420bis Sr) en schuldwitwassen (art. 420quater Sr). Het
tweede middelklaagt over de kwalificatie ‘eenvoudig witwassen’ van het onder 2 bewezenverklaarde. Omdat het tweede middel in zekere zin aansluit op de hiervoor genoemde tweede klacht, bespreek ik beide middelen gezamenlijk.
Feit 2
eigenmisdrijf. Het hof heeft het onder 2 bewezenverklaarde gekwalificeerd als “eenvoudig witwassen”. Onder het kopje “Toepasselijke wettelijke voorschriften” ontbreekt een verwijzing naar de desbetreffende strafbepaling (art. 420bis.1 Sr). [7] In plaats daarvan wordt verwezen naar art. 420bis Sr. Dat laatste sluit aan bij de bewezenverklaring waarin is opgenomen dat het voorwerp dat de verdachte voorhanden heeft gehad afkomstig was “uit enig misdrijf”. De keuzemogelijkheid in de tenlastelegging dat het voorwerp afkomstig was uit “eigen” misdrijf is daarin doorgestreept. De kwalificatie van de bewezenverklaring berust daarmee op een kennelijke misslag die de Hoge Raad – indien deze op zichzelf had gestaan – zou hebben kunnen verbeteren. [8] In dit geval staat deze misslag echter niet op zichzelf, nu mede in de context van de kwalificatie ook sprake is van het in het eerste middel besproken verzuim om in de bewezenverklaring een keuze te maken tussen de tenlastegelegde kwalificatieve alternatieven.