ECLI:NL:HR:2016:2237

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 oktober 2016
Publicatiedatum
4 oktober 2016
Zaaknummer
14/05516
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9a SrArt. 3 onder B OpiumwetArt. 11 eerste lid OpiumwetArt. 11 tweede lid OpiumwetArt. 427 tweede lid Sv
Verwijzingen
7 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid cassatieberoep bij verkeerde kwalificatie misdrijf versus overtreding in Opiumwetzaak

In deze zaak stond het beroep in cassatie centraal tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd verdacht van het verkopen van een kleine hoeveelheid hennep. Het hof had het bewezenverklaarde feit gekwalificeerd als een misdrijf op grond van artikel 9a Sr, terwijl het feit feitelijk een overtreding betrof zoals bedoeld in artikel 3, onder B, in verbinding met artikel 11, eerste lid, van de Opiumwet.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof een kennelijke misslag had begaan door het feit als misdrijf te kwalificeren en dat het arrest derhalve moest worden aangemerkt als een uitspraak betreffende een overtreding in de zin van artikel 427, tweede lid, Sv. Hierdoor was tegen het bestreden arrest geen beroep in cassatie open, aangezien artikel 9a Sr toepassing vond en het cassatieberoep daarom niet ontvankelijk was.

De Hoge Raad verklaarde de verdachte daarom niet-ontvankelijk in het cassatieberoep. De zaak benadrukt het belang van de juiste kwalificatie van feiten in strafzaken en de gevolgen daarvan voor de ontvankelijkheid van hoger beroep.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens verkeerde kwalificatie van het feit als misdrijf in plaats van overtreding.

Uitspraak

4 oktober 2016
Strafkamer
nr. S 14/05516
ABG/NA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 24 oktober 2014, nummer 22/001390-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats] .

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H. Sytema, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1.1.
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
"zij op of omstreeks 30 december 2012 te 's-Gravenhage heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan A. Jaouid (geboren op 31-10-1996), een hoeveelheid van ongeveer 2 gram, in elk geval een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet."
2.1.2.
Daarvan is door het Hof bewezenverklaard dat:
"zij op 30 december 2012 te 's-Gravenhage heeft verkocht aan [betrokkene 1] (geboren op [geboortedatum] -1996), een hoeveelheid van ongeveer 2 gram, hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II."
2.1.3.
Het Hof heeft het aldus bewezenverklaarde gekwalificeerd als:
"opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, begaan door een rechtspersoon."
2.1.4.
Het Hof heeft ter zake van dat feit toepassing gegeven aan art. 9a Sr en bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.
2.2.
Het overeenkomstig de tenlastelegging bewezenverklaarde feit levert op de overtreding voorzien en strafbaar gesteld in art. 3, onder B, in verbinding met art. 11, eerste lid, Opiumwet. Het Hof heeft het bewezenverklaarde dus ten onrechte gekwalificeerd als het in art. 3, onder B, in verbinding met art. 11, tweede lid, Opiumwet strafbaar gestelde misdrijf. Het bestreden arrest bevat derhalve een kennelijke misslag en dient te worden aangemerkt als een uitspraak betreffende een overtreding in de zin van art. 427, tweede lid, Sv.
2.3.
Ingevolge art. 427, tweede lid, Sv staat, nu het Hof toepassing heeft gegeven aan art. 9a Sr, tegen het bestreden arrest beroep in cassatie niet open, zodat de verdachte in het ingestelde beroep niet kan worden ontvangen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 oktober 2016.