Conclusie
ex tuncin plaats van
ex nunc), de maatstaf die het hof daarbij heeft aangelegd en de wijze waarop het hof heeft getoetst (al dan niet volledig).
1.Feiten en procesverloop
sealbagsbij ING te deponeren. ING schreef dat geld vervolgens bij op de bankrekening van Stichting [eiseres 4] .
7. Looptijd en beëindiging Overeenkomst
taseren een stiletto. Er is strafrechtelijk derdenbeslag gelegd op de rekeningen van [eiseressen] bij ING.
ex tunc). Deze vraag is reeds in de tweede procedure beantwoord in voor ING positieve zin (zie het arrest van 19 januari 2018, hersteld bij arrest van 23 januari 2018, randnummer 1.25 hiervoor). Het hof heeft in het bestreden arrest het volgende overwogen:
te continueren en, voorzover daartoe nodig, te herstellen”.
ex nuncworden beantwoord:
ex nunc). Er is geen reden om de stand van zaken ten tijde van de opzegging tot uitgangspunt te nemen. Hetgeen de voorzieningenrechter en het hof in eerdere kort gedingen tussen partijen hebben geoordeeld leidt niet tot een ander oordeel.”
ex tuncdient te worden beantwoord (randnummer 1.39 hiervoor).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1bestrijdt het oordeel van het hof dat de opzeggingen door ING naar de stand van zaken ten tijde van de opzeggingen (
ex tunc) dienen te worden beoordeeld;
onderdeel 2betoogt dat het hof een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd bij de beoordeling van de opzeggingen door ING;
onderdeel 3betoogt dat het hof de opzeggingen opnieuw ten volle had moeten toetsen en daarbij niet had mogen aanknopen bij het arrest van 19 januari 2018 in de tweede procedure; en
onderdeel 4betreft een bezwaar tegen de weigering van het hof om een proces-verbaal van de zitting van 29 mei 2010 af te geven.
randnummer 2.1van de procesinleiding. [28] Deze klacht vormt een samenvoeging van de klachten in met name de onderdelen 1 en 2. Omdat de overkoepelende klacht overlap vertoont met de onderliggende klachten, behandel ik de overkoepelende klacht niet afzonderlijk en zal die het lot delen van de onderliggende klachten, die ik hierna achtereenvolgens behandel.
ex nuncen niet
ex tunchad moeten toetsen of de opzeggingen door ING rechtmatig waren. Omdat een deel van de klachten in dit onderdeel met elkaar overeenkomt dan wel overlap vertoont, zal ik de subonderdelen deels gezamenlijk beoordelen.
randnummers 2.1.2 en 2.1.4betogen [eiseressen] dat het hof in rov. 3.5.-3.7. een onjuist dan wel onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven. Het hof had bij de toetsing van de rechtmatigheid van de opzeggingen door ING alle feiten en omstandigheden van het geval moeten betrekken en derhalve ook de feiten en omstandigheden die zich ná de opzeggingen hebben voorgedaan. Kortom: het hof had
ex nuncen niet
ex tuncmoeten toetsen. [eiseressen] zoeken in dit kader aansluiting bij een drietal uitspraken van Uw Raad op het gebied van respectievelijk ontslag en ontbinding in het arbeidsrecht en inbreukmakend of anderszins onrechtmatig handelen. [29] Volgens [eiseressen] heeft de
ex tunc-toetsing tot gevolg dat elke opzeggende partij haar ogen voor waarheidsvinding en gerechtvaardigde belangen van de wederpartij mag sluiten, om te voorkomen dat een aanname, waarop de opzegging is gebaseerd, na nader onderzoek onjuist blijkt te zijn.
ex nunc. Dit betekent ook dat de rechter in beginsel alle hem ter kennis gebrachte feiten en omstandigheden in zijn beoordeling dient te betrekken, ook voor zover die feiten en omstandigheden eerder niet bekend waren of zich in een eerder stadium niet voordeden. [30]
ex tuncmaakt, derhalve naar de toestand ten tijde van de opzeggingen door ING. In dat geval wordt immers getoetst waar het in deze zaak over gaat, namelijk of ING
destijds(ten tijde van de opzeggingen) het recht had om de bankrelaties en de Overeenkomst te beëindigen.
ex tunc-beoordeling is ook de rechtszekerheid gebaat. Bij een toetsing
ex nunczou ING namelijk bij een (op handen zijnde) opzegging rekening moeten houden met toekomstige feiten en omstandigheden, die zich ten tijde van de opzegging nog niet hebben voorgedaan en niet voorzienbaar zijn. Dat is niet alleen een onmogelijke taak, maar zou er ook toe leiden dat een opzegging – die ten tijde van de opzegging terecht was – bij de rechter in eerste aanleg of in hoger beroep alsnog onterecht kan worden bevonden vanwege feiten en omstandigheden die zich pas ná de opzegging hebben voorgedaan en waarmee ING geen rekening heeft kunnen houden. Dat zou rechtsonzekerheid opleveren. Elke opzegging zou op losse schroeven kunnen komen te staan, totdat (enkele jaren later) een definitieve rechterlijke beslissing is genomen. Dit levert een onwenselijk en onwerkbaar systeem op.
ex tunc-toetsing. Zoals hiervoor is uiteengezet (randnummers 2.8 e.v.), zijn dergelijke aanwijzingen in deze zaak aanwezig;
op het moment van het ontslag op staande voet” aanwezig was. [36] Dit betreft een
ex tunc-toetsing, waarbij wordt uitgegaan van de situatie ten tijde van het ontslag. Dat de werkgever het bewijs, dat op het moment van het ontslag een dringende reden aanwezig was, mag leveren met bewijsmiddelen waarover hij pas ná het ontslag beschikking heeft gekregen, maakt niet dat sprake is van een toetsing
ex nunc. Het gaat er immers nog steeds om of de werkgever (eventueel met later verkregen bewijs) kan aantonen dat
destijds(ten tijde van het ontslag) een dringende reden voor het ontslag aanwezig was;
ex tunc). [38] Uw Raad heeft zich derhalve in deze beschikking
nietuitgesproken over de vraag of het hof met juistheid een
ex tunc-toetsing heeft toegepast. Wel heeft Uw Raad – in lijn met de hiervoor genoemde beschikking van 18 januari 2019 – bevestigd dat een
ex tunc-beoordeling niet afdoet aan de herkansingsfunctie van het hoger beroep. Dit betekent dat, ook bij een
ex tunc-toetsing, een beroep mag worden gedaan op nieuwe feiten en omstandigheden,
mitsdie feiten en omstandigheden zich maar vóór de ontbinding door de kantonrechter hebben voorgedaan.
ex tunc-beoordeling niet tot gevolg dat de opzeggende partij haar ogen voor waarheidsvinding en gerechtvaardigde belangen van de wederpartij mag sluiten. De opzegging mag immers niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn, waarvan in de regel wel sprake zal zijn als de opzegging – beoordeeld naar het moment van de opzegging – is gebaseerd op slechts een deel van de relevante feiten en omstandigheden en de overige (voor de opzeggende partij ongunstige) feiten en omstandigheden met opzet buiten beschouwing zijn gelaten.
randnummers 2.1.3 en 2.1.5betogen [eiseressen] – in aanvulling op de voorgaande klachten – dat er in dit geval des te meer ruimte en aanleiding is om de opzeggingen door ING
ex nuncte toetsen. [eiseressen] bankierden immers al sinds 1994 respectievelijk 2008 bij ING, waarbij het afstorten van contant geld nooit enig probleem is geweest. Daarnaast heeft ING – gelet op de bijzondere positie die een bank in het kader van een bankrelatie heeft – een bijzondere zorgplicht en dient zij ook bij een opzegging zorgvuldig te handelen, zeker nu het voor [eiseressen] onmogelijk is om zonder bankrekening aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen. Bovendien hebben [eiseressen] vanaf het begin aangegeven dat de verdenkingen van het OM aan hun adres ongefundeerd waren, wat later ook is bevestigd door het sepot in juli 2018. Dat het hof – ondanks dit alles – de opzeggingen
ex tuncheeft getoetst, maakt het oordeel van het hof onjuist dan wel onbegrijpelijk.
randnummers 2.1.2 en 2.1.4en falen om de in dat verband al genoemde redenen. De omstandigheden die [eiseressen] noemen, doen er immers niet aan af dat in zaken als de onderhavige een toetsing
ex tuncis aangewezen, gelet op de aard van het geschil, de ingestelde vordering en het belang van de rechtszekerheid (randnummers 2.8 e.v. hiervoor). Daarbij komt dat de omstandigheden die [eiseressen] noemen, omstandigheden betreffen die dateren van vóór de opzeggingen door ING, waardoor ze ook in een
ex tunc-beoordeling worden meegenomen en – onder meer blijkens rov. 3.1.(ii), rov. 3.3. en rov. 3.6. van het bestreden arrest – ook door het hof in zijn beoordeling zijn meegenomen.
randnummer 2.1.5klagen [eiseressen] dat het onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 3.6. heeft geoordeeld dat hetgeen ná het arrest van 19 januari 2018 is voorgevallen, geen aanleiding vormt om anders te oordelen over het uitgangspunt dat de opzeggingen door ING rechtsgeldig zijn. Dit oordeel valt namelijk niet te rijmen met het oordeel in rov. 3.5. dat de opzeggingen naar de stand van zaken ten tijde van de opzeggingen (
ex tunc) moeten worden beoordeeld.
destijds– derhalve ten tijde van de opzeggingen (
ex tunc) – wist of had moeten weten dat er onvoldoende grond was om tot opzegging over te gaan. [39] Anders dan [eiseressen] betogen, is in rov. 3.6. derhalve geen sprake van een beoordeling
ex nunc. Dat het hof ook in rov. 3.6. een
ex tunc-toets aanlegt, blijkt onder meer uit de woorden “
destijds” (in de tweede zin), “
ten tijde van de beëindiging van de bankrelaties” (in de derde zin) en “
de reeds eerder gedane opzeggingen(…)
(met terugwerkende kracht)” (in de laatste zin van rov. 3.6.).
ex nunc-beoordeling in zijn oordeel betrokken.
randnummer 2.1.6gaat uit van de premisse dat het hof met juistheid heeft geoordeeld dat de opzeggingen,
ex tuncbeoordeeld, niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. [eiseressen] klagen dat het in dat geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om op deze gerechtvaardigde opzeggingen een beroep te doen, omdat nadien is gebleken dat de opzeggingsgrond zich niet voordeed.
ex tuncbeoordeelde) rechtsgeldige opzegging als,
ex nuncbeoordeeld, de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit komt in wezen neer op een
ex nunc-beoordeling, waarvoor in zaken als de onderhavige geen plaats is (randnummers 2.8 e.v. hiervoor).
randnummer 2.13 van hun schriftelijke toelichtingdat het hof ambtshalve art. 6:248 lid 1 BW Pro had moeten toepassen, omdat uit de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat de opzeggingen
ex nuncmoeten worden beoordeeld. Deze klacht komt te laat, want er kan geen acht worden geslagen op cassatieklachten die na de procesinleiding zijn aangevoerd. Overigens geldt dat de klacht hoe dan ook niet zou zijn opgegaan. Art. 6:248 lid 1 BW Pro kan er immers niet toe leiden dat een regel van civiel procesrecht – inhoudende dat onder bepaalde omstandigheden
ex tuncmoet worden getoetst – buiten toepassing wordt gelaten. Bovendien staat in cassatie (terecht) als onbestreden vast dat de ABV en de VZR een contractuele regeling voor opzegging bevatten (randnummers 1.4 en 1.5 hiervoor), waardoor aan de hand van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid van art. 6:248 lid 2 BW Pro – en niet de aanvullende van lid 1 – moet worden beoordeeld of de opzeggingen door ING rechtsgeldig zijn.
randnummer 2.1.11betogen [eiseressen] dat de bijzondere zorgplicht van ING als bank met zich brengt dat ING slechts met uiterste terughoudendheid en met een zwaarwegende (dringende) reden tot opzegging mag overgaan. [40] [eiseressen] erkennen dat zij – anders dan burgers – geen absoluut recht hebben op deelname aan het bancaire verkeer, maar dit neemt volgens [eiseressen] niet weg dat het als ondernemer niet meer kunnen deelnemen aan het bancaire verkeer van zó ingrijpende aard is dat hiertoe slechts in uitzonderlijke gevallen, bij wijze van
ultimum remedium, mag worden overgegaan. Nu het hof deze maatstaf niet heeft toegepast, is zijn oordeel onjuist dan wel onbegrijpelijk.
ING/[...], welke noot [eiseressen] ter onderbouwing van hun klachten vrijwel integraal in randnummer 2.1.7 van de procesinleiding hebben overgenomen. Tjong Tjin Tai stelt, kort gezegd, dat de in artikel 2 ABV Pro opgenomen zorgplicht de contractuele opzeggingsbevoegdheid van de bank inperkt en ertoe leidt dat de uitoefening daarvan sneller onaanvaardbaar is. [43] Dat lijkt mij juist. Hij stelt echter – mijns inziens terecht – niet dat die inperking zo ver gaat dat een bank slechts bij
ultimum remediumtot opzegging kan en mag overgaan.
randnummer 2.1.9betogen [eiseressen] dat de verplichting van ING – om op grond van de Wft en de Wwft cliëntonderzoek te verrichten en in bepaalde gevallen de herkomst van gelden te onderzoeken – niet zó ver gaat dat ING moet (kunnen) onderzoeken hoe de bezoekers van Saunaclub [A] hun € 60 entreegeld hebben verdiend. Van [eiseressen] kan derhalve niet worden gevergd dat zij de anonimiteit van haar bezoekers opheffen door hun persoonsgegevens te registreren of girale betaling verplicht te stellen. Indien en voor zover het hof in rov. 3.6. heeft geoordeeld dat ING dit wél van [eiseressen] mocht verlangen, is het hof van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan dan wel is zijn oordeel onbegrijpelijk.
randnummer 2.1.10klagen [eiseressen] dat het rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 3.6. is voorbijgegaan aan hetgeen [eiseressen] hebben aangevoerd omtrent het invoeren van een nieuw kassasysteem en hun financiële gegevens.
onderdeel 1(de toetsing
ex tunc, randnummers 2.4 e.v. hiervoor) en de klachten in
randnummer 2.1.9(de invulling van de verplichtingen op grond van de Wft en de Wwft, randnummers 2.28 e.v. hiervoor) en falen om de in dat kader genoemde redenen.
randnummer 2.1.12zien op het oordeel van het hof in rov. 3.6. dat [eiseressen] onvoldoende maatregelen hebben genomen. Volgens [eiseressen] is dit oordeel onjuist dan wel onbegrijpelijk, omdat voldoende zou moeten zijn dat [eiseressen] aantonen dat het aantal door haar geregistreerde bezoekers correspondeert met de contant ontvangen en af te storten gelden. Zo krijgt ING immers voldoende inzicht in wie de klanten van Saunaclub [A] zijn en wat de herkomst is van het af te storten geld.
randnummer 2.1.9(randnummer 2.30 hiervoor). Het enkel registreren van
het aantalbezoekers, zonder daarbij nadere gegevens over die bezoekers te registreren, maakt immers niet dat ING de herkomst van het door [eiseressen] ontvangen contante geld gemakkelijker kan bepalen. Het is derhalve niet onjuist of onbegrijpelijk dat ING het integriteitsrisico, dat inherent aan (de onderneming) [eiseressen] is verbonden, op die wijze onvoldoende kon mitigeren.
randnummer 2.1.13klagen [eiseressen] dat – indien en voor zover het hof in rov. 3.6. waarde heeft gehecht aan het feit dat Saunaclub [A] vanaf februari 2019 voor een jaar is gesloten – het hof heeft miskend dat de sluiting een administratieve maatregel betreft die niets van doen heeft met de vraag of [eiseressen] een adequate boekhouding voeren en voldoende inzage in hun geldstromen geven.
randnummers 2.2.1 en 2.2.3betogen [eiseressen] dat de vraag of de opzeggingen door ING naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn in hoger beroep ten volle opnieuw moet worden getoetst. Na de eerste en de tweede procedure hebben zich immers nieuwe feiten voorgedaan, waaronder het sepot in juli 2018, en bovendien hebben kort geding-uitspraken geen gezag van gewijsde. Het hof heeft een onjuist dan wel onbegrijpelijk oordeel gegeven door in rov. 3.6. desalniettemin bij het arrest van 19 januari 2018 aan te knopen.
randnummers 2.2.2 en 2.2.4klagen [eiseressen] dat het onbegrijpelijk is dat het hof een toetsing
ex tuncheeft toegepast en desondanks, blijkens rov. 3.6. van het bestreden arrest, omstandigheden van ná de opzeggingen in zijn beoordeling heeft betrokken.
randnummer 2.1.5(randnummers 2.15 e.v. hiervoor) en faalt om dezelfde reden. Daarbij merk ik op dat, anders dan [eiseressen] betogen, er geen sprake van is dat het hof alleen de voor [eiseressen] negatieve gebeurtenissen na 19 januari 2018 in zijn oordeel heeft betrokken. Uit de laatste alinea van rov. 3.6. blijkt immers dat het hof ook acht heeft geslagen op de (positieve) omstandigheid dat [eiseressen] sindsdien enige maatregelen hebben getroffen, waaronder het installeren van een kassasysteem en het verstrekken van diverse financiële gegevens aan ING.
randnummer 2.2.5klagen [eiseressen] dat het onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 3.6. van het bestreden arrest de schikking van het OM met [betrokkene 1 en 2] heeft benoemd, zonder daarbij te vermelden dat [eiseressen] in dit kader hebben aangevoerd dat een mogelijke vervolging en vrijspraak niet kon worden afgewacht gelet op het verkrijgen van een nieuwe vergunning en bovendien uit de getroffen schikking geen reputatie- en integriteitsrisico voortvloeit.
randnummer 2.3betogen [eiseressen] dat het rechtens onjuist althans onbegrijpelijk is dat het hof – bij zijn oordeel in rov. 3.6. dat [eiseressen] te weinig maatregelen hebben getroffen – bij het arrest van 19 januari 2018 (in de tweede procedure) is aangehaakt en niet zelf ten volle heeft getoetst of [eiseressen] te weinig maatregelen hebben getroffen. Na het arrest van 19 januari 2018 is immers de strafzaak tegen [eiseressen] geseponeerd, waarmee niet alleen de verdenking van witwassen is weggevallen maar ook de grond voor de te nemen maatregelen.
onderdeel 1(toetsing
ex tunc, randnummers 2.4 e.v. hiervoor) en de klachten in de
randnummers 2.2.1 en 2.2.3(volledige toetsing door het hof, randnummers 2.38 e.v. hiervoor) en falen om de in dat verband genoemde redenen.