ECLI:NL:PHR:2020:872
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt voorlopige machtiging verblijf psychiatrisch ziekenhuis ondanks vertraagde behandeling
In deze zaak ging het om een verzoek tot voorlopige machtiging voor het voortduren van het verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de Wet Bopz. Na vernietiging van een eerdere beschikking door de Hoge Raad, verleende de rechtbank opnieuw de voorlopige machtiging, maar deed dit na het verstrijken van de geldigheidsduur van de machtiging.
Betrokkene klaagde in cassatie dat de rechtbank het verzoek te laat had behandeld en dat daardoor een ex nunc-beoordeling had moeten plaatsvinden, wat tot afwijzing had moeten leiden. De Hoge Raad oordeelde echter dat de rechtbank terecht een ex tunc-beoordeling heeft toegepast omdat de beslissing na afloop van de machtiging viel en dat de vertraging gerechtvaardigd was door de coronapandemie.
Daarnaast werd het betoog van betrokkene dat de voorlopige machtiging niet meer gerechtvaardigd was wegens vrijwillig verblijf en medische verklaringen verworpen. De rechtbank had vastgesteld dat er sprake was van schizofrenie, gevaarlijk gedrag en onvoldoende bereidheid tot medewerking, wat de machtiging rechtvaardigde.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de voorlopige machtiging tot voortgezet verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de voorlopige machtiging tot voortgezet verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis blijft van kracht.