Uitspraak
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
6 maart 2020.
Hoge Raad
In deze zaak verzocht de officier van justitie om een voorlopige machtiging voor het voortduren van het verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verleende deze machtiging op basis van twee geneeskundige verklaringen, waaronder een verklaring van een psychiater die niet als processtuk was ingebracht.
Betrokkene had verzocht om afwijzing van het verzoek en subsidiair om een second opinion, maar dit werd door de rechtbank afgewezen met het argument dat betrokkene niet in haar belangen werd geschaad omdat twee onafhankelijke psychiaters soortgelijke medische bevindingen hadden gedaan.
De Hoge Raad oordeelde dat het gebruik van een geneeskundige verklaring die geen deel uitmaakte van het procesdossier onrechtmatig was. Ook het betrekken van deze verklaring bij de afwijzing van het verzoek om een second opinion was onjuist. Daarom vernietigde de Hoge Raad de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling en beslissing.
De overige klachten van betrokkene werden niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Hoge Raad op 6 maart 2020.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.