Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
hoe dan ook” is verjaard (rov. 4.11).
het boek [F]” (rov. 4.37).
3.Preliminaire verweren ASR
onder (ii) - (v)genoemde verweren zou, in meer of minder mate, mede een onderzoek van feitelijke aard vergen, waarvoor in cassatie geen plaats is.
onder (i)weergegeven preliminair verweer stelt ASR voorop dat de vordering tot vernietiging van de vaststellingsovereenkomst op grond van art. 3:51 lid 2 BW Pro moet worden aangemerkt als een processueel ondeelbare rechtsverhouding en dat [eiser] derhalve tevens ASAM en [betrokkene 2] in de procedure had moeten betrekken. Volgens de regels van het arrest van 10 maart 2017 zou de Raad in beginsel [eiser] in de gelegenheid moet stellen om ASAM en [betrokkene 2] alsnog op te roepen. [17] Volgens ASR kan deze herstelmogelijkheid [eiser] echter om twee redenen niet baten. In de eerste plaats zouden de eisen van een goede procesorde, gelet op de beperkingen die aan een het beroep in cassatie kleven, eraan in de weg staan dat partijen voor het eerst in cassatie worden opgeroepen. In de tweede plaats zou het oordeel van het hof in rov. 3.19 dat geen belang bestaat bij de behandeling van de grief van [eiser] dat hij in de gelegenheid had moeten worden gesteld ASAM op de voet van art. 118 Rv Pro in het geding te betrekken, niet (afdoende) wordt bestreden door de voortbouwklacht van onderdeel 6, zodat vaststaat dat [eiser] niet in de gelegenheid hoefde te worden gesteld de andere partijen bij de vaststellingsovereenkomst op te roepen. [18]
exceptio plurium litis consortiumbehelst, [19] kan het volgende worden vooropgesteld. In cassatie is tussen partijen – terecht – niet in geschil dat in de onderhavige zaak sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding sprake indien een rechtsverhouding in geschil is waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen in dezelfde zin luidt. [20] Het ondeelbare karakter van een rechtsverhouding kan echter niet alleen besloten liggen in de aard van de rechtsverhouding, maar kan ook rechtstreeks voortvloeien uit de wet. [21] Dit laatste doet zich hier voor: dat in dit geval sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, volgt uit art. 3:51 lid 2 BW Pro. [22] Een rechtsvordering tot vernietiging van een rechtshandeling moet op grond van deze bepaling worden ingesteld tegen ‘hen die partij bij de rechtshandeling zijn’. Wanneer de te vernietigen rechtshandeling een meerpartijenovereenkomst betreft, zoals in deze zaak, moeten dus alle contractspartijen in de procedure worden betrokken. [23]
hoe dan ook” is verjaard (rov. 4.11). In hoger beroep heeft [eiser] tegen dit oordeel gegriefd en betoogd dat de rechtbank hem eerst in de gelegenheid had moeten stellen om ASAM in de procedure te betrekken en vervolgens het beroep op verjaring had moeten behandelen. [25] Het hof heeft deze grief aan het slot van de beoordeling van de grieven in conventie als volgt verworpen (rov. 3.19):
in alle drie instanties ‘fout’ is gegaan” komt zij tot de conclusie dat het veeleer aangewezen is dat niet in de cassatieprocedure maar in de procedure na verwijzing deze fout wordt hersteld. [29]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
De lidstaten zorgen ervoor dat de partijen die voor bemiddeling/mediation kiezen om te pogen een geschil te schikken, daarna niet wordt belet een gerechtelijke procedure of arbitrage met betrekking tot hun geschil aanhangig te maken door het verstrijken van verjaringstermijnen tijdens het bemiddelings-/mediationproces.
de niet met dit artikel verenigbare verjaringsbepalingen in internationale overeenkomsten waarbij de lidstaten partij zijn, onverlet [laat].” Deze bepaling is in deze zaak niet van belang.
De verjaring van een rechtsvordering wordt gestuit door de aanvang van mediation.
Door stuiting van de verjaring van een rechtsvordering begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de dag volgend op de dag dat de mediation is geëindigd doordat een van de partijen of de mediator aan de andere partij schriftelijk heeft meegedeeld dat de mediation is geëindigd of doordat in de mediation gedurende een periode van zes maanden door geen van de partijen enige handeling is verricht. De nieuwe verjaringstermijn is gelijk aan de oorspronkelijke verjaringstermijn doch maximaal drie jaar. Niettemin treedt de verjaring in geen geval op een eerder tijdstip in dan waarop ook de oorspronkelijke termijn zonder stuiting zou zijn verstreken.
(…).
nationalemediations verschillende conceptwetsvoorstellen in (internet)consultatie gebracht. Het meest recente voorstel is de Wet bevordering mediation, dat dient ter vervanging van drie inmiddels ingetrokken initiatiefwetsvoorstellen. [52] Dit voorstel, dat in 2016 ter consultatie is gebracht, voorziet onder meer in toevoeging van een vijfde lid aan art. 3:316 BW Pro, waarin is bepaald dat de verjaring van een rechtsvordering ook wordt gestuit door de aanvang van een mediation als bedoeld in artikel 469, lid 2, van Boek 7. [53] Bij brief van 20 januari 2020 heeft de minister voor Rechtsbescherming laten weten voornemens te zijn een nieuw conceptwetsvoorstel in consultatie te brengen. [54]
“niet in het mes van de verjaring te laten lopen, waardoor de buitengerechtelijke geschillenbeslechting onder druk zou kunnen komen te staan”. [58] Het gaat om art. 11 van Pro de wet, dat ziet op procedures tot buitengerechtelijke geschillenbeslechting, waarvan de uitkomst niet bindend is: [59]
De verjaring van een rechtsvordering wordt gestuit door de aanvang van een procedure tot buitengerechtelijke geschillenbeslechting waarvan de uitkomst niet bindend is.
Door stuiting van de verjaring van een rechtsvordering als bedoeld in lid 1 begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de dag volgend op de dag dat de procedure tot buitengerechtelijke geschillenbeslechting is geëindigd doordat een van de partijen of de instantie tot buitengerechtelijke geschillenbeslechting aan de andere partij schriftelijk heeft meegedeeld dat de procedure tot buitengerechtelijke geschillenbeslechting is geëindigd of doordat in de procedure tot buitengerechtelijke geschillenbeslechting gedurende een periode van zes maanden door geen van de partijen enige handeling is verricht. De nieuwe verjaringstermijn is gelijk aan de oorspronkelijke, doch niet langer dan drie jaar. Niettemin treedt de verjaring in geen geval op een eerder tijdstip in dan dat waarop ook de oorspronkelijke termijn zonder stuiting zou zijn verstreken.
toe te kennenen dat hiervoor een
nieuwlid zou worden toegevoegd aan art. 3:316 BW Pro (zie 4.13-4.16). [69] Te wijzen is bijvoorbeeld op de eerder aangehaalde passage uit de memorie van toelichting bij het oorspronkelijke wetsvoorstel tot implementatie van de Mediationrichtlijn (mijn onderstreping): [70]
uitsluitendwerd voorzien in stuitende werking van mediation door toevoeging van een nieuw lid aan art. 3:316 BW Pro (zie onder 4.15). Dat geldt ook voor het laatste conceptwetsvoorstel met betrekking tot de regulering van nationale mediations, de Wet bevordering mediation (zie onder 4.20). In de memorie van toelichting bij dit conceptwetsvoorstel wordt in dit verband opgemerkt: [71]
”
”
subonderdeel 2.1verdedigt, ambtshalve de rechtsgronden had moeten aanvullen door toepassing te geven aan art. 6 Implementatiewet Pro. Bij de beantwoording van die vraag heeft het volgende als uitgangspunt te gelden.
strekt tot bescherming van algemene belangen van zo fundamentele aard dat zij (ongeacht het partijdebat of de bijzondere omstandigheden van het geval) altijd door de rechter moet worden toegepast”. [84]
wonende te België”), [98] en naar de volgende passage uit de memorie van grieven (met als opschrift “
Privésituatie [eiser]”), die deel uitmaakt van het feitenrelaas van [eiser] :
3.10 (…). Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank daarover in rov. 4.19 en 4.20 heeft overwogen, is het hof met de rechtbank van oordeel dat de door [eiser] aangevoerde feiten en omstandigheden, zo deze al komen vast te staan, niet kunnen leiden tot het oordeel dat een beroep op verjaring door ASR in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.”
stelling A). [103] Volgens het onderdeel had het hof deze stellingen in samenhang moeten bezien met de stelling van [eiser] dat hij in 2014 gereed was om de rechtsmaatregelen daadwerkelijk op te starten, maar deze vervolgens heeft geparkeerd in reactie op de uitnodigingen van ASR om de zaak nog eens te bespreken en mediation te proberen (hierna:
stelling B). [104] Bedoelde stellingen waren immers alle onderdeel van de tegen het verjaringsoordeel van de rechtbank gerichte grieven (III-V), aldus het onderdeel. Verder wijst het onderdeel erop dat [eiser] – in reactie op de opmerking van de rechtbank dat niet valt in te zien waarom hij in die periode geen stuitingshandeling kon verrichten – heeft aangevoerd dat het zeer schadelijk zou zijn geweest voor de verstandhouding van partijen als hij in de aanloop naar of ten tijde van de mediation een expliciete mededeling aan ASR had gedaan of een procedure was gestart tot stuiting van zijn vordering (hierna:
stelling C). [105] Door niet kenbaar op deze stellingen (in onderlinge samenhang) te responderen, heeft het hof zijn oordeel onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd. Dit oordeel, zo vervolgt het onderdeel, leidt bovendien tot het onbillijke resultaat dat [eiser] , door op uitnodiging van ASR de zaak te goeder trouw in den minne te proberen te regelen, na het mislukken van de mediation door ASR wordt geconfronteerd met een beroep op verjaring.
de door [eiser] aangevoerde feiten en omstandigheden, zo deze al vast komen te staan, niet kunnen leiden tot het oordeel dat een beroep op verjaring van ASR in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is”. Aldus heeft het hof stelling A van [eiser] onder ogen gezien, en – op voldoende gemotiveerde en niet onbegrijpelijke wijze – verworpen.
onder a en dgenoemde stellingen kan niet worden opgemaakt dat deze stellingen door [eiser] ten grondslag zijn gelegd aan zijn betoog dat sprake is van misbruik van omstandigheden. Ten aanzien van beide stellingen wordt slechts verwezen naar de feitenweergave in de inleidende dagvaarding (stelling onder a) respectievelijk de memorie van grieven (stelling onder d). Het hof was dan ook niet gehouden om deze stellingen te betrekken bij het beantwoorden van de vraag of sprake is van misbruik van omstandigheden.
een van de stellingen onder b, namelijk de stelling dat [betrokkene 1] en ASR alle binnenkomende grote bedragen bij [F] meteen na ontvangst lieten doorbetalen aan Fortis/ASR. Het voorgaande is ook van toepassing op het merendeel van de
onder ggenoemde stellingen, met uitzondering van de stelling dat [eiser] een achterstand had in de voldoening van zijn rente- en aflossingsverplichting bij zijn hypotheekverstrekker. Voor deze stelling geldt evenwel dat het hof deze in rov. 3.8 onder ogen heeft gezien en verworpen, getuige de volgende overweging: “
Het enkele feit dat er ten tijde van het overnemen van zijn aandelen door [F] , dus ruim vóór het sluiten van die schikking, een executoriale verkoop van een onroerende zaak van [eiser] had plaatsgevonden – zo dit al bekend kon worden veronderstelt bij Asam laat staan ASR – en er toen sprake was van een renteachterstand, is daarvoor [voor het aannemen van de wetenschap van het bestaan van een financiële noodtoestand ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst; A-G] onvoldoende”
.
b(met uit zondering van de stelling genoemd onder 4.59),
c, e en fligt dit anders. Deze stellingen zijn door [eiser] hetzij (reeds) in eerste aanleg betrokken in het kader van zijn beroep op misbruik van omstandigheden c.q. zijn betoog dat ASR weet had van de financiële noodtoestand en deze zelf heeft veroorzaakt, [111] hetzij ingenomen in de toelichting op grief IX. [112] Die grief was gericht tegen de overwegingen van de rechtbank dat, kort gezegd, ASR niet wist dat [eiser] in een financiële noodsituatie verkeerde (rov. 4.34 en 4.35 van het vonnis). De genoemde overwegingen maakten deel uit van de beoordeling door de rechtbank van het betoog van [eiser] dat een beroep door ASR op de kwijtingsbepalingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat doet er echter niet aan af dat deze stellingen óók van essentieel belang zijn bij het beroep van [eiser] op misbruik van omstandigheden. Het hof kon die stellingen dan ook niet onbesproken laten, evenmin als de door [eiser] in eerste aanleg ingenomen stellingen.
[betrokkene 2] (ex-bestuurder/aandeelhouder [F] ) en [betrokkene 6] (ex-bestuurder/aandeelhouder [F] );
(…).”
wetenschaphad van de gestelde financiële noodtoestand van [eiser] . De door het subonderdeel bestreden overwegingen zijn, anders dan het subonderdeel lijkt te veronderstellen, niet dragend voor dit oordeel. Dit volgt reeds hieruit dat deze overwegingen worden voorafgegaan door de woorden “
nog daargelaten dat”. Dat [eiser] – naar het oordeel van het hof – niet over één nacht ijs is gegaan en zelf bewust heeft gekozen voor de snellere oplossing van de vaststellingsovereenkomst, staat bovendien los van het ontbreken van de vereiste wetenschap aan de zijde van ASR, waarop het hof de verwerping van het beroep op misbruik van omstandigheden grondt.
daarmee” ook onder het bereik van de boeteclausule van art. 3.1 en 3.5 van de vatstellingsovereenkomst vallen. Vervolgens oordeelt het hof dat ASR de vordering tot betaling van de verbeurde contractuele boetes “
dan ook” op eigen naam kon instellen.
gericht tegen ASR. Gelet hierop laat het bestreden oordeel van het hof zich moeilijk anders begrijpen dan dat het hof met de woorden “
op eigen naam” tot uitdrukking heeft bedoeld te brengen dat ASR zélf een beroep kan doen op de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen boeteclausule en aldus (niet als lasthebber van ASAM maar) zelfstandig bevoegd was de boetevordering in te stellen. Dat oordeel is noch onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd.