Conclusie
1.Overzicht
BNB2019/175 zegt niet dat een Vpb-splitsingsvrijstelling automatisch ook vervulling van de voorwaarden voor splitsingsvrijstelling in de overdrachtsbelasting inhoudt.
belanghebbendebestrijdt dit oordeel met vier middelen:
Leur-Bloemen HR
BNB2019/175, waaruit blijkt dat de antimisbruikbepaling in de EU-Fusierichtlijn leidend is;
Staatssecretarisacht de EU-Fusierichtlijn niet van toepassing op de overdrachtsbelasting en onderschrijft ’s Hofs oordeel dat de splitsing in overwegende mate was gericht op het ontgaan van overdrachtsbelasting, nl. belastingvrije verdeling van beleggingsvermogen.
Leur-Bloem. Dat arrest ging over de vragen (i) of prejudiciële vragen over de EU-Fusierichtlijn ontvankelijk zijn in puur binnenlandse gevallen (waarvoor de Fusierichtlijn niet geldt) als de nationale wetgever bij de implementatie van de Richtlijn heeft aangegeven grensoverschrijdende en binnenlandse operaties gelijk te willen behandelen, en (ii) wat het misbruikvoorbehoud in (thans) art. 15(1)(a) van de Fusierichtlijn inhoudt. Het antwoord op vraag (i) luidde bevestigend in verband met het belang van uniforme uitleg van het Unierecht. De vraag óf en in hoeverre de nationale wetgever zich heeft geconformeerd aan Unierecht ook voor interne gevallen, is aan de nationale rechter.
BNB2019/175 zegt dat de wetgever met de voorwaarden voor de splitsingsvrijstelling in art. 5c(1) Uitvoeringsbesluit BvR aansloot bij dezelfde voorwaarden in de Wet Vpb, die gebaseerd zijn op de EU-Fusierichtlijn. De wetgever heeft zich mijns inziens dus ook voor de overdrachtsbelasting bij splitsing geconformeerd aan de Fusierichtlijn. Het misbruik-voorbehoud in art. 5c Uitvoeringsbesluit BvR moet dus richtlijnconform worden uitgelegd. Uit HvJ C-352/08
Zwijnenburgvolgt weliswaar dat de Fusierichtlijn niet over de overdrachts-belasting gaat, maar de wetgever heeft door zijn aansluiting voor de overdrachtsbelasting bij dezelfde vrijstelling en hetzelfde voorbehoud in de Wet Vpb - waarvoor de Fusierichtlijn wél geldt – bewerkstelligd dat die vrijstelling en dat voorbehoud ook voor de overdrachtsbelasting Unierechtconform moeten worden uitgelegd.
Zwijnenburgleert slechts dat misbruikelijke overdrachtsbelastingbedoelingen Unierechtelijk geen reden zijn om de Richtlijnvoordelen te weigeren, gegeven dat de Richtlijn slechts ziet op winstbelasting over meerwaarden en inkomstenbelasting over a.b.-winst. Het arrest benadrukt (r.o. 53) dat de overdrachts-belasting nationale bevoegdheid is, maar uit HR
BNB2019/175 volgt dus dat Nederland die bevoegdheid heeft gebruikt om de overdrachtsbelasting bij splitsingen te conformeren aan de Fusierichtlijn en zichzelf aldus vrijwillig in een
Leur-Bloem-positie heeft gebracht.
activiteiten’(
onderstrepingPJW); die ‘activiteiten’ worden niet omschreven, maar uit zowel HvJ C-28/95
Leur-Bloemals HvJ C-126/10
Foggiavolgt dat ontbreken van elke activiteit zakelijke overwegingen niet uitsluit. Volgens HR
BNB2012/261, verwijzende naar HvJ
Leur-Bloem, rechtvaardigt het misbruikvoorbehoud slechts bij uitzondering en in bijzondere omstandigheden weigering van de richtlijnvoordelen; conform
Leur-Bloemen
Foggiaoverwoog u dat ‘zakelijke overwegingen’ ontbreken als enkel zuiver fiscaal voordeel wordt nagestreefd. De Nederlandse wet vestigt een bewijsvermoeden als niet gesplitst wordt op grond van zakelijke overwegingen ‘zoals herstructurering of rationalisering van de
actieve werkzaamheden’(
onderstrepingPJW). De MvT bij de parallelbepaling in art. 3.57(4) Wet IB 2001 licht toe dat de term ‘actieve werkzaamheden’ ertoe strekt om splitsing van activiteiten die niet uitgaan boven normaal vermogensbeheer onder het bewijsvermoeden te brengen.
Kofoed, r.o. 36). Volgens HvJ C-504/16 en C-613/16,
Deisteren
Juhler, moet een nationale antimisbruikbepaling toegespitst zijn op het te bestrijden misbruik (categorische uitsluitingen zijn dus in beginsel disproportioneel), moet de fiscus minstens een ‘begin van bewijs’ van misbruik leveren voordat misbruik verondersteld kan worden, moet de belastingplichtige effectief tegenbewijs van niet-fiscale overwegingen kunnen leveren en moet de rechter in elk concreet geval de transactie in haar geheel onderzoeken. Specifiek voor de Fusierichtlijn zeggen zowel HvJ
Leur-Bloemals HvJ
Foggiadat ontbreken van activiteit in een betrokken vennootschap niet automatisch de fusie of splitsing onzakelijk maakt en belastingontwijking als hoofddoel of één der hoofddoelen impliceert. U overwoog iets vergelijkbaars in HR
BNB2008/245: ontbreken van actieve werkzaamheden kan het oogmerk van belastingontwijking doen veronderstellen, maar ook dan is een onderzoek vereist naar alle relevante omstandigheden. In HR
BNB2000/111 overwoog u met zoveel woorden dat ook bij afwezigheid van de in art. 15(1)(a) Fusierichtlijn genoemde (voorbeelden van) zakelijke overwegingen de Richtlijnfaciliteiten gebruikt kunnen worden, mits belastingfraude of -ontwijking maar niet (een der) hoofddoel(en) van de operatie is, en dat daartoe onderzocht moet worden of de operatie ook zou zijn uitgevoerd als het niet-fiscale doel niet had bestaan.
anderezakelijke overwegingen dan herstructurering of rationalisering van activiteiten bestaan, zoals de in HR BNB 2000/111 bedoelde aansprakelijkheidsbeperking of het in
Foggiabedoelde mogelijke zakelijke belang bij overneming van een vennootschap zonder activiteit.
altijdontbreken van ‘zakelijke overwegingen’ en activeert dus
altijdhet misbruikvermoeden (r.o. 4.7); (ii) ruzie tussen twee 50%-aandeelhouders/bestuurders is
nooiteen zakelijke overweging vanuit het perspectief van de vennootschap (r.o. 4.6 en 4.8). Beide oordelen lijken mij onjuist. Oordeel (i) lijkt mij onverenigbaar met zowel HvJ
Foggia(zelfs het ontbreken van
elkeactiviteit impliceert immers nog geen misbruik) als met HvJ
Deister en Juhler(uit niets blijkt dat de Inspecteur begin van bewijs van misbruik heeft geleverd; categorische uitsluiting op basis van algemene kenmerken (normaal vermogensbeheer; aandeelhouders-motieven) is niet toegestaan). De term ‘zoals’ in art. 15(1)(a) Fusierichtlijn impliceert verder dat ook andere zakelijke overwegingen denkbaar zijn dan herstructurering of rationalisering van activiteiten, die volgens
Leur-Bloemen
Foggiadus niet eens bij alle betrokken vennootschappen aanwezig hoeven te zijn. Oordeel (ii) acht ik onjuist omdat de Fusierichtlijn en de rechtspraak van het HvJ mijns inziens niet toelaten dat de gemotiveerde wens om een einde te maken aan een besluitvormingshinderende aandeelhouders/bestuurdersruzie zonder onderzoek en zonder motivering als antifiscaal wordt aanmerkt. Oordeel (ii) is bovendien, voor zover feitelijk, geheel ongemotiveerd.
Foggia, kon het Hof denkelijk het – onbetwiste - ontbreken van meer activiteit dan normaal vermogensbeheer voldoende achten om het bewijsvermoeden te activeren, maar hij had vervolgens alle feiten en omstandigheden rond de gemotiveerd gestelde aandeelhouders/bestuurdersruzie moeten onderzoeken en moeten vaststellen dat ofwel die ruzie de vennootschappelijke besluitvorming
niethinderde of alleen maar goed uitkwam om een overdracht van onroerend goed in te vermommen, ofwel de splitsing in het licht van het beoogde niet-fiscale doel een antifiscale omweg was of bevatte.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
In confessois dat de aandelen [G] fictieve onroerende zaken waren in de zin van art. 4 Wet Pro BvR. Broer bezat ook alle aandelen in [J] BV die op haar beurt alle aandelen in [K] BV bezat. Die laatste vennootschap drijft een juweliersonderneming in de genoemde, van [H] gehuurde winkelruimte. [J] BV had een schuld aan [G] en [K] BV had een schuld aan [H] . Schematisch (vóór de splitsing):
NTFR2019/292:
BNB2019/175. [4] Het Hof achtte de Vpb-splitsingsvrijstelling echter niet beslissend voor de overdrachtsbelasting:
V-N2020/7.16 was niet geheel overtuigd:
NTFR2020/339) heeft de Hofuitspraak als volgt becommentarieerd:
NTFR 2011/316), waarin kort gezegd werd beslist dat een op de Fusierichtlijn gebaseerde fiscale faciliteit niet mag worden geweigerd indien het hoofddoel is het ontgaan van een belasting (in casu overdrachtsbelasting) die niet onder die richtlijn valt. Sinds het arrest Zwijnenburg neemt de Belastingdienst nog weleens het standpunt in dat de antimisbruikbepaling van art. 5c Uitv.besl. BRV een eigen toetsingskader kent, al heeft dit arrest niet geleid tot enige wijziging in de relevante wetteksten en/of toelichtingen daarop.
(…).
actieve werkzaamheden, maar van de
activiteitenvan de bij de rechtshandeling betrokken vennootschappen.
3.Het geding in cassatie
Het beroep van de belanghebbende
BNB2019/175 [6] impliceert dat de uitleg van het misbruikvoorbehoud in art. 5c Uitvoeringsbesluit BvR de uitleg van het misbruikvoorbehoud in art. 15(1)(a) Fusierichtlijn moet volgen. Dat laatste misbruikvoorbehoud houdt niet in dat beleggingsactiviteiten in de weg staan aan het aannemen van zakelijke overwegingen voor een reorganisatie. De belanghebbende wijst op een uitspraak van het Hof Amsterdam [7] die volgens haar is gebaseerd op HvJ
Leur-Bloem, [8] op een tweede uitspraak van het Hof Amsterdam [9] en op een uitspraak van het Hof Den Haag. [10] Uit de r.o. 2.3 Hof en r.o. 12, 16, 17, 18 en 19 Rechtbank volgt dat in casu wel degelijk de vennootschappelijke activiteiten worden gerationaliseerd en niet slechts aandeelhoudersbelangen worden gediend.
BNB2012/261 [11] en op het HvJ-arrest
Foggia, [12] waaruit volgt dat belastingontwijking pas onder het misbruikvoorbehoud valt als de (voorgenomen) splitsing een volstrekt overheersend c.q. doorslaggevend antifiscaal motief heeft en toekenning van de richtlijn-voordelen doel en strekking van de richtlijn zouden schenden. Ontbreken van ‘actieve’ werkzaamheden impliceert niet automatisch dat een splitsing volstrekt overheersend antifiscaal is ingegeven. Volgens HR
BNB2000/111 [13] gaat het er om of ook gesplitst zou zijn als het niet-fiscale doel niet had bestaan. Dat strookt volgens de belanghebbende met de parlementaire toelichting bij de invoering van de splitsingsfaciliteit in de inkomsten- en vennootschapsbelasting, die zegt dat het gaat om het “beslissende” motief (
Kamerstukken II1997/98, 25 709, 5, p. 5). In casu blijkt uit de in r.o. 2.4 t/m 2.7 door het Hof vastgestelde feiten dat eerst een Vpb-splitsingsbeschikking is verkregen en pas daarna beroep is gedaan op de vrijstelling in de overdrachtsbelasting. Dat eerst de Vpb-beschikking is afgegeven, bewijst volgens de belanghebbende dat het haar niet te doen was om de overdrachtsbelasting-vrijstelling. Die vormde volgens haar een klein en bijkomend belang; het grotere belang lag in de Vpb, waarvan wél vrijstelling is verleend. Zij herhaalt dat de splitsing primair was gericht op het opheffen van het bestuursvacuüm. Van gekunsteldheid was geen sprake en het belang bij de splitsing was niet primair gelegen in de overdrachtsbelasting, zodat geen misbruikvermoeden wordt geactiveerd.
BNB2019/175. Zij verwijst verder naar de toelichtende nota (Stb. 2005, 688) bij art. 5c Uitvoeringsbesluit BvR, die zegt dat
BNB2019/175 niet af dat de vrijstelling Richtlijnconform moet worden toegepast, gegeven uw eindarrest [16] in de zaak HvJ
Zwijnenburg. [17] De feitenrechtspraak waarnaar de belanghebbende verwijst acht de Staatssecretaris niet doorslaggevend of niet relevant.
4.De wet
zakelijke overwegingen, zoalsherstructurering of rationalisering van
de activiteitenvan de bij de rechtshandeling betrokken vennootschappen, geldt het vermoeden dat die rechtshandeling als hoofddoel of een van de hoofddoelen belastingfraude of belastingontwijking heeft;
onderstrepingPJW):
zakelijke overwegingen zoalsherstructurering of rationalisering van
de actieve werkzaamhedenvan de splitsende en de verkrijgende rechtspersonen. Indien aandelen in de gesplitste rechtspersoon, dan wel in een verkrijgende rechtspersoon binnen drie jaar na de splitsing geheel of ten dele, direct of indirect worden vervreemd aan een lichaam dat niet met de gesplitste rechtspersoon en met de verkrijgende rechtspersonen is verbonden als bedoeld in artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, worden zakelijke overwegingen niet aanwezig geacht, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt.”
5.Richtlijnconforme interpretatie?
Leur-Bloem, [19] waarin het Hof Amsterdam in een puur binnenslands (IB)fusiegeval het HvJ EU vroeg of hij desondanks prejudiciële vragen over de uitleg van de Fusierichtlijn kon stellen, gegeven dat de Nederlandse wetgever had verklaard puur binnenlandse fusiegevallen gelijk te willen behandelen als grensoverschrijdende gevallen, die door de Fusierichtlijn worden beheerst. Het HvJ EU achtte zich in die omstandigheden bevoegd om vragen over de uitleg van de Fusierichtlijn te beantwoorden, gegeven het belang van uniforme toepassing van de Richtlijn in de hele EU:
BNB2019/175 [22] bestond al vóór de splitsing van een vennootschap het plan om het af te splitsen deel van de onderneming inclusief onroerende zaken te verkopen aan een derde. De fiscus zag dat als misbruik van de splitsingsvrijstelling voor de overdrachtsbelasting. U overwoog echter dat (i) dat op zichzelf geen misbruik opleverde, en (ii) dat de vrijstellingsvoorwaarden voor de overdrachtsbelasting aansluiten op die voor de vennootschapsbelasting. U paste vervolgens uw eerdere, voor de vennootschapsbelasting gewezen
Bulkgas-arrest ook toe voor de overdrachtsbelasting:
BNB2012/261, [24] over een geheel binnenlandse splitsing, volgt dat ook u ervan uitgaat dat de wetgever interne en grensoverschrijdende fusie- en splitsingsgevallen gelijk behandelt. U nam dat in het voetspoor van het Hof tot uitgangspunt (zie r.o. 3.2 van uw arrest). Ik meen daarom dat er in belanghebbendes geval vanuit moet worden gegaan dat de wetgever zich in zuiver interne splitsingen ook voor de overdrachtsbelasting heeft ‘geconformeerd’ aan de in de Fusierichtlijn gekozen ‘oplossingen’.
transactie, waarbij van uitstel geen sprake kan zijn, zodat de faciliteit steeds afstel van heffing inhoudt. Er kan daarom volgens de Staatssecretaris geen sprake zijn van uniforme uitleg van de splitsingsvrijstellingen voor de overdrachtsbelasting en de Vpb, en daarmee evenmin – zo begrijp ik – van Richtlijnconforme uitleg van de splitsingsvrijstelling voor de overdrachtsbelasting.
Zwijnenburg. [25] Die zaak betrof een modehuis dat haar juridische structuur herzag. Voor de Vpb gold de op de EU-fusierichtlijn gebaseerde fusiefaciliteit ex art. 14(1) Wet Vpb. Voor de overdrachtsbelasting gold de vrijstelling ex art. 15(1)(h) Wet BvR juncto art. 5a Uitvoeringbesluit BvR, die toen echter nog geen misbruikvoorbehoud bevatte. De Inspecteur weigerde de fusiefaciliteit
voor de vennootschapsbelastingomdat de fusie volgens hem gericht was op ontgaan van
overdrachtsbelasting: hij wilde het misbruikvoorbehoud in art. 14(4) Vpb, gebaseerd op art. 15 Richtlijn Pro, ondanks ontbreken van misbruik in de Vpb, toch toepassen in de Vpb. De vraag was dus of ‘misbruik’ in art. 15 Fusierichtlijn Pro ook misbruik in andere belastingen kon omvatten dan die waarop de Richtlijn ziet (IB en Vpb), zodat ook misbruik in de overdrachtsbelasting zou kunnen leiden tot weigering van vrijstelling in de Vpb of de inkomstenbelasting. Het HvJ EU oordeelde van niet:
uit zichzelfook voor de overdrachtsbelasting geldt en dat de overdrachtsbelasting in beginsel onder de fiscale bevoegdheid van de lidstaten valt (r.o. 53). Nederland heeft zijn nationale bevoegdheid aldus gebruikt dat hij zich voor de splitsingsvrijstelling in de overdrachtsbelasting heeft geconformeerd aan art. 14a Wet Vpb (zie het Besluit in 5.3 en HR BNB 2019/175 in 5.4) en zich voor de toepassing van die laatste bepaling heeft geconformeerd aan de Fusierichtlijn ook voor puur binnenlandse gevallen (zie 5.5 hierboven). Nederland heeft zichzelf aldus onder de reikwijdte van
Leur-Bloemgebracht ook voor de toepassing van het misbruikvoorbehoud bij de splitsingsvrijstelling in de overdrachtsbelasting.
Zwijnenburgdoet op dat punt niets af aan
Leur-Bloem.
6.Moet de Inspecteur BvR de beschikking van de Inspecteur Vpb volgen?
WetVpb tot vrijstelling van vennootschapsbelasting bij fusie of splitsing noopt, dan in beginsel ook de
WetBvR tot overdrachtsvrijstelling bij die fusie of splitsing noopt. Zij zeggen niet dat als de ene inspecteur een beschikking heeft genomen, die beschikking bindend zou zijn voor de andere inspecteur, die immers zelfstandig de wet moet toepassen voor ‘haar’ belasting.
Toepassing van de splitsingsfaciliteit en het misbruikvoorbehoud bij beleggingen
de activiteitenvan de vennootschappen, terwijl het Nederlandse misbruikvermoeden het heeft over
actieve werkzaamhedenvan de vennootschappen. (Ook) die laatste term zal Richtlijnconform geïnterpreteerd moeten worden, ook voor de overdrachtsbelasting.
BNB2012/261, [32] verwijzend naar HvJ
Leur-Bloem,
Kofoeden
Zwijnenburg, dat het misbruik-voorbehoud slechts bij uitzondering en slechts in bijzondere omstandigheden weigering van de richtlijnvoordelen rechtvaardigt en, verwijzend naar HvJ
Foggia, dat enkel beogen van zuiver fiscaal voordeel geen zakelijke overweging is in de zin van art. 15 Fusierichtlijn Pro. HR
BNB2012/261 betrof een OZR in de zin van art. 4 Wet Pro BvR waarin twee broers, B en C, elk 50% hielden. Zij wilden de OZR-BV zuiver splitsen in F BV, beheerst door B, die de onroerende zaken zou verkrijgen, en G BV, beheerst door C, die enkel een bedrag in geld zou krijgen gelijk aan de waarde van C’s gerechtigdheid tot het vermogen van de OZR vóór de splitsing. De Inspecteur weigerde vrijstelling in de
vennootschapsbelastingomdat hij misbruik in de
inkomstenbelasting(ontwijking a.b.-heffing) aanwezig achtte. U achtte dat toelaatbaar omdat het in wezen om de uitkoop van een broer ging, overwegende als volgt:
onweerlegbaar categorisch bewijsvermoeden op basis van algemene kenmerken (niet meer dan normaal vermogensbeheer; aandeelhoudersmotieven). Dat strookt niet met de strekking van het algemene beginsel van EU-recht dat misbruik verboden is, van welk beginsel art. 15(1)(a) van de Fusierichtlijn een uitdrukking is, aldus het HvJ in
Kofoed: [34]
Euro Park Service: [36]
Deister & Juhler [37] (over de EU-Moeder-Dochterrichtlijn) moet een nationale implementatiebepaling tot voorkoming van misbruik van Richtlijnvoordelen voldoende toegespitst zijn op het te bestrijden misbruik en moet de nationale rechter in elk concreet geval de individuele transactie in haar geheel onderzoeken. Abstract geformuleerde misbruikcriteria moeten voldoende op concreet misbruik wijzen en de initiële bewijslast (‘een begin van bewijs’ of ‘aanwijzingen’) moet op de fiscus rusten, en de belastingplichtige moet steeds effectief gelegenheid hebben tot (tegen)bewijs van niet-misbruikelijke redenen voor de transactie: [38]
Leur-Bloem [39] en
Foggia [40] overwogen dat het ontbreken van activiteiten in een verwervende vennootschap resp. het ontbreken van zowel activa als activiteit in een over te nemen vennootschap, op zichzelf niet betekent dat de fusie of splitsing geen zakelijke grond kan hebben. Dat ontbreken impliceert dus op zichzelf niet dat de fusie of splitsing als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingontwijking heeft. R.o. 4.2 van HR
BNB2008/245 (zie hieronder in dit onderdeel) luidt in gelijke zin.
Foggiaen HR
BNB2008/245 komen erop neer dat ontbreken van ondernemingsactiviteit weliswaar het doel van belastingontwijking kan doen veronderstellen, maar dat steeds een onderzoek naar alle relevante omstandigheden is vereist en steeds effectief tegenbewijs toegelaten moet worden. In Leur-Bloem overwoog het HvJ:
Foggiaoverwoog het HvJ:
BNB2000/111 [42] betrof een advocaat met een praktijk-BV die zijn praktijk liet uitzakken in een nieuwe dochter-BV en vervolgens een aandelenruil met een nieuwe holding (en winstuitkering) wenste ter beperking van mogelijke schadeclaims jegens de oude praktijk-BV. U overwoog met zoveel woorden dat ook bij afwezigheid van de in art. 15(1)(a) Fusierichtlijn genoemde (voorbeelden van) zakelijke overwegingen de faciliteiten gebruikt kunnen worden als belastingfraude of -ontwijking maar niet het hoofddoel of een der hoofddoelen van de operatie is:
niet-fiscale overwegingen bedoeld. Ontbreken zakelijke overwegingen, dan impliceert dat per definitie (‘zakelijk’ = niet-fiscaal) dat er alleen fiscale overwegingen zijn.
anderezakelijke overwegingen dan herstructurering of rationalisering van activiteiten bestaan, zoals de in HR
BNB2000/111 bedoelde aansprakelijkheidsbeperking of het in
Foggiabedoelde mogelijke zakelijke belang bij overneming van een vennootschap zonder activiteit - of bijvoorbeeld het belang bij beëindiging van een besluitvormingsbelemmerende aandeelhouders/bestuurdersruzie.
altijdontbreken van ‘zakelijke overwegingen’ zoals bedoeld in (uiteindelijk) de Fusierichtlijn en activeert dus
altijdhet misbruikvermoeden (r.o. 4.7); (ii) ruzie tussen twee 50%-aandeelhouders die tevens de twee bestuurders van de vennootschap zijn, is
nooiteen zakelijke overweging vanuit het perspectief van de vennootschap (r.o. 4.6 en 4.8).
Foggia(zie 7.15: zelfs het ontbreken van
elkeactiviteit impliceert op zichzelf geen misbruik) als met HvJ
Deister en Juhler(zie 7.14; uit niets in de Hofuitspraak blijkt dat de Inspecteur een begin van bewijs van misbruik heeft overgelegd, hoewel de initiële bewijslast op de inspecteur rust); het Hof stelt dat de Inspecteur iets ‘gemotiveerd betwist’ zou hebben, maar dat impliceert in de eerste plaats dat het Hof ten onrechte de initiële bewijslast dat er géén aanwijzingen voor misbruik zijn, op de belanghebbende heeft gelegd, en in de tweede plaats blijkt uit niets waaruit die motivering door de Inspecteur zou hebben bestaan). Oordeel (i) is mede onjuist omdat de term ‘zoals’ in art. 15(1)(a) Fusierichtlijn impliceert dat ook andere zakelijke overwegingen denkbaar zijn dan herstructurering of rationalisering van activiteiten, die volgens
Foggiadus niet eens bij alle betrokken vennootschappen aanwezig hoeven te zijn, en dus te minder noodzakelijk rokende schoorstenen of zoemende servers moeten zijn.
van de vennootschapvoor splitsing kan zijn, lijkt mij onjuist in gevallen waarin die ruzie het functioneren van de vennootschap belemmert, en ziet er aan voorbij dat in casu de twee aandeelhouders ook de twee bestuurders zijn, zodat de ruzie ook een bestuurdersruzie is, die volgens de belanghebbende haar besluitvorming verlamt. Wellicht acht het Hof dat allemaal niet aannemelijk, of meent hij dat er bij normaal vermogensbeheer niets te besturen valt, maar we weten het niet, want feitelijk onderzoek en motivering of explicitering ontbreken.
Foggia, kon het Hof vermoedelijk wel het ontbreken van meer activiteit dan normaal vermogensbeheer voldoende achten om het bewijsvermoeden te activeren, maar hij had vervolgens alle feiten en omstandigheden rond de gemotiveerd gestelde aandeelhouders/bestuurdersruzie moeten onderzoeken en moeten vaststellen dat ofwel - zoals de fiscus stelt – die ruzie de vennootschappelijke besluitvorming niet hinderde of alleen maar goed uitkwam om een overdracht van onroerend goed in te vermommen, ofwel de splitsing in het licht van het beoogde niet-fiscale doel een antifiscale omweg was of bevatte.