Conclusie
witness statementaf te geven ten behoeve van een door die rechtspersoon geëntameerde procedure in het buitenland (in dit geval: Hong Kong). De Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat een expliciete wettelijke basis voor een dergelijk bevel vereist is maar hier ontbreekt. Het verzoek is daarom afgewezen.
Delco c.s.) hebben om een spoedbehandeling verzocht. [1] Op 6 maart 2020 heeft de rolraadsheer dit verzoek toegewezen. De datum voor deze conclusie is daarom met drie maanden vervroegd naar heden.
1.Feiten en procesverloop
Delco), opgericht in 2000, is voornamelijk actief (geweest) in de Volksrepubliek China als houdstermaatschappij van ondernemingen die zich bezighouden met de handel in recyclebare metalen.
HPL) en SVO Company B.V. (hierna:
SVO) zijn de persoonlijke vennootschappen van respectievelijk [verzoeker 3] (hierna:
[verzoeker 3]) en [verweerder 2] (hierna:
[verweerder 2]). HPL en SVO houden elk 50% van de aandelen in het geplaatste kapitaal van Delco. Zij vormen samen het bestuur en zijn gezamenlijk bevoegd Delco te vertegenwoordigen.
[betrokkene 1]) een gezamenlijke onderneming opgericht, die later is overgegaan in Chiho-Tiande Group Limited (hierna:
CT), een vennootschap naar het recht van de Kaaimaneilanden. Delco en HWH Holdings Inc. (een vennootschap gecontroleerd door [betrokkene 1], hierna:
HWH) hielden elk 50% in het kapitaal van CT.
de OK-bestuurder). Hij heeft, na overleg met [verzoeker 3] en [verweerder 2], besloten de procedures in Hong Kong door te zetten.
2010 Agreement”), maar dat er wel een zogeheten “
round-tripping Scheme” bestond. Onderdeel daarvan zou zijn dat in de boekhouding van Delco schulden aan [betrokkene 1] waren opgenomen die niet hoefden te worden terugbetaald, omdat ze niet werkelijk waren verschuldigd en [betrokkene 1] er ook geen tegenprestatie voor had verricht.
witness statementvan [verweerder 2] in te dienen waarin hij verklaart dat, kort gezegd, er met [betrokkene 1] geen verrekeningsafspraken zijn gemaakt zodat de openstaande vorderingen van Delco betaald moeten worden en dat beweerdelijke schulden van [betrokkene 1]-entiteiten in werkelijkheid niet bestaan. [5] Een dergelijke
witness statementzou moeten voldoen aan de specifieke vereisten die daaraan naar het procesrecht van Hong Kong worden gesteld. [verweerder 2] is echter niet bereid een dergelijke
witness statementaf te geven vanwege de daaraan voor hem verbonden risico’s (zie hierna, 1.17). [6]
witness statementafgeeft in de door de rechter te Hong Kong vereiste vorm, waarin hij naar beste weten verklaart over de “
2010 Agreement” en de “
round-tripping Scheme”, op straffe van verbeurte van dwangsommen van € 10.000 per dag, met een maximum van € 1.000.000.
witness statementvan [verweerder 2], omdat hij de enige is die de stellingen van Delco ten aanzien van de “
2010 Agreement” kan staven en het ontbreken van zijn
witness statementertoe kan leiden dat de rechter ten nadele van Delco bewijs van het tegendeel aanneemt. Volgens Delco heeft [verweerder 2] geen rechtens te respecteren belang om de
witness statementte weigeren, omdat hij slechts hoeft te bevestigen wat hij eerder onder ede heeft verklaard in een procedure op de Maagdeneilanden en bij het getuigenverhoor ten overstaan van mr. Tillema.
witness statement, omdat de gevolgen daarvan voor hem niet goed zijn te overzien. Volgens [verweerders] kan aan het afleggen van een
witness statementde verplichting worden gekoppeld om tijdens een
trialin Hong Kong te verschijnen en daar aan een
cross examinationte worden onderworpen. Een getuige die aan die verplichting geen gehoor geeft, maakt zich volgens hem schuldig aan
contempt of courtmet mogelijk verstrekkende gevolgen, waaronder gevangenisstraf. [verweerder 2] heeft zich echter wel bereid verklaard om in Nederland mee te werken aan een getuigenverhoor bij een rogatoire commissie overeenkomstig het Haags Bewijsverdrag 1970. [8]
witness statementaf te leggen ten behoeve van een procedure voor de rechter in Hong Kong in de daarvoor vereiste vorm.”
witness statementaf te leggen, laat staan die verplichting af te dwingen. Het Haags Bewijsverdrag 1970 voorziet in het horen van getuigen in andere staten door middel van een rogatoire commissie, maar dat verdrag voorziet niet in andere dwangmiddelen dan die zijn voorzien in de staat waar de rogatoire commissie wordt uitgevoerd; in het onderhavige geval zou dat Nederland zijn. Onder Nederlands burgerlijk procesrecht kan [verweerder 2] als partijgetuige ingevolge artikel 173 lid 1 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering echter niet door gijzeling en evenmin door het opleggen van dwangsommen worden gedwongen een verklaring af te leggen (ECLI:NL:HR:2012:BV3403).
witness statementvoort, ook niet ingevolge artikel 2:8 BW Pro.
witness statementheeft de Ondernemingskamer het volgende overwogen:
witness statement– voorshands betwijfeld kan worden of [verweerder 2] voldoende belang heeft om te weigeren een eenvoudige ontkenning van het bestaan van de “2010 Agreement” vast te leggen in de daarvoor naar het recht van Hong Kong vereiste vorm. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt evenwel dat het verzoek van Delco een rechtsvraag oproept die zich niet door een belangenafweging laat beantwoorden.”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding: partijgetuigen
als partijkan worden gehoord (bijvoorbeeld tijdens een comparitie), maar ook
als getuige. Het tweede lid bepaalt dat de bewijskracht van een verklaring van een partijgetuigen onder bepaalde omstandigheden beperkt is. Slechts indien deze verklaart over feiten waarvoor de wederpartij het bewijsrisico draagt, kan de rechter aan de verklaring bewijs in het voordeel van de partijgetuige ontlenen. [9] De beperkte bewijskracht van de partijgetuigenverklaring geldt niet als de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Het derde lid van art. 164 Rv Pro bepaalt dat de partij die als getuige wordt opgeroepen, verplicht is te verschijnen en te verklaren. Indien de partijgetuige niet aan deze verplichtingen voldoet, kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Anders dan een ‘gewone’ getuige, kan een partijgetuige niet in gijzeling worden genomen (zie art. 173 lid 1 Rv Pro). [10] Evenmin kan een partijgetuige worden veroordeeld te getuigen op straffe van een dwangsom. [11] Ook de strafsanctie van art. 192 Sr Pro is bij partijgetuigen terzijde gesteld. [12]
nietin hun eigen zaak konden getuigen. Reden daarvoor was dat omtrent een partij, die in zijn eigen zaak als getuige optreedt, onvoldoende waarborgen voor objectiviteit en “
waarheidsliefde” bestaan om zijn verklaring als bewijs te gebruiken. Bij de voorbereiding van het nieuwe bewijsrecht is aanvankelijk aan die lijn vastgehouden. [13] Gaandeweg is echter het inzicht gegroeid dat het algeheel verbieden van het gebruik van mogelijk minder betrouwbare bewijsmiddelen, zoals een partijgetuigenverklaring, een te vergaande remedie is. De belangrijkste redenen om (uiteindelijk) toch partijgetuigen toe te laten zijn de volgende geweest: [14]
nietonder ede gehoord kan worden, terwijl haar wederpartij, speciaal indien die rechtspersoon is, wel de aan haar zijde betrokken persoon als getuige kan voorbrengen, die materieel aan de aan het geding ten grondslag liggende feiten deelnam en toen tegenover de eerdergenoemde partij-natuurlijke persoon stond.”
wieals partijgetuige kan worden aangemerkt, net als onder het oude bewijsrecht, aan de rechter overgelaten. [15]
Reprotechniek/Traugott [16] had de rechtbank een getuige (F.) als partijgetuige gekwalificeerd, omdat hij op enig moment directeur/aandeelhouder van Reprotechniek
was geweest. De Hoge Raad oordeelde dat hiermee van een onjuiste rechtsopvatting was uitgegaan, omdat beslissend is het tijdstip waarop de getuige wordt gehoord en de getuige in kwestie op dat moment geen bestuurder meer was van Reprotechniek:
NJ1997/22 (
Reprotechniek/Traugott) en
NJ1997/23 (
Masteco/Top-Pharm)). De directeur uitvoering die niet bevoegd is de rechtspersoon in rechte te vertegenwoordigen, is niet als partijgetuige aan te merken (HR 23 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8689,
JBPr2008/41 (
E&T/Hak)).”
witness statementals verzocht af te leggen.
X/Karadzic) [21] en daarbij heeft miskend dat het in die zaak om een wezenlijk andere situatie ging.
X/Karadzicheeft gebaseerd, berust op een onvolledige lezing van de bestreden beschikking. De Ondernemingskamer heeft in rov. 3.8 naar dat arrest verwezen, omdat aan het slot van die rechtsoverweging wordt overwogen dat [verweerder 2] als partijgetuige niet door het opleggen van een dwangsom kan worden gedwongen een verklaring af te leggen. De Hoge Raad heeft dat in de zaak
X/Karadzicvoor het eerst uitgemaakt. [22] Dit heeft ook te gelden voor personen die niet zelf procespartij zijn maar niettemin zijn aan te merken als partijgetuige, zoals een statutair bestuurder van een rechtspersoon.
uitgebreid”. De Hoge Raad heeft verduidelijkt dat bestuurders van rechtspersonen ook onder het nieuwe bewijsrecht als partijgetuigen moeten worden beschouwd indien zij op het tijdstip dat zij getuigen (nog) bestuurder van de procederende rechtspersoon zijn. Net als bij andere partijgetuigen geldt bij een bestuurder van een rechtspersoon derhalve dat zijn getuigenverklaring beperkte bewijskracht heeft, maar ook dat hij niet moet kunnen worden gedwongen om tegen zichzelf als bestuurder (of tegen de rechtspersoon) een verklaring af te leggen, het
nemo tenetur-beginsel. Dit elementaire beginsel lijdt geen uitzondering indien de rechtspersoon zelf wenst dat een van haar bestuurders een getuigenverklaring aflegt. Ook in dat geval kan de bestuurder niet worden gedwongen om tegen zichzelf als bestuurder te verklaren.
witness statementen dat de vraag of sprake is van een dergelijke verplichting zich niet door een belangenafweging laat beantwoorden. Het onderdeel betoogt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd, omdat de Ondernemingskamer op grond van art. 2:8, 2:9, 2:239 en/of 6:162 BW door middel van een concrete belangenafweging had moeten onderzoeken of uit de taakuitoefening van [verweerder 2] als bestuurder, gelet op het belang van Delco, voor hem een verplichting voortvloeit tot het afleggen van een
witness statement.
allepartijgetuigen, derhalve ook voor partijgetuigen die als zodanig worden aangemerkt omdat zij bestuurder van de procederende rechtspersoon zijn. De normen neergelegd in art. 2:8 BW Pro (aanvullende en beperkende werking redelijkheid en billijkheid), art. 2:9 BW Pro (bestuurders zijn gehouden tot een behoorlijke taakvervulling), art. 2:239 lid 5 BW Pro (bestuurders richten zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming) en art. 6:162 BW Pro (onrechtmatige daad) maken dit niet anders. Deze normen zijn te algemeen om de specifieke wettelijke bepalingen omtrent partijgetuigen en de rechtspraak die in dit kader is ontwikkeld opzij te zetten en vormen een onvoldoende wettelijke basis om bestuurders – in strijd met het geldende Nederlandse burgerlijk procesrecht – te dwingen als partijgetuige een verklaring af te leggen. De regel dat een partijgetuige niet kan worden gedwongen een verklaring af te leggen, geldt ongeacht welk belang een ander bij de verklaring stelt te hebben.
DSM-beschikking van de Hoge Raad slechts plaats indien dit gerechtvaardigd is met het oog op de met de regeling van het enquêterecht beoogde sanering en herstel van de gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de rechtspersoon. [23] Evenals eindvoorzieningen als bedoeld in art. 2:356 BW Pro dienen onmiddellijke voorzieningen te zijn gericht op de doelstellingen van het enquêterecht. [24]
witness statementaf te leggen in de procedures voor de rechter in Hong Kong valt daar niet onder. Ook al zou in dit geval het afleggen van een dergelijke verklaring in het belang van de vennootschap kunnen zijn (namelijk als de rechter in Hong Kong (mede) op basis daarvan in het voordeel van Delco zou oordelen), dan betekent dat nog niet dat is voldaan aan het materiële criterium van enquêterecht dat is genoemd in art. 2:349a lid 2 BW. De Ondernemingskamer is niet bevoegd een dergelijk bevel te geven.
Prien Holding [25] maakt het voorgaande niet anders. In die zaak ging het om een bevel zich te onthouden van bedreigende of lasterlijke uitlatingen of gedragingen jegens OK-functionarissen. Een dergelijk bevel betreft de gang van zaken van een enquête-onderzoek. Een bevel tot het als partijgetuige afleggen van een
witness statementis van een andere orde want ziet op de externe verhouding met een derde (in dit geval [betrokkene 1], de wederpartij in de procedures in Hong Kong). Een dergelijk bevel is ook niet noodzakelijk voor het verloop van het onderzoek.
witness statementaf te leggen niet valt gelijk te stellen aan een verzoek van de rechter aan een getuige om een verklaring (onder ede) af te leggen, zoals bedoeld in art. 173 Rv Pro.
witness statementten behoeve van procedures in Hong Kong, (ii) het recht van Hong Kong [verweerder 2] niet verplicht een dergelijke
witness statementaf te leggen, (iii) het Haags Bewijsverdrag 1970 voorziet in het horen van getuigen in andere staten door middel van een rogatoire commissie, (iv) bij het uitvoeren van de rogatoire commissie Nederlands recht van toepassing is (art. 9 Haags Pro Bewijsverdrag 1970) en (v) naar Nederlands burgerlijk procesrecht [verweerder 2] als partijgetuige moet worden aangemerkt en niet kan worden gedwongen een verklaring af te leggen. Uit dit oordeel – dat niet onjuist is – blijkt niet dat de Ondernemingskamer het verzoek om een
witness statementaf te leggen heeft gelijkgesteld aan het afleggen van een verklaring (onder ede) op grond van art. 173 Rv Pro.